Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:276

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
200.122.353/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkelen nalatenschap van erflater. Handelen van de notaris, hoewel dat anders en beter had gekund, kan niet als tuchtrechtelijke laakbaar kan worden aangemerkt.

Wetsverwijzingen
Wet op het notarisambt, geldigheid: 2014-02-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.122.353/01 NOT

nummer eerste aanleg : 12-20

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 4 februari 2014

inzake

[klager],

wonende te [woonplaats],

appellant,

tegen:

[notaris],

notaris te [vestigingsplaats],

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Van de zijde van appellant, verder te noemen “klager”, is bij een op 21 februari 2013 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift – met bijlagen – tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en de kandidaat-notarissen te Den Haag, hierna verder te noemen “de kamer”, van 6 februari 2013, waarbij de kamer de klacht van klager tegen geïntimeerde, verder te noemen “de notaris”, op alle gronden ongegrond heeft verklaard.

1.2.

Van de zijde van de notaris is op 16 april 2013 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.3.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 21 november 2013. Klager en de notaris zijn verschenen en hebben het woord gevoerd.

2 De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 De feiten

3.1.

Op [datum]is de broer van klager, [erflater] (verder te noemen “erflater”) overleden.

3.2.

Erflater heeft vier erfgenamen achtergelaten, te weten klager, een andere broer en twee zusters, onder wie [de zus van klager] (verder te noemen “[de zus van klager]”). Erflater woonde ten tijde van zijn overlijden in een psychiatrische inrichting in [naam plaats].

3.3.

De Stichting [stichting]te [naam plaats] (hierna verder te noemen “de Stichting” beheerde de financiën van erflater.

3.4.

De gemeente Amsterdam is door erflater bij diens testament, verleden op 10 september 1996 voor [een notaris], destijds notaris te Amsterdam, tot executeur benoemd. Blijkens een verklaring, gedateerd op 18 januari 2010, heeft de gemeente Amsterdam deze benoeming niet aanvaard.

4 Het standpunt van klager

Klager verwijt in zijn klaagschrift dat de notaris, kort samengevat, zijn belangen in onvoldoende mate heeft behartigd. De klacht valt uiteen in de volgende onderdelen:

4.1.

Klager verwijt de notaris dat hij pas in juni 2010 is ingelicht over het feit dat hij erfgenaam van erflater was, terwijl de notaris al kort na het overlijden van erflater was benaderd om de nalatenschap af te wikkelen.

4.2.

Klager verwijt de notaris verder dat hij, na meerdere keren per brief daarop te zijn gewezen door klager, geen actie heeft ondernomen om de in bewaring gegeven goederen van erflater onder de erfgenamen te inventariseren en te laten waarderen.

4.3.

Verder stelt klager door het (niet) handelen van de notaris buiten de verdeling van de inboedelgoederen te zijn gehouden. Deze goederen waren op de kamer van erflater aanwezig ten tijde van zijn overlijden.

4.4.

Daarnaast maakt klager bezwaar tegen de hoogte van de begrafeniskosten van € 9.880,96.

4.5.

Tot slot verwijt klager de notaris dat hij ermee heeft ingestemd dat [de zus van klager] zich als executeur opwierp, vooral omdat zij hiervoor de toestemming van klager niet had. In een eerder testament was klager benoemd tot executeur.

5 Het standpunt van de notaris

De notaris heeft de stellingen van klager gemotiveerd betwist. Voor zover van belang zal hierna bij de beoordeling van de klacht op het verweer van de notaris worden ingegaan.

6 De beoordeling

Klachtonderdeel 4.1

6.1.

Klager stelt dat hij pas bij brief van 23 juni 2010 door de notarisklerk is ingelicht over zijn erfgenaamschap, terwijl de notaris al op 12 januari 2010 was benaderd om de nalatenschap af te wikkelen. Bij brief van 7 juli 2010 heeft klager gereageerd op de brief van 23 juni 2010 door (onder meer) enkele vragen aan de notaris te stellen en actie van hem te verlangen. Pas bij brief van 6 oktober 2010 heeft de notaris gereageerd, maar zonder een vraag te beantwoorden dan wel passende actie te ondernemen. Daarop volgt een uitgebreide briefwisseling tussen partijen, maar volgens klager waren de antwoorden van de notaris telkens onbevredigend.

6.2.

De notaris brengt daarentegen in dat de Stichting die de financiën van erflater beheerde, hem op 12 januari 2010 heeft benaderd om de nalatenschap van erflater af te wikkelen, waarbij hem is bericht dat [de zus van klager] contactpersoon was. Op 13 januari 2010 heeft de notarisklerk telefonisch contact gehad met [de zus van klager]. De eerste brief aan klager (van 23 juni 2010) heeft zo lang op zich heeft laten wachten, omdat het ongeveer vijf maanden heeft geduurd voordat de notaris alle informatie over de omvang en de samenstelling van de nalatenschap en de gegevens van de erfgenamen ontving. Ter zitting in hoger beroep heeft hij toegegeven dat het beter was geweest, indien al eerder schriftelijk contact was opgenomen met klager. Dit inzicht alsmede het feit dat klager geen omstandigheden heeft gesteld waaruit kan worden afgeleid dat het voor de notaris direct duidelijk had moeten zijn dat klager onmiddellijk na het overlijden van erflater r had moeten worden betrokken bij de afwikkeling van de nalatenschap, maakt dat het hof van oordeel is dat het handelen van de notaris, hoewel dat anders en beter had gekund, niet als tuchtrechtelijke laakbaar kan worden aangemerkt. Het hof overweegt verder dat het gedurende langere tijd niet inhoudelijk reageren op de brief van klager van 7 juli 2010 niet de schoonheidsprijs verdient. Niet kan echter worden gezegd dat de notaris dusdanig langzaam heeft gehandeld, dat de notaris in strijd met de tuchtnorm heeft gehandeld zoals geformuleerd in artikel 93 van de Wet op het notarisambt. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel 4.2

6.3.

Volgens klager heeft erflater tijdens zijn leven een omvangrijke collectie religieus antiek, klassieke platen en curiosa verzameld. Klager en zijn broer en zusters zijn, toen erflater in de inrichting werd opgenomen, overeengekomen wie welke inboedelgoederen in bewaring nam. Na overlijden van erflater zouden zij deze goederen naar evenredigheid verdelen. Dit is echter niet gebeurd, aldus klager. Het hof is met de kamer van oordeel dat vast staat dat tijdens het leven van erflater geen inventarisatie van deze goederen heeft plaatsgevonden. Evenmin is schriftelijk - laat staan notarieel vastgelegd wie van de erfgenamen welke goederen in bewaring had genomen. Dat de notaris geen actie heeft ondernomen om deze goederen onder de erfgenamen te inventariseren en te laten waarderen is dan ook niet tuchtrechtelijk laakbaar Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 4.3

6.4.

Partijen twisten over het antwoord op de vraag of de inboedelgoederen al verdeeld waren voordat de notaris werd ingeschakeld. Klager stelt dat hij vlak voor het overlijden van erflater nog bij hem op bezoek is geweest. Hij heeft toen gezien dat er nog een aantal waardevolle inboedelgoederen bij erflater op de kamer aanwezig was, zoals schilderijen (onder andere [naam schilderij], veel religieuze kunstartikelen en een klok. De notaris voert daarentegen aan dat hem bij het eerste telefonische contact met [de zus van klager] (13 januari 2010) is bericht dat deze goederen reeds waren verdeeld onder de (overige) erfgenamen. Het hof oordeelt dat klager ook in hoger beroep niet aannemelijk heeft gemaakt welke afspraken de erfgenamen tijdens het leven van erflater met betrekking tot deze inboedelgoederen hadden gemaakt. De notaris kan derhalve niet worden verweten dat hij door zijn (niet) handelen klager buiten de verdeling van de inboedelgoederen heeft gehouden. Daarnaast verschillen klager en de overige erfgenamen van mening over de waarde van de inboedelgoederen: de overige erfgenamen menen dat klager de meeste voorwerpen van enige waarde onder zich heeft, hetgeen klager betwist. Mede hierdoor zijn er geschillen tussen klager en de overige erfgenamen gerezen. Uit de stukken blijkt dat de notaris voor de geschillen verschillende oplossingen heeft voorgesteld, maar dat klager steeds heeft geweigerd hieraan mee te werken. Er is hier dan ook geen sprake van klachtwaardig handelen van de notaris.

Klachtonderdeel 4.4

6.5.

Het hof is met de kamer van oordeel dat het niet de notaris is die de opdracht heeft gekregen om de uitvaart van erflater te regelen, zodat hem niet verweten kan worden dat de kosten van de uitvaart te hoog zijn geweest. De uitvaart was overigens op het moment dat de notaris bij deze kwestie betrokken werd, reeds door [de zus van klager] geregeld, zodat ook om die reden de notaris geen verwijt kan worden gemaakt op dit punt. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel 4.5

6.6.

Het hof heeft hiervoor onder 3.4 vastgesteld dat de gemeente Amsterdam bij uiterste wilsbeschikking in 1996 was benoemd tot executeur en dat de gemeente op 18 januari 2010 heeft verklaard, die benoeming niet te aanvaarden. Hoewel klager stelt dat hij in een eerder testament als executeur is benoemd, valt zulks niet uit de overgelegde stukken af te leiden en is dit bovendien niet relevant aangezien het testament van 1996 begint met een herroeping van alle voorgaande uiterste wilsbeschikkingen, dus ook die eventuele eerdere benoeming van klager tot executeur. Ook blijkt niet uit de stukken dat [de zus van klager] tot executeur is benoemd dan wel dat zij deze functie heeft aanvaard. Voor zover klager bedoelt dat zijn toestemming was vereist om [de zus van klager] de uitvaart te laten regelen, kan hiervan de notaris geen verwijt worden gemaakt aangezien deze, zoals hiervoor onder 6.5 is overwogen, pas bij de afwikkeling van de nalatenschap van erflater betrokken raakte toen de uitvaart al was geregeld. Dit klachtonderdeel is ook ongegrond.

6.7.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven, omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.8.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 De beslissing

Het hof:

bevestigt de beslissing van de kamer.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, A.R. Sturhoofd en P. Blokland en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 4 februari 2014 door de rolraadsheer.