Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:2737

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-07-2014
Datum publicatie
28-11-2014
Zaaknummer
23-000112-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 197 Sr. Doorlopen van terugkeerprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-000112-14

datum uitspraak: 10 juli 2014

tegenspraak

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 27 december 2013 in de strafzaak onder parketnummer 13-669162-13 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in [p.i.].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 juni 2014, en, overeenkomstig het bepaalde in artikel 422 lid twee van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 15 oktober 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 (voorheen artikel 21 van de Vreemdelingenwet), in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing en strafoplegging komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 15 oktober 2013 te Amsterdam als vreemdeling heeft verbleven terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 21 van de Vreemdelingenwet tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

Hetgeen meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit waardoor dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op: als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling is verklaard.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Met name is in dit verband in het onderhavige geval van belang, dat met betrekking tot verdachte de terugkeerprocedure geheel is doorlopen.

Overmacht

De raadsman heeft enkel gesteld dat aan de zijde van de verdachte sprake is van overmacht.

Het hof verwerpt deze stelling, reeds omdat deze niet van argumenten is voorzien. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat daarvan sprake is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het hem ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Als ongewenst vreemdeling rust op de verdachte de verplichting Nederland te verlaten.

Uit het proces-verbaal van de Vreemdelingenpolitie, regio Amsterdam-Amstelland, opgemaakt op 24 juni 2014 en het overzichtsproces-verbaal van de Dienst Terugkeer en Vertrek van 28 maart 2013,

kan het volgende worden opgemaakt.

Aan de verdachte is op 26 maart 1998 een beschikking inhoudende ongewenstverklaring in Nederland uitgereikt. Met de verdachte zijn sindsdien een groot aantal vertrekgesprekken gevoerd. Hij heeft daarbij nimmer aantoonbaar een bijdrage geleverd aan het vaststellen van zijn identiteit of nationaliteit. Hij heeft tenminste zes aliassen opgegeven. De verdachte heeft steeds aangegeven dat hij uit Libië afkomstig zou zijn. Ter vaststelling van zijn identiteit heeft dactyloscopisch onderzoek plaatsgevonden. In 2001 heeft een taalanalyse plaatsgevonden. Het hof begrijpt de uitkomst hiervan in die zin, dat deze een aanwijzing vormt, dat de verdachte uit Libië of een aan Libië grenzend land afkomstig is. Ter verkrijging van een laissez passer zijn in de periode van 1995 tot 2013 diverse aanvragen gedaan en is de verdachte ook herhaaldelijk gepresenteerd aan de autoriteiten van Libië, Tunesië, Algerije, Marokko. Slechts de presentatie aan Algerije in 2000 heeft tot een laissez passer geleid, doch tot een definitieve uitzetting uit Nederland is het niet gekomen omdat de verdachte werd geweigerd aan de grens van Algerije. De verdachte heeft bij herhaling in vreemdelingen bewaring gezeten. Het hof constateert dat op dit moment geen procedures aanhangig zijn ter verkrijging van een laissez passer. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de terugkeerprocedure moet worden geacht doorlopen te zijn.

Niet gesteld, noch aannemelijk is geworden dat de verdachte een geldige reden had in Nederland te verblijven.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 20 juni 2014 is verdachte eerder voor misdrijven, waaronder het misdrijf van artikel 197 Sr, onherroepelijk veroordeeld.

Het hof is, alles afwegende, van oordeel dat een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. P.F.E. Geerlings en mr. J.G.B. Pikkemaat, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 juli 2014.

De griffier mr. Groenenberg is buiten staat te ondertekenen.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...]

[...][...][...]

[...]

[...]

[...]

[...]