Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:2781

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-07-2014
Datum publicatie
05-08-2014
Zaaknummer
200.133.695-01 KG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg kredietovereenkomsten. Onderscheid looptijd van de lening en rentevastperiode. Geen bevoegdheid lening op te eisen aan het einde rentevastperiode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1

zaaknummer : 200.133.695/01 KG

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/543394 / KG ZA 13-700

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 15 juli 2014

inzake

de naamloze vennootschap

BANQUE ARTESIA NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. E.J.R. Verwey te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MSW VASTGOED B.V.,

gevestigd te Weesp,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.J.M. Derks te Utrecht.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Artesia en MSW genoemd.

Artesia is bij dagvaarding van 12 augustus 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 16 juli 2013, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen MSW als eiseres en Artesia als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 23 mei 2014 door hun advocaat aan de hand van aan het hof overgelegde pleitaantekeningen doen bepleiten. Bij die gelegenheid is door MSW productie 27 in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Artesia heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van MSW alsnog zal afwijzen en – uitvoerbaar bij voorraad – MSW zal veroordelen tot terugbetaling van hetgeen Artesia uit hoofde van het bestreden vonnis aan MSW heeft voldaan, te vermeerderen met rente, met veroordeling van MSW in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.

MSW heeft geconcludeerd tot bekrachtiging, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van Artesia in de kosten van (begrijpt het hof) het geding in hoger beroep.

2 Feiten

Geen geschil bestaat over de juistheid van de door de voorzieningenrechter in het vonnis onder 2.1 tot en met 2.14 weergegeven feiten, zodat ook het hof van deze feiten moet uitgaan. In hoeverre de opsomming door de voorzieningenrechter onvolledig is, zoals Artesia stelt, zal, voor zover nodig, hierna aan de orde komen.

3 Beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

( i) MSW exploiteert drie naast elkaar gelegen kantoorgebouwen aan de Leeuwenveldseweg 1, 3 en 5 te Weesp, die tezamen “Muiderpoort” worden genoemd. Zij heeft geen andere activiteiten en geen andere financieringsverplichtingen dan de hierna genoemde. De rechtsvoorganger van MSW is Marketing Synergie Weesp B.V. (hierna Marketing Synergie Weesp). MSW wordt indirect bestuurd door de heer [X] en zijn echtgenote [Y].

(ii) Op 6 mei 1998 heeft Artesia met Marketing Synergie Weesp, Wefimar B.V. en Synmar Vastgoed B.V. (twee andere ondernemingen waarvan [X] directeur was, hierna: Wefimar en Synmar) een kredietovereenkomst gesloten, op grond waarvan Artesia een bedrag van NLG 11.300.000,00 aan haar contractanten te leen heeft verstrekt tegen een variabele rente. Tot zekerheid voor de nakoming van hun verplichtingen uit deze overeenkomst hebben Marketing Synergie Weesp, Wefimar en Synmar aan Artesia onder meer een recht van eerste hypotheek op “Muiderpoort” verleend. De overeenkomst bevat voor zover van belang de volgende bepalingen:

“(…) Aflossingswijze lening: lineair, gedurende 25 jaar

‘(…)

RENTEVASTPERIODE

Uiterlijk één maand voor het einde van de rentevastperiode, zijnde de periode gedurende welke de overeengekomen rente ongewijzigd blijft, zal de bank een verlengingsvoorstel doen voor een nieuwe rentevastperiode met het daarbij behorende rentepercentage. (…)

Indien het verlengingsvoorstel op de verlengingsdatum niet is geaccepteerd en zolang overeenstemming over verlenging uitblijft, zal de wettelijke rente in rekening worden gebracht. De bank heeft echter ook de bevoegdheid om alsdan de lening op te eisen.”

(iii) Op de overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden voor hypotheken (Hoofdstuk II, Bepalingen betreffende geldleningen verstrekt onder hypothecair verband) van toepassing. Artikel 11 van die voorwaarden luidt:

Artikel 11. Duur

1. De schuld mag niet voor de einddatum worden opgeëist, tenzij anders is overeengekomen. De bank neemt alsdan een schriftelijke opzegtermijn van één maand in acht.

2. Uiterlijk één maand voor de einddatum zal de bank aan de schuldenaar een voorstel tot verlenging der lening, inhoudende onder meer een alsdan overeen te komen rentevoet, schriftelijk doen toekomen. Indien de schuldenaar verklaart met de nieuwe condities niet in te stemmen of indien de schuldenaar zich in het geheel niet verklaart, is de lening opeisbaar en kan deze zonder vergoeding wegens vervroegde aflossing worden afgelost.

3. Indien de schuldenaar en de bank op de einddatum in hun onderhandelingen nog niet tot overeenstemming zijn gekomen omtrent het voorstel tot verlenging der lening, wordt de duur van de lening geacht te zijn verlengd gedurende de tijd van die onderhandelingen, tot een periode van ten hoogste één jaar na de einddatum. Het bepaalde in lid 2 laatste zin is van overeenkomstige toepassing. Gedurende de periode van die onderhandelingen is door de schuldenaar de wettelijke rente verschuldigd.

(…)”

(iv) Bij aanvullende overeenkomst van 30 mei 2001 is het krediet gesplitst. Een deel van de lening (deel A ter grootte van € 1.947.000,00) werd als rekening-courant faciliteit ter beschikking gesteld en een ander deel (deel B ter grootte van € 2.723.000,00) werd als aflossingsvrije geldlening voortgezet. Deze overeenkomst luidt voor zover van belang:

“(…) Looptijd : tot 9 juni 2023.

Rentevastperiode : 5,65% tot 9 juni 2003.

Aflossingen : De pro resto hoofdsom wordt afgelost op het einde van de

rentevastperiode op 9 juni 2003 dan wel verlengd op basis van alsdan

vast te stellen tarieven en voorwaarden. (…)”

( v) Bij overeenkomst van 10 augustus 2002 is de lening opnieuw aangepast, in die zin dat Wefimar en Synmar als schuldenaren zijn uitgetreden. Deze overeenkomst bevat voor zover van belang de volgende bepalingen:

“(…)

2. De lening heeft een looptijd tot uiterlijk 9 juni 2023.

Geldnemer verbindt zich de lening volledig af te lossen op 9 juni 2003, tenzij anders wordt overeengekomen.

Over het niet afgeloste gedeelte van deze geldlening is geldnemer een rente verschuldigd van 5,65% per jaar. Dit rentepercentage zal van kracht zijn tot 9 juni 2003 (renteperiode). (…)”

(vi) Bij brief van 20 mei 2003 heeft Artesia aan Marketing Synergie Weesp geschreven, voor zover van belang:

“(…)

In de overeenkomst van geldlening is overeengekomen dat de aan uw vennootschap verstrekte lening op de rentevervaldatum 9 juni 2003 volledig zal worden afgelost tenzij anders wordt overeengekomen.

Met de heer Keijzers van onze bank bent u overeengekomen dat uw vennootschap in de periode van 16 mei 2003 tot 16 mei 2013 over de geldlening een rentepercentage verschuldigd zal zijn van 5,30%. Voorts dat de geldlening op de nieuwe rentevervaldatum 16 mei 2013 volledig zal worden afgelost, tenzij anders wordt overeengekomen.

Voor zover daarin hierboven geen wijzigingen zijn aangebracht blijven de overige voorwaarden en condities (…) ongewijzigd van kracht. (…)”

(vii) Een brief van Artesia aan Marketing Synergie Weesp van 20 april 2011 luidt, voor zover hier van belang:

“(…) Hierbij bevestigen wij dat wij de kredietfaciliteit in rekening-courant van uw vennootschap bij onze bank conform uw verzoek hebben laten vervallen en daarmede de kredietfaciliteit hebben verlaagd. De 25-jarige geldlening, in hoofdsom groot

EUR 2.723,000,=, wordt op basis van de bestaande voorwaarden, zekerheden en condities gecontinueerd. (…)”

(viii) In opdracht van Artesia heeft taxateur NAI Netherlands “Muiderpoort” getaxeerd, met als taxatie peildatum 30 juli 2012. De marktwaarde is getaxeerd op € 5.455.000,00 en de executiewaarde op € 3.290.000,00.

(ix) Bij overeenkomst van 20 juli 2012 heeft MSW de contractuele rechtsverhouding van Marketing Synergie Weesp ten opzichte van Artesia overgenomen. Daarbij is het rentepercentage verhoogd tot 5,95% en heeft MSW een tweede recht van hypotheek gevestigd op “Muiderpoort”.

( x) Bij brief van 30 januari 2013 heeft Artesia aan MSW geschreven, voor zover van belang:

“(…) Met deze brief wil ik u informeren over het feit, dat na een uitgebreide analyse van onze strategische bedrijfsvoering, is besloten dat GE Artesia Bank vanaf heden haar activiteiten en dienstverlening uitsluitend zal richten op internationale handels- en werkkapitaalfinanciering. Dit zal helaas gevolgen hebben voor onze bankrelatie en onze dienstverlening aan u.

(…)

Als gevolg daarvan kunnen wij helaas onze huidige dienstverlening aan u, na afloop van de looptijd van de thans vigerende kredietovereenkomst, niet voortzetten. Wij zullen geen kredieten vernieuwen of alternatieve kredieten verlenen wanneer de huidige faciliteiten vervallen per 16 mei 2013. Daarom willen we u nu al vragen om uw zaken bij een andere financiële instelling onder te brengen om zo ervoor te zorgen dat eventuele leningen (en/of andere verplichtingen) tijdig worden terugbetaald op de wettelijke vervaldatum.

(xi) Bij brief van 29 april 2013 heeft Artesia aan MSW een brief geschreven met, voor zover hier relevant, de volgende inhoud:

“(…) Uit het voorgaande volgt dat:

  1. tussen de Bank en MSW vastgoed B.V. (als contractovernemende partij van Marketing Synergie Weesp B.V.) op 20 mei 2003 ondubbelzinnig is overeengekomen dat de Lening volledig dient te worden afgelost op 16 mei 2013;

  2. de Bank sinds 20 mei 2003 altijd duidelijk heeft laten blijken dat de onder (i) genoemde afspraak van 20 mei 2003 is blijven gelden (…)

(…)”

(xii) Een brief van Artesia aan MSW van 13 mei 2013 bevat de volgende passage:

“(…) Door de Bank is aangegeven dat indien op 16 mei 2013 volledige aflossing van de Lening niet plaatsvindt, MSW in verzuim zal zijn hetgeen tot gevolg heeft dat de Bank een aantal rechten toekomt. Onder deze rechten vallen onder andere het recht op parate executie, het openbaar maken van het pandrecht op de huurpenningen (…)

Daar de Bank begrijpt dat u in samenwerking met de heer Valk inspanningen verricht om de herfinanciering van MSW bij een derde partij tot stand te brengen zodat aflossing van de Lening zo spoedig als mogelijk zal plaatsvinden, biedt de Bank MSW een terme de grâce van maximaal drie maanden, ingaande per 16 mei a.s. Dit houdt in dat MSW uiterlijk op 16 augustus 2013 de Lening volledig dient te hebben afgelost, en de Bank gedurende deze terme de grâce vooralsnog haar rechten niet zal uitoefenen indien en voorzover MSW aantoonbare inzet vertoont in het arrangeren van volledige aflossing van de Lening op korte termijn en de Bank hieromtrent met voldoende regelmaat informeert. (…)”

(xiii) De pogingen van MSW om de lening bij een derde te herfinancieren zijn tevergeefs geweest.

(xiv) MSW vorderde in eerste aanleg:

1. primair

Artesia te veroordelen om aan haar een verlengingsvoorstel te doen voor een verlengingsperiode van tien jaar tegen een rentepercentage van 4,66%, althans een rentepercentage dat gebruikelijk is voor onroerend goed zoals dat van WSW, althans een door de voorzieningenrechter vast te stellen percentage en periode, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

subsidiair

Artesia te veroordelen om aan haar een verlengingsvoorstel te doen voor een verlengingsperiode van tien jaar tegen een rentepercentage van ten hoogste 5,95%, althans een door de voorzieningenrechter vast te stellen periode en percentage, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

2. Artesia te verbieden een aanvang te maken met het uitwinnen van haar zekerheden zolang het schuldeisersverzuim van Artesia voortduurt alsmede zolang geen definitieve einddatum als bedoeld in artikel 11 lid 3 van de Algemene Voorwaarden voor hypotheken is bereikt en MSW ondertussen aan haar verplichtingen voortvloeiend uit de kredietovereenkomst voldoet en zolang MSW geen herfinanciering voor haar lening heeft gevonden, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

3. Artesia te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Aan haar vordering legde MSW ten grondslag, samengevat weergegeven, dat Artesia jegens haar niet de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van haar mag worden verwacht. Partijen zijn een lening met een looptijd van 25 jaar overeengekomen, die niet vroegtijdig door Artesia kan worden beëindigd. MSW stelt dat Artesia haar op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst en de algemene voorwaarden bij die overeenkomst een voorstel had moeten doen voor de volgende rentevastperiode of, indien het haar vrij stond de lening op te zeggen, een verlengingsvoorstel. Door de opstelling van Artesia wordt MSW gedwongen tot verkoop van het verhypothekeerde onroerend goed, wat gepaard zal gaan met aanzienlijke vermogensschade, en dat terwijl MSW haar betalingsverplichtingen jegens Artesia steeds is nagekomen.

(xvi) De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat de kern van de zaak is dat partijen verschillen over de vraag omtrent de looptijd van het door Artesia verstrekte krediet, waarbij MSW zich op het standpunt stelt dat de overeenkomst tot 9 juni 2023 loopt en er geen grond is voor tussentijdse opzegging, terwijl volgens Artesia de looptijd gelijk is aan de rentevastperiode en dat het krediet derhalve op 16 mei 2013 moest worden afgelost. De voorzieningenrechter heeft vervolgens de tussen partijen gesloten overeenkomsten uitgelegd aan de hand van het zogeheten Haviltexcriterium en is daarbij tot de conclusie gekomen dat voorshands voldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat Artesia jegens WSW gehouden is een nieuwe aanbieding te doen voor een renteperiode en rentepercentage. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van WSW aldus toegewezen

- dat Artesia veroordeeld is om binnen een week na datum van het vonnis aan MSW een schriftelijke aanbieding te doen die inhoudt dat het krediet wordt gecontinueerd voor een rentevastperiode van 5 jaar tegen een rentepercentage van 5,95%,

- dat Artesia is verboden om, zolang dat voorstel niet aan MSW is gedaan, geen definitieve einddatum als bedoeld in artikel 11 lid 3 van de Algemene voorwaarden voor hypotheken is bereikt en zolang MSW geen herfinanciering voor het krediet heeft gevonden, een aanvang te maken met het uitwinnen van haar zekerheden, zulks op straffe van een dwangsom van € 2.500,- voor iedere dag dat het verbod wordt overtreden.

Artesia is door de voorzieningenrechter in de kosten van het geding veroordeeld.

3.2.

Tegen de beslissingen van de voorzieningenrechter – en de gronden waarop deze beslissingen berusten – heeft Artesia in totaal zeven grieven aangevoerd. Van de zijde van MSW is geen incidenteel appel ingesteld zodat het hof zal uitgaan van de vorderingen van MSW zoals die door de voorzieningenrechter zijn toegewezen.

Van de door Artesia aangevoerde grieven hebben de eerste vier betrekking op de door de voorzieningenrechter gegeven uitleg van de tussen partijen gesloten overeenkomsten. De grieven 5 tot en met 7 zien op de door de voorzieningenrechter uitgesproken veroordelingen.

3.3.

Alvorens de grieven 1 tot en met 4 te behandelen stelt het hof vast dat de voorzieningenrechter, bij de uitleg van hetgeen tussen partijen is overeengekomen, terecht van het zogeheten Haviltexcriterium is uitgegaan.

3.4.1.

In grief 1 komt Artesia op tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat in alle tussen partijen gesloten overeenkomsten melding wordt gemaakt van een looptijd van 25 jaar of aflossing over 25 jaar en daarnaast van een rentevastperiode.

3.4.2.

De grief betoogt dat in de overeenkomst van geldlening 2001, de overeenkomst van geldlening 2002 en in de brief van 20 mei 2003 niet wordt gesproken over aflossingen over 25 jaar of over een looptijd van 25 jaar. Het hof kan Artesia hierin niet volgen. Uit de vaststaande feiten (zie de weergave hierboven onder 3.1 (ii), (iv) en (v)) blijkt dat (niet alleen in de overeenkomst van 1998 maar ook) in de overeenkomst van 30 mei 2001 en in de overeenkomst van 10 augustus 2002 uitdrukkelijk staat vermeld dat de lening een looptijd heeft tot uiterlijk 9 juni 2023. De periode tot 9 juni 2023 is te verklaren uit de oorspronkelijk op 6 mei 1998 gesloten overeenkomst voor de looptijd van 25 jaar. Impliciet is de looptijd van 25 jaar dus wel vermeld. Aan deze conclusie staat, anders dan Artesia verdedigt, niet in de weg dat in de overeenkomst van contractsovername van 20 juli 2012 de overeenkomst van geldlening van 6 mei 1998 niet met name staat genoemd. De overeenkomst van 1 augustus 2002 staat daarin immers wel vermeld, terwijl deze overeenkomst, gelet onder meer op de betrokken partijen en de hoogte van het overeengekomen krediet, onmiskenbaar als direct vervolg op en in het licht van de overeenkomsten van 6 mei 1998 en 30 mei 2001 is aangegaan. Dat de Kredietovereenkomst 1998 “buiten toepassing [is] verklaard” (mvg 5.16), hetgeen doet veronderstellen dat Artesia stelt dat dit in een specifieke bepaling is neergelegd, vindt geen steun in de gedingstukken.

3.4.3.

Het is juist dat in de brief van 20 mei 2003 de looptijd van 25 jaar niet wordt genoemd en dat daarin ook de looptijd tot 9 juni 2023 niet is weergegeven. Nu reeds merkt het hof op dat daaraan in het voordeel van Artesia geen argument kan worden ontleend. De formulering van die brief: “Voorts dat de geldlening op de nieuwe rentedatum 16 mei 2013 volledig zal worden afgelost, tenzij anders wordt overeengekomen” sluit volledig aan bij de overeenkomst van geldlening van 10 augustus 2002 waarin in artikel 3.1 dezelfde formulering wordt gebruikt. Deze formulering staat duidelijk in het teken van de daaraan voorafgaande bepaling onder 2, inhoudende dat de lening een looptijd heeft tot uiterlijk 9 juni 2023. In deze betekenis heeft MSW de brief van 20 mei 2003 dan ook redelijkerwijze mogen opvatten. Op de verklaring van Keijzers, waarop Artesia zich beroept, zal hierna (onder 3.8) worden ingegaan.

3.5.

De kern van de grieven van Artesia en van het door haar in eerste aanleg gevoerde betoog berust, begrijpt het hof, op twee pijlers:

a. het gegeven dat een melding wordt gemaakt van een looptijd tot 2023 betekent niet dat de geldlening dan pas moet worden terugbetaald; het jaartal 2023 werd in de overeenkomsten opgenomen als een theoretische looptijd waarbij telkens aan het einde van de renteperiode het zowel MSW als Artesia vrij stond om afscheid van elkaar te nemen;

b. de financiering tussen 1998 en 2002 is ingrijpend gewijzigd onder meer doordat een lening met maandelijkse aflossingen werd gewijzigd in een aflossingsvrije lening en door een gewijzigd risicoprofiel.

3.6.

Deze beide pijlers zijn ondeugdelijk. Hiertoe overweegt het hof als volgt.

3.7.

Terecht heeft de voorzieningenrechter de uitleg die Artesia aan de begrippen looptijd en rentevastperiode wil geven, gelet op hetgeen in de bankenwereld gebruikelijk is en gezien ook de definitie die in de overeenkomst van 1998 aan het begrip rentevastperiode is gegeven, niet goed begrijpelijk geacht. Wat bedoeld is met de looptijd is onder meer weergegeven in artikel 11 van de Algemene Voorwaarden voor hypotheken (zie onder 3.1 (ii)): het is de periode tot de einddatum van de lening en geeft aan tot welke datum de schuld door Artesia niet kan worden opgeëist. Het artikel kent een eigen regeling voor hetgeen zal gelden na het verlopen van die einddatum. Wat bedoeld is met de rentevastperiode staat omschreven in de overeenkomst van 6 mei 1998: “zijnde de periode gedurende welke de overeengekomen rente ongewijzigd blijft”. Hieruit blijkt dat een overeengekomen looptijd van de lening meerdere rentevastperiodes kan kennen. Het recht van Artesia om de schuld op te eisen bestaat, tenzij er (in deze zaak niet aanwezige) gronden zijn om de lening tussentijds te beëindigen, pas aan het einde van de looptijd (en nadat aan het overige in artikel 11 van de Algemene voorwaarden bepaalde is voldaan).

Het hof vermeldt in dit verband tevens dat in artikel 12 van de voornoemde Algemene Voorwaarden onder meer is bepaald:

3. De vergoeding wegens vervroegde aflossing zal niet zijn verschuldigd:

(...)

c. aan het einde van een rentevastperiode;

Ook hieruit blijkt een duidelijk onderscheid tussen de beide begrippen en ook dat deze bepaling biedt steun aan de opvatting dat partijen voor ogen heeft gestaan dat het einde van een rentevastperiode in beginsel niet het einde van (de duur van) de lening betekent, omdat deze bepaling ziet op vervroegde aflossing ter gelegenheid van het einde van een rentevastperiode.

3.8.

Door Artesia zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die kunnen meebrengen dat MSW de beide begrippen redelijkerwijze in andere zin heeft moeten begrijpen dan uit de genoemde bepalingen voortvloeit. De door Keijzers opgestelde verklaring van 22 oktober 2013 kan daartoe niet dienen. Ook hij spreekt over een ”(theoretische) looptijd tot 2023” maar maakt niet duidelijk wat daaronder, mede gezien het onderscheid met een rentevastperiode, moet worden begrepen. Weliswaar schrijft hij dat het aan beide partijen vrijstond om aan het einde van een nieuwe renteperiode “afscheid van elkaar” te nemen en dat dit expliciet ook zou zijn verwoord, maar zijn verwijzing naar de kredietoffertes maken dat niet duidelijk nu daarin juist niet expliciet is verwoord dat elk van partijen aan het einde van een nieuwe renteperiode zonder meer van de ander afscheid kan nemen en hij ook overigens niet duidelijk maakt dat en wanneer hij de thans in zijn voornoemde verklaring verwoorde strekking van de bepalingen voldoende duidelijk met WSW zou hebben besproken.

3.9.

Ook de tweede pijler, inhoudende dat de financiering tussen 1998 en 2002 zodanig ingrijpend is gewijzigd dat daardoor de oorspronkelijke looptijd van 25 jaar niet meer zou gelden, kan Artesia niet baten. Ook in de overeenkomst van 2002 staat immers de looptijd tot 9 juni 2023 weer uitdrukkelijk vermeld. Ook hier geldt dat MSW redelijkerwijze heeft mogen begrijpen dat de einddatum van de lening 9 juni 2023 zou zijn en dat voordien de lening door Artesia in beginsel niet zou mogen worden opgeëist.

3.10.

Uit het vooraanstaande vloeit voort dat de grieven die zich keren tegen de uitleg die de voorzieningenrechter aan de overeenkomsten tussen partijen heeft gegeven, geen doel treffen.

3.11.

In grief 5 betoogt Artesia tevergeefs dat geen goede reden bestond om aan de door de voorzieningenrechter uitgesproken voordelig een dwangsom te verbinden. De dwangsom is, gezien de weigerachtige houding van Artesia om haar verplichtingen na te komen en de gerechtvaardigde belangen van MSW bij nakoming van de veroordeling, terecht opgelegd. De grief faalt.

3.12.

Uit hetgeen met betrekking tot de grieven 1 tot en met 4 werd overwogen, volgt dat Artesia niet gerechtigd was om het geleende tegen het einde van de rentevastperiode (en derhalve in mei/juni 2013) terug te vorderen en dat zij in verband daarmee ook geen maatregelen tot het uitwinnen van haar zekerheden mocht nemen. De vordering tot het opleggen van een verbod aan Artesia om een aanvang te maken met het uitwinnen van haar zekerheden is daarom door de voorzieningenrechter eveneens terecht toegewezen. Ook grief 6 faalt.

3.13.

De veroordeling, waaraan de voorzieningenrechter de dwangsommen heeft verbonden, is voldoende duidelijk en concreet. De met grief 7 geuite klacht dat de omschrijving van de veroordeling tot verschillende interpretaties kan leiden, is daarom niet gegrond. Of de dwangsommen door Artesia zijn verbeurd, staat in deze procedure niet ter beoordeling. De grief treft geen doel.

3.14.

De slotsom moet zijn dat de voorzieningenrechter terecht voldoende aannemelijk heeft geoordeeld dat de bodemrechter MSW in het gelijk zal stellen. De tegen zijn beslissing aangevoerde grieven falen alle. Het vonnis waarvan beroep zal daarom worden bekrachtigd. Artesia zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep. De vordering tot terugbetaling van hetgeen op grond van het vonnis in eerste aanleg door Artesia aan MSW is voldaan, zal worden afgewezen.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

wijst af de vordering tot terugbetaling van hetgeen op grond van het vonnis in eerste aanleg door Artesia aan MSW is betaald;

veroordeelt Artesia in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van MSW begroot op € 683,- aan verschotten en € 2.682,- voor salaris;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Visser, D.J. Oranje en A.C. van Schaick en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2014.