Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:2791

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-07-2014
Datum publicatie
21-07-2014
Zaaknummer
23-002129-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Hof stelt bedrag immateriële schade tgv tijdsverloop vast aan hand van uniforme maatstaf (€ 500 per half jaar van overschrijding gehele periode) en brengt daarop in mindering het materiele voordeel van de uitgestelde betaling (rente verkregen / rente bespaard) om uiteindelijk te volstaan met louter de constatering dat de termijn is overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-002129-11

datum uitspraak: 18 juli 2014

TEGENSPRAAK, gemachtigde raadsman

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2011 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-523160-05 tegen de veroordeelde

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg aanvankelijk gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 1.612.149,00. Bij conclusie van repliek heeft de officier van justitie haar vordering gematigd tot een bedrag van € 322.016,13.

De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 februari 2006 -kort gezegd- veroordeeld ter zake van het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het vervalst is en het leidinggeven aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Voorts heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 4 mei 2011 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 289.814,52 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen het ontnemingsvonnis.

De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 september 2007 veroordeeld ter zake van -kort gezegd- het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A (oud) en C (oud) van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Het arrest is inmiddels onherroepelijk.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 februari 2013, 21 maart 2014 en 4 juli 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep met uitzondering van de verplichting tot betaling en de motivering daarvan. In zoverre wordt het vonnis vernietigd.

De redelijke termijn en de verplichting tot betaling

Het openbaar ministerie heeft zich in hoger beroep aan de hand van de conclusie van de advocaat-generaal van 12 maart 2014 primair op het standpunt gesteld, dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, nu de verdediging in deze zaak veelvuldig heeft verzocht de behandeling aan te houden. Voor zover sprake zou zijn van een overschrijding, valt deze in elk geval niet aan het openbaar ministerie toe te rekenen. De rechtbank is daarom ten onrechte overgegaan tot matiging van de betalingsverplichting. De advocaat-generaal heeft ter onderbouwing van haar standpunt ter terechtzitting in hoger beroep een document overgelegd ten aanzien van het verloop van de procedure per zitting (tijdslijn ten behoeve van de zitting van 21 april 2011 van de officier van justitie) en een overzicht van het beslag dat in deze zaak rust op vermogensbestanddelen, te weten: geldbedragen en zekerheidsstelling (het hof begrijpt: zekerheidstelling) met betrekking tot een auto van de veroordeelde, tot een totaalbedrag van € 113.766,91.

Subsidiair heeft de advocaat-generaal gesteld dat, in geval het hof van oordeel is dat de redelijke termijn is overschreden en dat die overschrijding verdisconteerd moet worden in een matiging van de betalingsverplichting, deze, zoals door de rechtbank is toegepast, te hoog is. De advocaat-generaal heeft het hof verzocht in dat geval de verplichting tot betaling maximaal te matigen met een bedrag van € 5.000,00.

De raadsman van de veroordeelde heeft zich in hoger beroep aan de hand van zijn pleitnota op het standpunt gesteld, dat de behandeling in eerste aanleg en hoger beroep niet binnen de redelijke termijn van berechting heeft plaatsgevonden. De raadsman heeft het hof verzocht de overschrijding van de redelijke termijn te verdisconteren in de betalingsverplichting door het te ontnemen bedrag te matigen, nu het tijdsverloop in eerste aanleg mede is veroorzaakt door een nietige oproeping van de veroordeelde.

Voorts is de raadsman van mening, dat de advocaat-generaal ten onrechte heeft gesteld dat een eventuele matiging van de verplichting tot betaling maximaal € 5.000,00 dient te bedragen.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof heeft acht geslagen op de omstandigheid, dat in deze zaak in eerste aanleg en in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In eerste aanleg is de ontnemingszaak aangevangen op 22 januari 2008 - welke datum het hof als aanvang neemt voor de beoordeling van de (redelijke) termijn in de ontnemingszaak gelijk de advocaat-generaal en de verdediging - en afgerond met een eindbeslissing op 4 mei 2011. De zaak is vervolgens in hoger beroep niet afgerond met een eindbeslissing binnen twee jaar na de instelling van het rechtsmiddel op 17 mei 2011, doch eerst op 18 juli 2014. Het hof stelt vast, dat in eerste aanleg de redelijke termijn is overschreden met een jaar en 3 maanden en in hoger beroep met een jaar en 2 maanden.

Het hof zal volstaan met louter de constatering van deze overschrijding en overweegt daartoe toe als volgt.

Het hof stelt vast op grond van de stukken van het dossier, dat door uiteenlopende omstandigheden een gedeelte van de overschrijding voor rekening van de veroordeelde kan worden gebracht, waaronder verzoeken om uitstel voor bestudering van het dossier, wraking en beslechting van een geschil met de Raad voor de Rechtsbijstand, alsmede ziekte van de raadsman. Uiteindelijk blijft desalniettemin een zeer lange feitelijke overschrijding over van bijna 30 maanden. Dat vastgesteld hebbend gaat het hof ervan uit dat dientengevolge immateriële schade is ontstaan. Het hof ziet in dat licht bezien aanleiding, gelet op het uniforme aspect van behandeling van soortgelijke kwesties op andere rechtsgebieden (bestuursrecht en civiel recht), ook in het ontnemingsrecht als maatstaf voor de vergoeding van immateriële schade het (standaard) bedrag te hanteren van € 500,00 per half jaar voor overschrijding van de termijn als geheel.

In totaal is een termijn verstreken van 6 jaren en 6 maanden, waarvan te doen gebruikelijk als redelijk is aan te merken een periode van 4 jaren. Voor rekening van de veroordeelde komt naar het oordeel van het hof een termijn van 12 maanden, zodat een periode van in ogenschouw te nemen overschrijding rest van 18 maanden (30 minus 12 maanden). Een vergoeding van immateriële schade van € 1.500,00 komt het hof daarom als redelijk voor.

Op dit aldus vastgestelde bedrag dient -naar het oordeel van het hof- in mindering te worden gebracht het materiële voordeel dat door de veroordeelde is verkregen doordat hij de beschikking heeft gehad over het door het hof geschatte wederrechtelijk verkregen vermogen van afgerond € 322.000,00. Vanaf minst genomen de aanvang van de termijn op 22 januari 2008 tot de dag van de feitelijke betaling, die gemakshalve in deze procedure wordt vastgesteld op de datum van arrestwijzing van 18 juli 2014, heeft de veroordeelde aldus gedurende die periode van 6 jaren en 6 maanden rente kunnen (doen) genereren, dan wel rente kunnen besparen (door geen geld te hoeven lenen). Het hof heeft in dit licht acht geslagen op het door de advocaat-generaal overgelegde beslagoverzicht, waaruit blijkt dat in deze zaak een totaalbedrag van afgerond € 113.766,00 onder beslag ligt en over welk beslag in de strafzaak geen beslissing is genomen.

Het hof hanteert schattenderwijs, met de advocaat-generaal, als redelijke maatstaf voor de vergoeding van rente een percentage van 2% per jaar, hetgeen bezien over de gehele periode (van 6 jaren en 6 maanden x 2% x € 322.000,00 ) neerkomt op een totaal bedrag -naar beneden afgerond en afgezien van rente over rente- van € 41.860,00 waarvan over het bedrag onder beslag ten minste € 14.789,00 aan (vervolg) profijt, welk bedrag op zich niet voor ontneming in aanmerking kan komen vanwege het ontbreken van een (daartoe vereist) aanvullend financieel rapport. Hetgeen echter niet wegneemt, dat minst genomen de rente over de gelden waarop beslag rust aan de veroordeelde ten goede zal komen en in mindering kan worden gebracht op de betalingsverplichting.

Het hof komt -alles overziend- tot een bedrag van vergoeding van (immateriële) schade van

€ 1.500,00, minus het materiële voordeel, geschat op € 41.860,00 althans € 14.789,00.

Nu alleen al het laatstgenoemde bedrag -dat in elk geval direct en daadwerkelijk in mindering kan worden gebracht op de betalingsverplichting- het bedrag van de (immateriële) vergoeding aanzienlijk overtreft, zal het hof (mede) in het belang van de veroordeelde thans volstaan met louter de constatering dat de termijn is overschreden, welke uitkomst overigens ook strookt met het rechtskarakter van de ontnemingsmaatregel.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Het hof heeft ook overigens geen aanleiding gezien de betalingsverplichting te matigen.

Aan de veroordeelde dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 322.000,00.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met uitzondering van de verplichting tot betaling.

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 322.000,00 (driehonderdtweeëntwintigduizend euro).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 322.000,00 (driehonderdtweeëntwintigduizend euro).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.D.L. Nuis, mr. P.F.E. Geerlings en mr. A.M.C.C. Tubbing, in tegenwoordigheid van

mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 juli 2014.

Mr. J.D.L. Nuis en mr. A.M.C.C. Tubbing zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...]

[...][...][...]

[...]

[...][...]

[...][...][...][...]

[...]