Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:2742

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-07-2014
Datum publicatie
28-11-2014
Zaaknummer
23-005590-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring en inreisverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-005590-13

datum uitspraak: 10 juli 2014

tegenspraak

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 december 2013 in de strafzaak onder parketnummer 13-702847-13 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in [p.i.].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 juni 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1:
hij op of omstreeks 22 april 2013 te Amsterdam, in elk geval in Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen in/uit een (winkel)pand (perceel Singel [nummer 1]) een (sport)tas (merk Adidas), en/of (met daarin) belastingpapieren en/of aktes en/of geldpapieren en/of huissleutels en/of een usb-stick, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2:
hij op of omstreeks 23 april 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen in/uit een (kantoor)pand (perceel Stationsplein [nummer 2]) een tas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een onbekend gebleven persoon, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3:
hij op twee, althans één, tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 17 augustus tot en met 18 augustus 2013 te Amsterdam, in elk geval in Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een (winkel)pand (perceel Arena boulevard [nummer 3]) heeft weggenomen twee, althans één, laptop(s), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

4:
hij op of omstreeks 18 augustus 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling is verklaard of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, lid 7, van de Vreemdelingenwet 2000.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Vrijspraak feit 2

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 ten laste is gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 22 april 2013 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een winkelpand, perceel Singel [nummer 1], een sporttas merk Adidas, met daarin belastingpapieren en aktes en geldpapieren en huissleutels en een usb-stick, toebehorende aan [benadeelde 1];

3:
hij op 18 augustus 2013 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een winkelpand, perceel Arena boulevard [nummer 3], heeft weggenomen één laptop, toebehorende aan [benadeelde 2];

4:
hij op 18 augustus 2013 te Amsterdam als vreemdeling heeft verbleven terwijl hij wist dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling is verklaard.

Hetgeen onder 1, 3 en 4 meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Gevoerde verweren

I.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 en 3 tenlastegelegde wegens gebrek aan bewijs. Het hof verwerpt deze verweren op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen in de eventueel later op te maken aanvulling.

II.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van feit 4 en heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte weliswaar op 21 februari 1984 ongewenst is verklaard doch dat hem op 19 februari 2012 een inreisverbod is opgelegd. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 17 mei 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA0624) is de raadsman van mening dat samenloop van een ongewenst verklaring met een inreisverbod is uitgesloten. De raadsman verbindt hieraan de conclusie dat de verdachte om die reden niet kan worden veroordeeld. Subsidiair heeft de raadsman het verweer gevoerd dat sprake is van een ‘licht’ inreisverbod. Overtreding daarvan is geen strafbaar feit in de zin van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

Het hof stelt vast, dat de IND heeft onderkend dat aan de verdachte ten onrechte op 10 oktober 2012 een inreisverbod voor de duur van twee jaar was opgelegd en dat dit inreisverbod daarom is ingetrokken.

Derhalve is de ongewenst verklaring van 21 februari 1984 nog altijd van kracht en behoeft het verweer geen verdere bespreking. Mitsdien moet het verweer worden verworpen.

Het subsidiair gevoerde verweer behoeft verder geen bespreking, nu dit ziet op een mogelijke veroordeling op grond van het inreisverbod, waarvan in dit geval geen sprake is.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 3 en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op: diefstal.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op: diefstal.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op: als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl verdachte weet, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling is verklaard.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 3 en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg is opgelegd.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de terugkeerprocedure niet volledig is doorlopen en heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte na het verstrijken van de implementatietermijn van de Terugkeerrichtlijn nog geen achttien maanden in een procedure tot uitzetting heeft verkeerd.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe dat de raadsman een voorwaarde stelt die het recht niet kent.

Het hof is van oordeel dat ook overigens is voldaan aan de eisen van de terugkeerprocedure, zodat (ook) terzake van dit feit een gevangenisstraf kan worden opgelegd.

In het proces-verbaal van de Vreemdelingenpolitie, dienst regionale recherche van 24 juni 2014 is

zakelijk weergegeven gerelateerd dat:

- de verdachte gebruik heeft gemaakt van een groot aantal aliassen en slechts niet-verifieerbare gegevens omtrent zijn identiteit heeft verstrekt;

- de Algerijnse ambassade na presentatie van de verdachte in 2012 de Algerijnse nationaliteit van de verdachte heeft vastgesteld, niet zijn identiteit, maar de verdachte blijft volhouden dat hij in Frankrijk in Marseille geboren is;

- diverse terugkeergesprekken met de verdachte zijn gevoerd en dat hij meermalen heeft geweigerd een terugkeergesprek te voeren;

- de verdachte gedurende de voorafgaande vijf jaren herhaaldelijk in vreemdelingenbewaring heeft verbleven en bij diverse consulaten zonder resultaat is gepresenteerd;

- dat de aanvraag van een laissez passer zonder resultaat is gebleven.

Dit alles heeft niet geleid tot uitzetting of vertrek van de verdachte uit Nederland.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte medegedeeld niet te willen meewerken aan zijn vertrek naar Algerije.

Niet gesteld noch aannemelijk is geworden dat de verdachte een geldige reden had in Nederland te verblijven.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een tas met inhoud en een laptop en aldus een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van anderen. Diefstal is een ergerlijk feit en het kost tijd en geld het gestolene –indien al mogelijk– te vervangen. Ook heeft de verdachte in Nederland verbleven terwijl hij wist dat hij tot ongewenst vreemdeling is verklaard.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 20 juni 2014 is de verdachte eerder voor misdrijven, waaronder diefstal, en terzake artikel 197 Sr onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. De op te leggen gevangenisstraf is lager dan door de advocaat-generaal gevorderd, omdat het hof de straf baseert op drie bewezen geachte feiten, terwijl de advocaat-generaal bij zijn eis van vier feiten is uitgegaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 63, 197 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het hem onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het hem onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. P.F.E. Geerlings en mr. J.G.B. Pikkemaat, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 juli 2014.

De griffier, mr. Groenenberg, is buiten staat te ondertekenen.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...]

[...][...][...]

[...]

[...][...][...]

[...]

[...]

[...]

[...]