Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:2937

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-04-2014
Datum publicatie
24-10-2014
Zaaknummer
23-000008-14
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewijsverweren inzake poging tot overval filiaal van Etos.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-00008-14

datum uitspraak: 29 april 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 december 2013 in de strafzaak onder parketnummer 13-676308-12 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 april 2014, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:

hij op of omstreeks 15 maart 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen één of meer geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan de ETOS (perceel [straatnaam]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan dat misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, naar voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] is toegegaan waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben getoond en/of voorgehouden en/of (vervolgens) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] heeft/hebben gezet en/of (vervolgens) de navolgende woorden heeft/hebben geuit: "Maak de kluis open" en/of "Moet ik je anders voor je kop schieten", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of (vervolgens) voornoemde [slachtoffer 2] eenmaal of meermalen (met kracht) bij zijn nek heeft/hebben vastgepakt en/of vastgehouden en/of (vervolgens) tegen de grond heeft/hebben geduwd;

2:
hij op of omstreeks 01 mei 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, één of meer (vuur)wapen(s) van categorie III, te weten een alarm-/startpistool, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 15 maart 2011 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een geldbedrag, toebehorende aan de ETOS (perceel [straatnaam]), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, met zijn mededader naar voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is toegegaan waarna hij, verdachte en zijn mededader een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben getoond en voorgehouden en een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] hebben gezet en vervolgens de navolgende woorden hebben geuit: "Maak de kluis open" en "Moet ik je anders voor je kop schieten", en voornoemde [slachtoffer 2] meermalen tegen de grond hebben geduwd;

2:

hij op 1 mei 2012 te Amsterdam een wapen van categorie III, te weten een alarm-/startpistool, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bespreking van verweren en bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 15 april 2014 aangevoerd dat, gelijk in het vonnis van de rechtbank, de tapgesprekken alsmede de verklaringen van de familie van medeverdachte [medeverdachte] van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het verweer van de raadsman met betrekking tot de tapgesprekken kan onbesproken blijven, nu het hof de tapgesprekken niet voor het bewijs zal gebruiken.

Voorts is het hof ten aanzien van de verklaringen van de familie [achternaam medeverdachte] ([familielid medeverdachte], [familielid medeverdachte], [familielid medeverdachte], [familielid medeverdachte] en [familielid medeverdachte]), met de rechtbank van oordeel dat deze verklaringen niet voor het bewijs dienen te worden gebruikt op grond van onvoldoende betrouwbaarheid, nu slechts sprake is van verklaringen van ‘horen zeggen’, deze op onderdelen inconsistent zijn, de verklaringen zoals zijn afgelegd bij de rechter-commissaris op 21 augustus 2012 aanmerkelijk minder concreet en gedetailleerd zijn dan bij de politie en niet valt uit te sluiten dat de getuigen mogelijk een ander belang voor ogen hadden bij het afleggen van hun verklaringen dan het belang van de waarheidsvinding.

Het hof is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd en overweegt hieromtrent als volgt.

Met betrekking tot het onder 1 bewezen verklaarde

De verdachte is door twee afzonderlijke verbalisanten, blijkens hun processen-verbaal van bevindingen van 3 april 2012 (pp. 214 e.v. en 220 e.v. dossier) op grond van de camerabeelden in en buiten de Etos op het moment van de overval, voor 100% herkend als [verdachte]. Het hof is op grond van bovenstaande van oordeel dat er wettig en overtuigend bewijs is voor het daderschap van de verdachte van het hem onder 1 ten laste gelegde feit.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen en maatregelen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het hem onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een jeugddetentie van 222 dagen, waarvan 200 dagen voorwaardelijk, proeftijd 1 jaar, met als bijzondere voorwaarde Reclasseringstoezicht, en voorts tot een werkstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen jeugddetentie. Voorts heeft de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven. Voorts heeft de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in zijn geheel toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis van de rechtbank zal worden bevestigd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig strafbaar feit door samen met zijn mededader een poging te doen een filiaal van de Etos te overvallen. Hierbij hebben de verdachte en zijn mededader fysiek geweld gebruikt en gebruik gemaakt van een (nep)vuurwapen, waarbij de medewerkers zijn bedreigd. Eén van de medewerkers heeft het wapen tegen het hoofd gericht gekregen, waarop zij is gedwongen de kluis te openen. Weliswaar hebben de verdachte en zijn mededader zonder buit het pand verlaten, echter voor de bij het voorval betrokken slachtoffers heeft dit incident diepe impact gehad. Er is bij hen sprake van forse immateriële schade, waaronder angst, hetgeen ook blijkt uit de vorderingen benadeelde partij die onderdeel zijn van het dossier.

Voorts heeft de verdachte een alarmpistool voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van dit soort wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich. Feiten als de bewezen verklaarde veroorzaken bovendien gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Ook dat rekent het hof de verdachte zeer aan.

Het hof heeft voorts ten nadele van de verdachte gelet op een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 7 april 2014, waaruit blijkt dat hij eerder ter zake van het plegen van soortgelijke (gewelds)delicten onherroepelijk is veroordeeld.

Het hof zal in de strafoplegging in het voordeel van de verdachte rekening houden met zijn persoonlijke omstandigheden, zoals ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht, te weten dat het thans goed met hem gaat, dat hij een studie volgt en samen met zijn vriendin een eigen woning heeft. Gelet op deze positieve verandering in het leven van de verdachte ziet het hof geen aanleiding als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk op te leggen strafdeel verplicht reclasseringscontact op te leggen.

In het voorgaande, mede gelet op de werking van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, en tevens gelet op een overschrijding van de redelijke termijn tussen de aanhouding van de verdachte en het vonnis in eerste aanleg, ziet het hof aanleiding de door de rechtbank opgelegde straf te matigen in die zin, dat de werkstraf geheel voorwaardelijk zal worden opgelegd.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke jeugddetentie, en een voorwaardelijke werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.400,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.685,48. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 (tachtig) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat de werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 222 (tweehonderdtweeëntwintig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 200 (tweehonderd) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.400,00 (duizend vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 14 (veertien) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.685,48 (duizend zeshonderdvijfentachtig euro en achtenveertig cent) bestaande uit € 15,48 (vijftien euro en achtenveertig cent) materiële schade en € 1.670,00 (duizend zeshonderdzeventig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], een bedrag te betalen van € 842,74 (achthonderdtweeënveertig euro en vierenzeventig cent) bestaande uit € 7,74 (zeven euro en vierenzeventig cent) materiële schade en € 835,00 (achthonderdvijfendertig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 (zestien) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D. Radder, mr. M.J.G.B. Heutink en mr. M.E.A. Wildenburg, in tegenwoordigheid van mr. E.C. van der Drift, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 april 2014.

Mr. Wildenburg is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.