Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:2822

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-06-2014
Datum publicatie
08-09-2014
Zaaknummer
200.133.448/01 en 200.133.450/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinder- en partneralimentatie, huidig hoger inkomen bepalend voor behoefte kinderen, geen verlegging peildatum verdeling huwelijksgoederengemeenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 17 juni 2014

Zaaknummers: 200.133.448/ 01 en 200.133.450/ 01

Zaaknummers eerste aanleg: C/13/510843 / FA RK 12-1397 en C/13/534416 / FA RK 13‑418

Beschikking van de meervoudige familiekamer

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. C.M. Achekar te Amsterdam,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M.I.T. Manderfeld te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 11 september 2013 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 12 juni 2013 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/510843 / FA RK 12-1397 en C/13/534416 / FA RK 13‑418.

1.3.

De man heeft op 14 november 2013 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4.

De vrouw heeft op 8 januari 2014 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep van de man ingediend.

1.5.

De man heeft op 24 februari 2014 de stukken uit de eerste aanleg ingediend.

1.6.

De zaken zijn op 3 maart 2014 tegelijkertijd ter terechtzitting behandeld.

1.7.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- mevrouw G.M. Achterkamp, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam en Gooi- en Vecht, locatie Amsterdam.

1.8.

Zoals afgesproken bij de behandeling ter zitting hebben beide partijen nog stukken aan het hof toegezonden. Partijen hebben daarvan over en weer afschriften ontvangen.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen [in] 2008 gehuwd. Hun huwelijk is op 11 november 2013 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 12 juni 2013 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren […] (hierna: [kind a]) [in] 2006 en […] (hierna: [kind b]) [in] 2009 (hierna ook gezamenlijk: de kinderen).

2.2.

Bij de beschikking waarvan beroep, voor zover hier niet bestreden, is de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) aldus bepaald dat de kinderen een weekend per twee weken van vrijdagmiddag tot zondagmiddag alsmede iedere week op woensdag bij de man zullen zijn.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.3.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1973. Hij is alleenstaand.

Hij is sinds 1 januari 2012 werkzaam in loondienst bij [bedrijf 2]. In 2011 was hij tot 1 mei werkzaam in loondienst bij [bedrijf 1], waarna hij met ingang van 1 mei een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (hierna: WW‑uitkering) heeft ontvangen.

Zijn salaris bedroeg blijkens de salarisspecificaties over januari en februari 2014 € 3.706,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en reservering extra maand. Blijkens de jaaropgave over 2013 bedroeg zijn fiscaal loon in dat jaar € 53.161,-. Blijkens de jaaropgave over 2011 van [bedrijf 1] bedroeg zijn fiscaal loon over de periode januari tot en met april € 66.314,-. Blijkens de jaaropgave over 2011 van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) bedroeg zijn fiscaal loon over de periode van mei tot en met december 2011 € 22.365,-.

Met ingang van 22 oktober 2013 huurt hij een woning aan [adres a]. De voormalige echtelijke woning aan [adres b] is omstreeks 22 oktober 2013 verkocht en op 13 december 2013 geleverd.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalde hij in 2013 € 139,- per maand.

2.4.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1970. Zij vormt met de kinderen van partijen een eenoudergezin.

Zij is parttime gedurende twee dagen per week werkzaam in loondienst bij [B.V.] Blijkens de jaaropgaven over 2011 en over 2013 bedroeg haar fiscaal loon in die jaren respectievelijk € 11.121,- en € 11.398,-. Haar salaris bedroeg blijkens de salarisspecificaties over periode 2014/1 en periode 2014/2 respectievelijk € 804,- en € 995,- bruto per vier weken, exclusief vakantietoeslag.

De vrouw ontvangt thans aan kindgebonden budget een bedrag van € 129,- per maand.

3 Het geschil in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, bepaald dat de schoolvakanties en feestdagen in onderling overleg tussen partijen worden verdeeld en dat de man aan de vrouw € 187,50 per kind per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, met ingang van 12 juni 2013, alsmede € 151,- per maand als uitkering tot haar levensonderhoud, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Voorts is de wijze van verdeling van de banksaldi van de ING‑rekeningnummers [1], [2] en [3] aldus gelast dat de saldi op 20 februari 2012 tussen partijen bij helfte worden verdeeld.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van ieder der partijen, voor zover thans van belang, een zorgregeling te bepalen. Voorts is deze beschikking gegeven op het (zelfstandig) verzoek van de vrouw, voor zover thans van belang, te bepalen dat de man aan haar € 250,- per kind per maand zal voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift van de man, en € 300,- per maand als uitkering tot haar levensonderhoud, alsmede te bepalen dat de peildatum voor de verdeling van de banksaldi zal worden gesteld op 17 juli 2011 en dat per die datum de banksaldi van bankrekeningnummer [2] bij helfte tussen partijen zal worden verdeeld.

3.2.

De vrouw verzoekt, naar het hof begrijpt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, een zodanig – naar het hof begrijpt – hoger bedrag dan het door de rechtbank bepaalde bedrag aan kinderalimentatie vast te stellen als het hof juist zal achten, dan wel te bepalen dat de man de overeengekomen maandelijkse bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal voldoen van € 250,- per kind per maand (inclusief zorgkorting). Voorts verzoekt zij te bepalen dat de peildatum voor de verdeling van de banksaldi zal worden vastgesteld op 17 juli 2011, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist zal achten.

3.3.

De man verzoekt in principaal hoger beroep, naar het hof begrijpt, het door de vrouw verzochte af te wijzen. In incidenteel appel verzoekt hij, met handhaving dan wel vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:

- primair: te bepalen dat de behoefte van de kinderen € 250,- per kind per maand is en dat hij € 187,50 per kind per maand zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, indien en voor zover de partneralimentatie op nihil wordt gesteld;

- subsidiair: te bepalen dat de behoefte van de kinderen € 250,- per kind per maand is en dat de man per datum of met ingang van het indienen van het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel € 92,- per kind per maand zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, indien en voor zover de bij de bestreden beschikking vastgestelde partneralimentatie ongewijzigd blijft, dan wel een zodanig bedrag als het hof juist zal achten;

- te bepalen dat de partneralimentatie met ingang van – zoals gewijzigd ter zitting in hoger beroep – de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking op nihil wordt gesteld; en

- als aanvulling op de bij de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling te bepalen dat de man in de oneven jaren de eerste keuze zal hebben wat betreft de verdeling van de vakanties en de feestdagen en de vrouw in de even jaren.

3.4.

De vrouw verzoekt in incidenteel hoger beroep het verzoek van de man om de kinderalimentatie naar beneden bij te stellen en de partneralimentatie op nihil te stellen af te wijzen.

4 Beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep

4.1.

Nu de vrouw ter zitting in hoger beroep ermee heeft ingestemd in een beschikking vast te leggen, zoals door de man is verzocht, dat hij in de oneven jaren de eerste keuze zal hebben wat betreft de verdeling van de vakanties en de feestdagen en de vrouw in de even jaren, en nu het hof dit niet strijdig met het belang van de kinderen voorkomt, zal dienovereenkomstig worden beslist.

4.2.

Partijen zijn verdeeld over de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de man alsmede over de peildatum voor de verdeling van de banksaldi. De grieven van de vrouw in principaal hoger beroep en die van de man in incidenteel hoger beroep lenen zich, gezien hun onderlinge samenhang, voor een gezamenlijke bespreking.

Kinderalimentatie

4.3.

De vrouw betoogt dat ten onrechte is bepaald dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van € 187,50 per kind per maand dient te voldoen. Zij stelt dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de hoogte van de behoefte van de kinderen en betwist dat partijen het erover eens waren dat de behoefte op € 250,- per kind per maand kon worden gesteld. De behoefte van de kinderen dient dan ook alsnog te worden berekend, aldus de vrouw. Zij stelt dat partijen gedurende hun huwelijk beschikten over een bruto gezinsinkomen van gemiddeld € 3.000,- per maand en dat de man voordat hij een WW‑uitkering ontving, een veel hoger inkomen genoot. Volgens de vrouw dient echter te worden uitgegaan van het huidige hogere inkomen van de man van gemiddeld € 3.500,- bruto per maand en aldus van een gezinsinkomen van gemiddeld € 4.200,- bruto per maand, omdat deze verhoging van het inkomen van de man bij voortduring van het huwelijk een positieve invloed zou hebben gehad op het bedrag dat ten behoeve van de kinderen zou zijn uitgegeven.

De man heeft deze stellingen betwist. Volgens de man bedraagt de behoefte van de kinderen € 250,- per kind per maand en waren partijen het daarover eens. Hij stelt voorts dat bij de bepaling van de behoefte van de kinderen dient te worden uitgegaan van het gezamenlijke netto inkomen van partijen tijdens de samenleving. In dit verband stelt hij dat hij tijdens de samenleving van partijen steeds een laag inkomen heeft gehad, dat hij slechts gedurende korte tijd een hoger salaris heeft genoten en dat hij ten tijde van het uiteengaan van partijen een WW‑uitkering ontving.

4.4.

De ingangsdatum van de bij de bestreden beschikking bepaalde onderhoudsbijdragen ten behoeve van de kinderen (12 juni 2013) wordt niet betwist en staat derhalve vast. Voorts staat vast dat de op 1 april 2013 in werking getreden richtlijnen van de Werkgroep Alimentatienormen voor de berekening van kinderalimentatie van toepassing zijn. De aanbevelingen die per die datum in werking zijn getreden, zullen worden toegepast bij wijzigingen die zich na 1 april 2013 voordoen dan wel bij bijdragen die nadien voor het eerst worden vastgesteld.

Het hof zal de behoefte van de kinderen alsnog bepalen en daarbij overeenkomstig voormelde richtlijnen uitgaan van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van de samenleving vermeerderd met het kindgebonden budget waarop ten tijde van de samenleving aanspraak werd gemaakt en op basis daarvan de behoefte ingevolge de NIBUD-tabellen vaststellen. Vervolgens wordt op dat bedrag in mindering gebracht het kindgebonden budget waarop de vrouw thans recht heeft.

Het hof stelt voorop dat het netto gezinsinkomen van de ouders ten tijde van de samenleving of het huwelijk, waarop ook de NIBUD‑tabellen zijn gebaseerd, het uitgangspunt vormt bij het bepalen van de behoefte van een minderjarige. In aanmerking genomen dat partijen in juli 2011 uiteen zijn gegaan, dient in beginsel het netto besteedbaar gezinsinkomen voorafgaand aan de beëindiging van de samenleving tot uitgangspunt te worden genomen bij de bepaling van de behoefte van de kinderen. Wanneer het netto inkomen van één van de ouders na de (echt)scheiding het voormalige netto besteedbaar gezinsinkomen overschrijdt, is dat hogere inkomen van die ouder de maatstaf voor de bepaling van de kosten van de kinderen, nu die verhoging, indien het huwelijk of de samenleving zou hebben voortgeduurd, ook een positieve invloed zou hebben gehad op het bedrag dat ten behoeve van de kinderen zou zijn uitgegeven.

Voor zover de man stelt dat moet worden uitgegaan van zijn lage inkomen uit WW‑uitkeringen, gaat het hof aan die stelling voorbij. Bepalend is immers hetgeen voorafgaand aan de beëindiging van de samenleving van partijen normaliter aan de kinderen werd uitgegeven. Aan de man is eerst met ingang van 1 mei 2011, kort vóór het uiteengaan van partijen, een WW‑uitkering toegekend. Anders dan van de man mag worden gevergd, heeft hij tegenover voormelde stellingen van de vrouw onvoldoende onderbouwd dat hij tijdens de samenleving van partijen steeds een laag inkomen heeft gehad en dat hij slechts gedurende korte tijd een hoger salaris heeft genoten. De man heeft niet inzichtelijk gemaakt welk inkomen hij vóór zijn dienstverband bij [bedrijf 1] heeft genoten. Gelet op het voorgaande heeft de man de stelling van de vrouw dat het bruto gezinsinkomen tijdens het huwelijk van partijen gemiddeld € 3.000,- per maand beliep, onvoldoende gemotiveerd weersproken.

Blijkens de door de man in het geding gebrachte jaaropgave over 2013 en salarisspecificaties over de maanden januari en februari 2014 overschrijdt zijn huidige bruto inkomen voormeld bruto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk van partijen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof dat hogere inkomen van de man tot uitgangspunt nemen voor de bepaling van de behoefte van de kinderen. Anders dan de vrouw betoogt, dient haar inkomen overeenkomstig de geldende richtlijnen buiten beschouwing te blijven. Gelet op de ingangsdatum van de alimentatieverplichting ten behoeve van de kinderen zal het hof voor de bepaling van het netto inkomen van de man uitgaan van het fiscaal loon vermeld in de jaaropgave over 2013, zoals hiervoor onder 2.3 weergegeven. Het netto besteedbaar inkomen van de man bedroeg in 2013 € 2.918,- per maand.

Vaststaat dat partijen ten tijde van hun samenleving geen recht hadden op kindgebonden budget. Gelet op de voor 2013 geldende Tabel ‘eigen aandeel kosten van kinderen’ bedraagt de bij voormeld netto besteedbaar inkomen behorende behoefte van de kinderen € 654,- per maand. Hierop dient het kindgebonden budget dat de vrouw thans ontvangt, zoals hiervoor onder 2.4 vermeld, in mindering te worden gebracht, zodat een behoefte resteert van € 525,- per maand.

4.5.

Het hof zal de draagkracht van de man ten behoeve van de kinderen volgens de nieuwe richtlijnen vaststellen, nu de ingangsdatum van de te betalen bijdrage ligt na 1 april 2013. Het hof zal daarbij voormeld netto besteedbaar inkomen van de man van € 2.918,- per maand tot uitgangspunt nemen, welk inkomen is vastgesteld door de som te nemen van het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn.

De draagkracht zal worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 850,-)], nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.500,- per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de man op het besteedbaar inkomen 30% in mindering zal worden gebracht in verband met forfaitaire woonlasten, dat rekening zal worden gehouden met een bedrag van € 850,- aan overige lasten en dat zal worden uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70. Dit leidt tot een beschikbare draagkracht van de man, inclusief fiscaal voordeel, van € 835,- + € 91,- = € 926,- per maand.

4.6.

De man heeft ter zitting in hoger beroep betoogd dat, voor zover de partneralimentatie niet op nihil wordt gesteld, hij maximaal € 92,- per kind per maand ten behoeve van de kinderen kan bijdragen, rekening houdende met € 125,- per maand aan herinrichtingskosten en € 114,- per maand aan advocaatkosten. Hij stelt dat hij hiervoor een lening is aangegaan bij zijn moeder, waarop hij maandelijks € 50,- aflost.

Volgens de hiervoor vermelde nieuwe richtlijnen voor de berekening van kinderalimentatie (paragraaf 7.2) kunnen extra lasten die niet verwijtbaar zijn en waarvan de onderhoudsplichtige zich niet kan bevrijden of waarvoor de onderhoudsplichtige geen regeling kan treffen (anders dan via een periodieke aflossing), in aanmerking worden genomen door het draagkrachtloos inkomen te verhogen.

Blijkens een door de man in het geding gebrachte geldleenovereenkomst, opgemaakt op 24 januari 2014, heeft hij van mevrouw [x] op 28 mei 2012 een bedrag van € 1.000,- geleend en op 26 november 2013 € 5.000,- en is overeengekomen dat hij maandelijks € 50,- zal aflossen. Mede gezien de door de man overgelegde bankafschriften waarop de bijbehorende mutaties worden vermeld, acht het hof die lening voldoende aangetoond. Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij die lening is aangegaan ten behoeve van zijn advocaatkosten en herinrichtingskosten heeft de man betalingsbewijzen in het geding gebracht. De vrouw heeft voormelde schulden en de door de man gestelde aflossing niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Evenmin heeft de vrouw de noodzaak tot het aangaan van voormelde schulden voldoende betwist. Het hof zal, anders dan de man, slechts rekening houden met het bedrag dat hij maandelijks aflost op die schulden, nu de man zich van die last niet kan bevrijden of die last kan vermijden. Het hof acht voorts voldoende aannemelijk geworden dat deze extra last niet verwijtbaar is.

Gelet op het vorenstaande zal het hof het draagkrachtloos inkomen van de man met deze last verhogen. Aan de hand van de hiervoor vermelde formule bedraagt de draagkracht van de man aldus € 800,- per maand.

4.7.

De man betoogt dat de behoefte naar rato tussen partijen dient te worden verdeeld en gaat in zijn in hoger beroep in het geding gebrachte draagkrachtberekening uit van een draagkracht aan de zijde van de vrouw van € 50,- per maand. Het hof zal de draagkracht van de vrouw eveneens vaststellen volgens de nieuwe richtlijnen en daarbij haar netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt nemen, welk inkomen wordt vastgesteld door de som te nemen van het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn. Gelet op de ingangsdatum van de alimentatieverplichting zal het hof uitgaan van het hiervoor onder 2.4 vermelde bruto inkomen van de vrouw in 2013. Het hof stelt vast dat het corresponderende netto besteedbaar inkomen van de vrouw onder de bijstandsnorm voor een alleenstaande komt, zodat het hof met de rechtbank van oordeel is dat de vrouw niet geacht kan worden bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

4.8.

Partijen zijn verdeeld over de toe te passen zorgkorting. De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte rekening heeft gehouden met een zorgkorting van € 62,50 per kind per maand. Zij voert hiertoe aan dat de rechtbank slechts met één (extra) dag per week rekening had moeten houden. De man stelt dat de volledige zorgkorting dient te worden toegepast.

De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg.

Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat de kinderen naast de hiervoor onder 2.2 vermelde zorgregeling, gedurende twee weken in de zomervakantie alsmede de helft van de kerstvakantie bij de man verblijven. De man heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist dat de kinderen in de voorjaars- en herfstvakantie niet bij hem verblijven. Op grond van het vorenstaande is omgerekend sprake van een zorgregeling van gemiddeld (afgerond) twee dagen per week, zodat het hof het redelijk acht om, evenals de rechtbank, een percentage van 25% in aanmerking te nemen. De frequentie van de zorg tijdens de vakanties acht het hof, bezien over het gehele jaar, niet dusdanig dat van de volledige zorgkorting dient te worden uitgegaan. De stelling van de vrouw dat ten tijde van het overeenkomen van een voorlopige onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen, de kinderen al één dag per week bij de man verbleven, maakt het voorgaande niet anders, nu die voorlopige onderhoudsbijdrage thans niet aan de orde is.

Het bedrag van de zorgkorting wordt volledig in mindering gebracht op het aandeel van de man in de behoefte van de kinderen, omdat de man voldoende draagkracht heeft om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen bedraagt derhalve in totaal € 394,- per maand.

Partneralimentatie

4.9.

De man stelt dat de vrouw geen behoefte heeft aan een (aanvullende) uitkering tot haar levensonderhoud. Hij voert in dat verband aan dat de vrouw haar uren kan uitbreiden en haar volledige verdiencapaciteit dient aan te wenden om in haar levensonderhoud te voorzien. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij stelt dat zij bij haar huidige werkgever niet structureel meer uren kan werken, maar dat zij slechts af en toe kan worden ingeroosterd voor een extra dienst. Voorts stelt zij dat haar sollicitatiepogingen zonder resultaat zijn gebleven.

In aanmerking genomen de leeftijd van de vrouw, haar opleiding en haar werkervaring, alsmede gezien de omstandigheid dat zij de dagelijkse zorg heeft voor de nog jonge kinderen van partijen, acht het hof voldoende aannemelijk geworden dat de vrouw haar verdiencapaciteit thans niet kan uitbreiden. De vrouw kan dan ook in redelijkheid niet in staat kan worden geacht volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien, zodat zij ten minste behoefte heeft aan de door de rechtbank vastgestelde uitkering tot haar levensonderhoud.

4.10.

Bij de bepaling van de draagkracht van de man ten behoeve van de vrouw zal worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder 2.3 weergegeven, tenzij daarvan in het navolgende wordt afgeweken.

De man heeft in de door hem in het geding gebrachte berekening van zijn draagkracht ten behoeve van de vrouw een huurlast van € 980,- per maand opgevoerd. De vrouw heeft deze huurlast betwist. Zij stelt dat deze onredelijk hoog is en dat er ook woningen in Amsterdam beschikbaar zijn tegen een lagere huur.

Voormelde huurlast acht het hof niet onaannemelijk in de vrije huursector in [plaatsnaam]. De vrouw heeft niet betwist dat de man genoodzaakt is te huren in de vrije huursector. Evenmin heeft zij betwist dat de man thans een vergelijkbare woning huurt als zijzelf, waarbij de kinderen ieder een eigen kamer hebben. Bovendien is gebleken dat beide partijen thans een woning op […] huren, de vertrouwde buurt van de kinderen, en bij elkaar in de buurt wonen. Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van het hof geen sprake van een onredelijke huurlast.

4.11.

Het door de man opgevoerde eigen risico van € 350,- per jaar is door de vrouw niet betwist, zodat daarmee bij de bepaling van de draagkracht van de man rekening zal worden gehouden.

4.12.

De man heeft in het kader van zijn draagkracht ten behoeve van de vrouw eveneens de hiervoor vermelde lening bij zijn moeder van in totaal € 6.000,- opgevoerd. Uitgangspunt is dat alle schulden van een onderhoudsplichtige van invloed zijn op zijn draagkracht, onverschillig of zij zijn ontstaan voor of na het tijdstip waarop de onderhoudsplicht is komen vast te staan. Wel kan er reden zijn aan bepaalde schulden voor die draagkracht geen of minder gewicht toe te kennen, bijvoorbeeld indien die schulden na het vaststellen van de onderhoudsplicht onnodig zijn aangegaan, of indien de tot onderhoud verplichte de mogelijkheid heeft zich van de schuld waar het om gaat, te bevrijden of voor de voldoening daarvan een regeling te treffen.

In aanmerking genomen hetgeen hiervoor onder 4.6 is overwogen, zal het hof bij de bepaling van de draagkracht ten behoeve van de vrouw eveneens rekening houden met een aflossing van € 50,- per maand.

4.13.

Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, alsmede gelet op de omvang van de rechtsstrijd tussen partijen, is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 197,- per kind per maand met ingang van 12 juni 2013 en een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van € 151,- per maand met ingang van 11 november 2013 in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

Verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap

4.14.

De vrouw betoogt dat de rechtbank haar verzoek tot verlegging van de peildatum naar 17 juli 2011 wat de verdeling van de banksaldi betreft, ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen. De redelijkheid en billijkheid brengen volgens de vrouw mee dat met betrekking tot de banksaldi dient te worden afgeweken van de hoofdregel, zodat als peildatum de datum van feitelijk uiteengaan dient te gelden. Zij voert in dit verband aan dat zij vanaf 17 juli 2011 het zicht op het verloop van de ING-rekening [2] met bijbehorende spaarrekening is kwijtgeraakt. Zij stelt dat na het uiteengaan van partijen de opbrengst uit de verkoop van de boot van € 42.000,- op voormelde rekening is gestort en dat de man dit bedrag aan de gemeenschap heeft onttrokken.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd en gesteld dat de door de rechtbank gehanteerde peildatum van 20 februari 2012 redelijk is. Hij betwist niet dat de opbrengst uit de verkoop van de boot op zijn rekening met nummer [2] is gestort, maar stelt dat hiervan gezamenlijke schulden zijn afgelost en de dagelijkse lasten van partijen, waaronder de lasten van de voormalig echtelijke woning, zijn betaald. Hij stelt in dit verband dat de lening van partijen bij zijn moeder ten bedrage van € 15.000,-, inclusief rente, is afgelost, welke lening was aangegaan ten behoeve van de financiering van de boot, het huwelijk van partijen, het schanierhek en de trap. Daarnaast is de lening van partijen bij de moeder en stiefvader van de vrouw ten bedrage van € 4.500,- afgelost, welke lening was aangegaan voor de financiering ten behoeve van het huwelijk van partijen, het schanierhek en de trap. Voorts is de lening van partijen bij de ING bank afgelost en zijn van zijn rekening aanzienlijke bedragen overgemaakt naar de gezamenlijke rekening van partijen met nummer [3], aldus de man.

4.15.

Het hof stelt voorop dat de vrouw volgens de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de stelplicht draagt en, zo nodig, de bewijslast van haar stelling dat in het onderhavige geval dient te worden afgeweken van de hoofdregel dat als peildatum voor de ontbinding van de gemeenschap de datum van indiening van het verzoekschrift, zijnde 20 februari 2012, heeft te gelden. Zij beroept zich immers op het rechtsgevolg daarvan, te weten een eerdere peildatum voor het bepalen van de omvang van de te verdelen gemeenschap.

Op grond van de stukken in het dossier, waaronder de door de man in het geding gebrachte transactieoverzichten van voormelde rekeningen over de periode vanaf 17 juli 2011 tot 20 februari 2012 en de corresponderende saldo-overzichten van die rekeningen op beide data, alsmede gelet op het verhandelde ter zitting in hoger beroep acht het hof voldoende aannemelijk geworden dat de opbrengst uit de verkoop van de boot van partijen deels is aangewend ten behoeve van de kosten van levensonderhoud van beide partijen en hun kinderen, temeer nu de man in die periode een WW‑uitkering genoot.

Voorts is voldoende aannemelijk geworden dat de man in de desbetreffende periode gezamenlijke schulden van partijen heeft afgelost. Blijkens een door de man in het geding gebracht overzicht van zijn betaalrekening met nummer [2] is op 5 september 2011 een schuld aan de ING bank van € 9.735,79 afgelost. De vrouw heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist dat dit een gezamenlijke schuld van partijen betrof. Evenmin heeft de vrouw de schuld van partijen aan haar moeder en stiefvader en de aflossing daarvan in de desbetreffende periode betwist.

Ter nadere onderbouwing van de door hem gestelde schuld van partijen van in totaal € 15.000,- en de aflossing daarvan heeft de man een verklaring van zijn moeder in het geding gebracht. Voorts blijkt uit het door hem overgelegde transactieoverzicht dat de man op 5 september 2011 eenzelfde bedrag heeft opgenomen van zijn internetspaarrekening en driemaal € 5.000,- heeft overgemaakt naar mevrouw [x] respectievelijk mevrouw [y]. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de vrouw het bestaan van die gezamenlijke schuld onvoldoende gemotiveerd heeft betwist.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat de man geld aan de gemeenschap heeft onttrokken. De redelijkheid en billijkheid nopen naar het oordeel van het hof dan ook niet tot het hanteren van een andere peildatum. Dat partijen geruime tijd vóór het indienen van het verzoekschrift reeds zijn overgegaan tot het verdelen van de overige goederen die tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorden en dat de indiening van het verzoekschrift op zich heeft laten wachten omdat partijen het nog niet eens waren over de zorgregeling en de alimentatie, maakt dit niet anders.

4.16.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat de man in de oneven jaren de eerste keuze zal hebben wat betreft de verdeling van de vakanties en de feestdagen en de vrouw in de even jaren;

bepaalt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 12 juni 2013 op € 197,- (HONDERD ZEVENENNEGENTIG EURO) per kind per maand, vanaf heden bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. van den Bergh, mr. A. van Haeringen en mr. J.W. van Zaane in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2014.