Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:2911

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
09-01-2015
Zaaknummer
200.134.403-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:3398, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervoerovereenkomst. Heeft (onder)vervoerder na vervoer het fust ((kooi)karren, platen en dozen) waarin de producten werden vervoerd) weer ingeleverd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2015/125

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I AOF

zaaknummer : 200.134.403/01

zaak-/rolnummer rechtbank Haarlem : 555133/CV EXPL 12-5458

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 juli 2014

inzake

[appellant] ,

h.o.d.n. [X] Transport,

gevestigd en wonend te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. G.P. Wempe te Drachten,

tegen:

TRANSPORTBEDRIJF [Y] EN ZONEN B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats], gemeente [gemeente],

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.W. Hilhorst te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [Y] genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 16 september 2013 in hoger beroep gekomen van vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Haarlem (hierna: de kantonrechter), van 21 november 2012 en 17 juli 2013, gewezen tussen [Y] als eiseres en [appellant] als gedaagde. De dagvaarding bevat de grieven.

[Y] heeft vervolgens een memorie van antwoord ingediend.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en de vorderingen van [Y] alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [Y] in de kosten van beide instanties en tot terugbetaling van de reeds door [appellant] voldane proceskosten in eerste instantie.

[Y] heeft geconcludeerd (het hof begrijpt:) tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen en veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis van 21 november 2012 een aantal feiten (a tot en met k) vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1.

Het gaat in dit geding om de vraag of [appellant], nadat hij - op grond van een (onder)overeenkomst van goederenvervoer met [Y] - op 20 juli 2010 bloem- en plantproducten voor Holland Indoor Plants B.V. naar Flowerworld Limited in het Verenigd Koninkrijk had vervoerd en het fust ((kooi)karren, platen en dozen) waarin de producten werden vervoerd had omgeruild en mee terug had genomen, dit fust weer heeft afgeleverd bij Holland Indoor Plants B.V. Op grond van de overeenkomst met [Y] was [appellant] hiertoe verplicht. [Y] stelt zich op het standpunt dat [appellant] dit niet heeft gedaan en zij heeft [appellant] in verband daarmee bij factuur van 19 november 2010 een bedrag ad € 6.019,- exclusief btw als schade in rekening gebracht, nadat zij zelf voor dit bedrag door Holland Indoor Plants B.V. was gefactureerd. [appellant] heeft de factuur niet betaald. [Y] vordert in deze procedure veroordeling van [appellant] tot betaling van een bedrag van € 9.020,71, welk bedrag is opgebouwd uit € 7.162,61 (€ 6.019,- vermeerderd met 19% btw) in hoofdsom, € 783,71 wettelijke handelsrente tot 30 maart 2012 en € 1.074,39 incassokosten.

3.2.

In het tussenvonnis van 21 november 2012 heeft de kantonrechter het betoog van [Y] aangemerkt als een beroep op niet nakoming door [appellant] van een van zijn verplichtingen uit de vervoerovereenkomst en tot uitgangspunt genomen dat op [Y] de last rust te bewijzen dat [appellant] het fust niet heeft afgeleverd bij Holland Indoor Plants B.V. De kantonrechter heeft dit bewijs op grond van het partijdebat en de overgelegde stukken echter voorshands bewezen geacht en heeft [appellant] in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren. Na getuigenverhoren heeft de kantonrechter in het eindvonnis van 17 juli 2013 [appellant] niet geslaagd geacht in het tegenbewijs en heeft hij de vordering van [Y] toegewezen tot een bedrag van € 6.019,- in hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 december 2010 en incassokosten ad € 833,-, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten ten bedrage van € 530,17 aan verschotten en € 1.000,- voor salaris gemachtigde. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met drie grieven op.

3.3.

Met zijn eerste grief komt [appellant] op tegen het door de kantonrechter in het tussenvonnis gegeven voorshands bewijsoordeel. Deze grief slaagt. Het hof acht hiervoor onvoldoende grond aanwezig.

3.4.

Het hof stelt voorop dat het CMR of de wet niet een bepaald document voorschrijft dat bij aflevering van de fust had moeten zijn gebruikt. Van een wettelijk bewijsvermoeden bij het ontbreken van een document is geen sprake. De omstandigheid dat een afgetekend document – fustbon of vrachtbrief – ontbreekt, zegt naar het oordeel van het hof in dit geval onvoldoende. De bepaling van art. 8:1127 BW – waarin de ontvanger wordt verplicht terstond na aflevering van de zaken een ontvangstbewijs daarvan af te geven – acht het hof hier een onvoldoende argument. Het ontbreken van een ontvangstbewijs kan er evenzeer op duiden dat [Y] dit in het onderhavige geval niet heeft verstrekt. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het hier niet ging om de te vervoeren zaken zelf maar om fust en dat partijen van mening verschillen over de gebruikelijke gang van zaken bij aflevering van fust. Voor zover gebruik wordt gemaakt van fustbonnen, heeft [appellant] aangetoond dat een fustbon geen voor een ondervervoerder bestemd doordrukvel bevat. Dat standaard een kopie wordt verstrekt, betwist [appellant] gemotiveerd. Terzijde merkt het hof nog op dat niet kan worden vastgesteld dat [Y] [appellant] eerder dan door middel van de schadefactuur van 19 november 2010 op het ontbrekende fust heeft aangesproken. [Y] heeft het in eerste aanleg over mondelinge contacten gehad, maar niet nader gepreciseerd op welke tijdstippen na 20 juli 2010 en met wie deze contacten zouden hebben plaatsgevonden. Ook deze omstandigheid, waardoor de bewijspositie van [appellant] is verzwaard, staat in de weg aan het aannemen van een bewijsvermoeden.

3.5.

Als gevolg van het slagen van de eerste grief van [appellant], dient het hof thans te bezien of het bewijs op basis van het thans voorhanden zijnde materiaal geleverd is. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. Daarbij merkt het hof nog op dat het op grond van de stellingen van partijen en de vaststaande feiten geen aanleiding ziet anders te oordelen over de bewijslastverdeling dan de kantonrechter heeft gedaan.

3.6.

De vrachtbrieven (waarop staat aangetekend dat het fust retour is genomen) en de uitdraaien uit de fustadministratie van Holland Indoor Plants B.V. (waarin het hier aan de orde zijnde fust ontbreekt) zeggen onvoldoende over de vraag of het fust al dan niet bij Holland Indoor Plants B.V. is afgeleverd. In eerste aanleg heeft [Y] [A] als getuige doen horen, die in 2010 als transportmanager in dienst was bij [Y]. [A] heeft verklaard dat voor het vervoer van fust werd gewerkt met fustbonnen of met een ‘cmr’, een uit vier delen bestaand internationaal vervoersbewijs. [A] was op 21 juli 2010 een week met vakantie en zijn vervanger was op dat moment niet aanwezig. Het was de plicht van [Y] om dan voor een andere vervanger te zorgen, maar hij weet niet wie dat is geweest. Volgens de verklaring van [A] heeft hij naderhand begrepen dat de betreffende vracht fust zou zijn afgeleverd met een cmr. Dit zou betekenen dat een kopie van het groene deel in de administratie van Holland Indoor Plants B.V. te vinden zou moeten zijn, maar deze kon hij niet vinden. Hij is ook bij de administratie gaan navragen, maar men wist er niets van. Ook op de werkvloer heeft hij gevraagd of deze vracht gelost was, maar niemand kon dat bevestigen, aldus [A] in zijn verklaring. Nu [A] op het moment dat het fust volgens [appellant] is afgeleverd niet zelf aanwezig is geweest en verder geen informatie kan verstrekken over de gang van zaken op de desbetreffende dag, levert zijn verklaring – in aanmerking genomen dat overigens relevante bewijsmiddelen ontbreken - onvoldoende bewijs op. [Y] heeft in hoger beroep nog een bewijsaanbod gedaan, maar dit verder niet gespecificeerd zodat het hof hieraan voorbij gaat.

3.7.

Slotsom is dat grief 1 gegrond is en dat de overige grieven geen afzonderlijke bespreking behoeven. De gegrondheid van grief 1 leidt ertoe dat de vonnissen waarvan beroep zullen worden vernietigd en de vorderingen van [Y] alsnog zullen worden afgewezen. [Y] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in beide instanties en – zoals gevorderd - worden veroordeeld tot terugbetaling van de door [appellant] voldane proceskosten in eerste aanleg.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt de vonnissen waarvan beroep en, opnieuw rechtdoend,

wijst de vorderingen van [Y] af;

veroordeelt [Y] in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] begroot op € 12,- aan verschotten en € 1.000,- voor salaris en in hoger beroep tot op heden op € 391,82 aan verschotten en € 632,- voor salaris;

veroordeelt [Y] tot terugbetaling aan [appellant] van de proceskosten in eerste aanleg.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.M. Tillema, G.B.C.M. van der Reep en J.W.M. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2014 door de rolraadsheer.