Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:2963

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
02-09-2014
Zaaknummer
200.148.750/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zus geen belanghebbende, uithuisplaatsing.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 261 en 263, geldigheid: 2014-09-02
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 22 juli 2014

Zaaknummer: 200.148.750/01

Zaaknummer eerste aanleg: 556731/13-2049

in de zaak in hoger beroep van:

Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam,

appellant,

advocaat: mr. D. van der Leij te Amsterdam,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. C.C.S. Vermeulen te Amstelveen.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk BJAA en de moeder genoemd.

1.2.

BJAA is op 8 mei 2014 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 18 februari 2014 van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter), met kenmerk 556731/13-2049.

1.3.

BJAA heeft op 2 juni 2014 nadere stukken ingediend.

1.4.

De moeder heeft op 2 en 3 juni 2014 nadere stukken ingediend.

1.5.

De moeder heeft op 5 juni 2014 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.6.

[pleegmoeder] en [pleegvader] (hierna: de pleegouders) hebben op 5 juni 2014 incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.7.

De moeder heeft op 10 juni 2014 een verweerschrift ingediend in het incidenteel hoger beroep van de pleegouders.

1.8.

Mr. B.P.R. Milar, advocaat te Amsterdam, heeft op 10 juni 2014 namens na te noemen [kind a] een verweerschrift ingediend.

1.9.

De pleegouders hebben op 11 juni 2014 een verweerschrift ingediend in het incidenteel hoger beroep van de moeder.

1.10.

De zaak is op 11 juni 2014 ter terechtzitting behandeld.

1.11.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- [a], vertegenwoordiger van BJAA;

- […] (hierna: [x]);

- de pleegouders, bijgestaan door mr. W.A. Quispel, advocaat te Huizen;

- de heer C. de Wilde, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam, locatie Amsterdam (hierna: de Raad).

1.12

Voorafgaand aan de mondelinge behandeling is […] (hierna: [kind a]) gehoord, bijgestaan door haar advocaat mr. B.P.R. Milar.

2 De feiten

2.1.

De moeder en [x] zijn [in] 2002 gehuwd. Uit dit huwelijk is geboren […] (hierna: [de minderjarige]) [in] 2007. [x] is niet de biologische vader van [de minderjarige]. De moeder en [x] oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige]. De moeder en […] (hierna: [y]) zijn gehuwd geweest. Dit huwelijk is in 1999 ontbonden. Uit dit huwelijk zijn geboren [kind a] [in] 1995 en Yeva Moreva (hierna: [kind b]) [in] 1996.

2.2.

Bij beschikking van de kinderrechter van 24 augustus 2012 is de voorlopige ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van drie maanden uitgesproken en is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de duur van twee weken.

2.3.

Bij beschikking van de kinderrechter van 5 september 2012 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling is nadien telkens verlengd, laatstelijk tot 24 augustus 2014. In het kader van de ondertoezichtstelling is [de minderjarige] uit huis geplaatst. De machtiging tot uithuisplaatsing voor verblijf bij een pleegouder is nadien telkens verlengd, laatstelijk tot 24 februari 2014.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor verblijf bij een pleegouder met ingang van 24 februari 2014 verlengd voor de duur van drie maanden. Deze beschikking is gegeven op het verzoek van BJAA tot het verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor verblijf bij een pleegouder voor de duur van zes maanden.

3.2.

BJAA verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, BJAA te machtigen [de minderjarige] uit huis te plaatsen conform het indicatiebesluit in een (crisis)pleeggezin voor de duur van de ondertoezichtstelling, althans voor een zodanig periode als het hof juist acht.

3.3.

De moeder verzoekt in principaal hoger beroep de grieven van BJAA te verwerpen.

In incidenteel hoger beroep verzoekt de moeder de bestreden beschikking te vernietigen en het inleidend verzoek van BJAA af te wijzen.

3.4.

De pleegouders verzoeken in incidenteel hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking, BJAA te machtigen [de minderjarige] uit huis te plaatsen conform het indicatiebesluit in een (crisis)pleeggezin voor de duur van de ondertoezichtstelling, althans voor een zodanig periode als het hof juist acht.

3.5.

BJAA heeft ter zitting in hoger beroep in het incidenteel hoger beroep van de moeder verzocht het door de moeder verzochte af te wijzen.

3.6.

[kind a] verzoekt het hoger beroep af te wijzen.

4 Beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep

4.1.

In het onder 1.8 genoemde verweerschrift heeft [kind a] verzocht haar aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:263 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW), nu zij deel uitmaakt van het gezin waarin [de minderjarige] is opgegroeid en veel zorgtaken voor haar heeft vervuld. Het hof heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling in hoger beroep [kind a] en haar raadsman gehoord en geoordeeld dat [kind a] binnen het gezin weliswaar zorgtaken heeft uitgevoerd als de zus van [de minderjarige] maar dat zij niet gelijk te stellen valt met ‘een ander die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, nu zij niet zelf een gezin heeft maar naast [de minderjarige] deel uitmaakt van het gezin van de moeder. Zij wordt dan ook niet ingevolge 1:263 lid 2 BW als belanghebbende aanmerkt in onderhavige procedure. Het onder 1.8 genoemde verweerschrift zal verder buiten beschouwing worden gelaten.

4.2.

Ter beoordeling aan het hof ligt de vraag voor of de gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] ten tijde van het geven van de bestreden beschikking aanwezig waren en of deze gronden thans nog aanwezig zijn.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:261 BW kan de kinderrechter machtiging verlenen tot uithuisplaatsing van een minderjarige, indien dit noodzakelijk is in het belang van diens opvoeding en verzorging of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

De grieven van BJAA in principaal hoger beroep en de grieven van de moeder en de pleegouders in incidenteel hoger beroep lenen zich, gelet op hun onderlinge samenhang, voor een gezamenlijke behandeling.

4.3.

BJAA stelt dat de kinderrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat, hoewel er in het verzoek tot verlenging verschillende zorgpunten worden aangevoerd, de concrete onderbouwing van de zorgen ontbreekt. BJAA stelt dat reeds sinds de aanvang van de ondertoezichtstelling sprake is van zorgpunten die zijn ontstaan doordat de moeder geen vaste verblijfplaats had, dat door twee huisbazen van de moeder zorgmeldingen zijn gedaan in verband met vermoedens van prostitutie, dat [de minderjarige] niet naar school ging, dat bij [de minderjarige] sprake was van een slecht gebit en dat dat zij niet had deelgenomen aan een vaccinatieprogramma. Na de uithuisplaatsing van [de minderjarige] liep het contact met de moeder volgens BJAA moeizaam en de moeder heeft [de minderjarige] op 24 juli 2013 meegenomen uit de speeltuin bij het pleeggezin waarna [de minderjarige] twee dagen vermist was. Dit voorval heeft grote impact heeft gehad op [de minderjarige] en zij is als gevolg hiervan gestart met gesprekken met een GZ-psycholoog. BJAA acht een terugplaatsing van [de minderjarige] niet verantwoord, zolang er niet eerst gezinsopname bij de Bascule plaats heeft gevonden. BJAA heeft daarentegen wel de beoordelingsboog van Spirit ingezet om zicht te krijgen op de opvoedvaardigheden van de ouders en in dit verband is ook de omgang met [de minderjarige] uitgebreid. Het is volgens BJAA niet realistisch te verwachten dat dit traject binnen drie maanden is afgerond zodat de uithuisplaatsing moet worden verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling.

4.4.

De moeder is van mening dat de kinderrechter terecht heeft overwogen dat BJAA de zorgpunten niet heeft onderbouwd. De moeder voert aan dat het verslag van de GZ-psycholoog niets zegt over de concrete omstandigheden op grond waarvan de moeder niet voor [de minderjarige] zou kunnen zorgen en de psycholoog, die haar behandelt, heeft nooit met de moeder gesproken. De moeder voert aan dat BJAA in de drie maanden geen enkel adequaat middel heeft ingezet om uitvoering te geven aan een daadwerkelijke terugplaatsing van [de minderjarige]. De bezoekregeling is volgens de moeder niet aangepast in een passend tempo en frequentie en is zelfs teruggebracht van twee uur per week naar twee uur per twee weken. BJAA baseert zich ten onrechte op uitlatingen van [de minderjarige] en is ernstig tekort geschoten in de begeleidende taak en in het uitvoeren van de bestreden beschikking, aldus de moeder. Nu volgens de moeder is gebleken dat de drie maanden door BJAA niet adequaat zijn gebruikt om toe te werken naar een terugplaatsing van [de minderjarige], is het niet in het belang van [de minderjarige] dat zij langer in het pleeggezin verblijft.

4.5.

De pleegouders voeren aan dat er inmiddels een mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft plaatsgevonden over de verdere verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige]. De kinderrechter heeft mondeling uitspraak gedaan en heeft de uithuisplaatsing verlengd tot het einde van de ondertoezichtstelling, dan wel tot een moment waarop dit hof hierover anders beslist. De kinderrechter heeft volgens de pleegouders overwogen dat er weliswaar moet worden toegewerkt naar een thuisplaatsing maar dat hier voorwaarden aan verbonden zijn. Volgens de pleegouders voldoet de moeder niet aan deze voorwaarden en is het gelet op de feiten en omstandigheden in onderhavig geval niet verantwoord om [de minderjarige] terug te plaatsen bij de moeder.

4.6.

De Raad heeft het hof ter zitting in hoger beroep geadviseerd om de bestreden beschikking te vernietigen en het inleidend verzoek van BJAA toe te wijzen. De Raad heeft in dit verband verklaard dat er zorgen zijn ten aanzien van de thuis- en opvoedsituatie bij de moeder en dat hier nog altijd geen zicht op is, dat er evenmin zicht is op de opvoedvaardigheden van de moeder, dat [de minderjarige] in het pleeggezin in een veilige omgeving zit en dat het niet verantwoord is om [de minderjarige] terug te plaatsen bij de moeder.

4.7.

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de kinderen naar aanleiding van zorgen ten aanzien van de thuis- en opvoedsituatie, alsmede de opvoedvaardigheden van de moeder, op 24 juli 2012 onder toezicht zijn gesteld en uit huis zijn geplaatst. De moeder en de kinderen verbleven steeds kort op wisselende adressen en twee van de verhuurders waar het gezin voor korte tijd heeft gewoond, hebben onafhankelijk van elkaar een zorgmelding gedaan bij BJAA in verband met zorgen over de veiligheid van de kinderen. Uit de stukken in het dossier komt voorts naar voren dat de moeder enige tijd met [kind b] en [kind a] in een chalet in […] heeft gewoond. Uit het proces-verbaal van bevindingen dat op 8 februari 2013 door de politie is opgemaakt, blijkt dat [kind b] op dat moment vermoedelijk reeds gedurende een aantal dagen alleen in het chalet verbleef, omdat de moeder op zakenreis was. In het chalet zijn onder meer twee lege wietzakjes, een restant van een joint en zes (half)volle flessen sterke drank aangetroffen. Gebleken is voorts dat het chalet kort daarna wegens een huurachterstand is ontruimd. Op 24 juli 2013 is [de minderjarige] door de moeder meegenomen uit de speeltuin in de buurt van het pleeggezin waar [de minderjarige] verblijft, waarna [de minderjarige] twee dagen vermist was. De moeder is in dit verband veroordeeld en zij heeft drie maanden, tot 4 oktober 2013, gedetineerd gezeten. Voornoemd incident heeft veel indruk gemaakt op [de minderjarige] als gevolg waarvan zij sindsdien gesprekken voert met een GZ-psycholoog. Uit de verslagen die in dit verband zijn overgelegd blijkt onder meer dat [de minderjarige] aanvankelijk terughoudend is geweest om over de moeder en [kind a] te praten, dat zij over het algemeen neutraal is over het contact met de moeder en dat zij aangeeft dat zij nog niet bij haar moeder wil wonen.

Uit de stukken in het dossier valt verder op te maken dat er door de hulpverlening is geprobeerd om een Signs of Safety traject op te starten maar dat dit niet van de grond is gekomen doordat de moeder hieraan geen medewerkwerking heeft verleend. Er is in dit kader dan ook geen veiligheidsplan opgesteld en er is geen inzicht verkregen in het sociale netwerk van de moeder en haar opvoedvaardigheden. De moeder heeft daarnaast geweigerd om mee te werken aan een klinische gezinsopname bij de Bascule. Om zicht te krijgen op de opvoedcapaciteiten van de moeder is door Spirit de beoordelingsboog ingezet. Uit het verslag dat als bijlage B door BJAA in hoger beroep is ingediend blijkt dat er gelet op de zorgen die hebben geleid tot de uithuisplaatsing en het minimale inzicht dat de hulpverlening sindsdien heeft verkregen weinig vertrouwen is in een succesvolle terugplaatsing, dat de moeder weinig gebruik heeft gemaakt van de middelen die haar zijn aangereikt, dat wordt getwijfeld aan de opvoedcapaciteiten van de moeder en de mate waarin de moeder in staat is om te handelen in het belang van [de minderjarige] en haar eigen belangen opzij te zetten en dat er weinig zicht is op het sociale netwerk van de moeder.

Omdat [de minderjarige] zorgelijke signalen liet zien nadat de omgangsregeling was uitgebreid, is de frequentie van de omgang teruggebracht en vindt er thans één keer in de twee weken gedurende twee uur begeleide omgang plaats. Aanvankelijk was het de bedoeling dat de omgang onbegeleid bij de moeder thuis zou plaatsvinden waarbij Pleegzorg aan het begin en aan het eind van de omgang aanwezig zou zijn. Pleegzorg heeft evenwel bij het eerste onbegeleide contactmoment geconstateerd dat de moeder [de minderjarige] belast met volwassenenproblematiek zodat is besloten dat de omgang begeleid plaatsvindt.

Ter zitting in hoger beroep is naar voren gekomen dat het thans goed gaat met [de minderjarige], dat zij haar achterstanden heeft ingehaald, dat zij zich zowel op cognitief als op sociaal gebied goed ontwikkelt en dat zij zich veilig voelt in het pleeggezin.

4.8.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat er sinds de uithuisplaatsing van [de minderjarige] weinig verandering en vooruitgang heeft plaatsgevonden. Er is nog altijd geen, althans onvoldoende, zicht op de thuis- en opvoedsituatie bij de moeder en de rol die [x] daarin speelt, alsmede op de opvoedvaardigheden van de moeder, terwijl de zorgen die er zijn niet zijn weggenomen. Het hof is van oordeel dat, gelet op deze zorgen, alvorens kan worden beoordeeld in hoeverre een thuisplaatsing van [de minderjarige] mogelijk is, eerst voldoende zicht moet worden verkregen op zowel de thuis- en opvoedsituatie bij de moeder en [x], als op de persoon van de moeder en haar opvoedcapaciteiten. Het is dan ook naar het oordeel van het hof in het belang van de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] noodzakelijk dat haar verblijf in het pleeggezin wordt gecontinueerd voor de duur van de ondertoezichtstelling. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en het inleidend verzoek van BJAA toewijzen.

4.9.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw rechtdoende:

wijst het inleidend verzoek van BJAA toe;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.M.A. Gerritzen - Gunst, M. Wigleven en P.J.W.M. Sliepenbeek in tegenwoordigheid van mr. S.E. Harenberg als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2014.