Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:2726

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
17-07-2014
Zaaknummer
23-004125-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Witwassen van een in de (onder)kleding verborgen geldbedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-004125-13

datum uitspraak: 9 juli 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 3 september 2013 in de strafzaak onder parketnummer 15-830003-12 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 juni 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 22 oktober 2012, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een hoeveelheid bankbiljetten (ter waarde van (ongeveer) 10.000,- euro), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemde hoeveelheid bankbiljetten, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

2:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 januari 2006 tot en met 25 juni 2012, te Amsterdam, in elk geval in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, in bovengenoemde periode (telkens) een of meer voorwerp(en), te weten:

- op 26 januari 2006 een geldbedrag van 10090 en/of

- op 2 februari 2007 een geldbedrag van 952 euro en/of

- op 18 april 2007 een geldbedrag van 860 euro en/of

- op 2 mei 2007 een geldbedrag van 200 euro en/of

- op 9 mei 2007 een geldbedrag van 500 euro en/of

- op 22 mei 2007 een geldbedrag van 1255 euro en/of

- op 29 mei 2007 een geldbedrag van 2020 euro en/of

- op 5 juni 2007 een geldbedrag van 283 euro en/of

- op 5 juni 2007 een geldbedrag van 283 euro en/of

- op 13 juni 2007 een geldbedrag van 675 euro en/of

- op 13 juni 2007 een geldbedrag van 190 euro en/of

- op 20 juni 2007 een geldbedrag van 578 euro en/of

- op 21 juni 2007 een geldbedrag van 162 euro en/of

- op 1 augustus 2007 een geldbedrag van 1508 euro en/of

- op 2 augustus 2007 een geldbedrag van 3805 euro en/of

- op 4 augustus 2007 een geldbedrag van 1522 euro en/of

- op 9 januari 2008 een geldbedrag van 5035 euro en/of

- op 10 januari 2008 een geldbedrag van 3335 euro en/of

- op 29 april 2009 een geldbedrag van 92 euro en/of

- op 1 september 2009 een geldbedrag van 965 euro en/of

- op 7 september 2009 een geldbedrag van 150 euro en/of

- op 10 september 2009 een geldbedrag van 97 euro en/of

- op 11 september 2009 een geldbedrag van 200 euro en/of

- op 29 september 2009 een geldbedrag van 100 euro en/of

- op 29 september 2009 een geldbedrag van 500 euro en/of

- op 1 oktober 2010 een geldbedrag van 190 euro en/of

- op 11 oktober 2010 een geldbedrag van 1259 euro en/of

- op 16 oktober 2010 een geldbedrag van 499 euro en/of

- op 21 oktober 2010 een geldbedrag van 76 euro en/of

- op 26 oktober 2010 een geldbedrag van 1001 euro en/of

- op 28 oktober 2010 een geldbedrag van 190 euro en/of

- op 28 oktober 2010 een geldbedrag van 1008 euro en/of

- op 3 november 2010 een geldbedrag van 200 euro en/of

- op 9 november 2010 een geldbedrag van 1511 euro en/of

- op 11 november 2010 een geldbedrag van 306 euro en/of

- op 12 november 2010 een geldbedrag van 516 euro en/of

- op 11 december 2010 een geldbedrag van 526 euro en/of

- op 14 januari 2011 een geldbedrag van 513 euro en/of

- op 28 januari 2011 een geldbedrag van 2900 euro en/of

- op 4 februari 2011 een geldbedrag van 486 euro en/of

- op 28 februari 2011 een geldbedrag van 578 euro en/of

- op 11 april 2011 een geldbedrag van 625 euro en/of

- op 28 juni 2011 een geldbedrag van 578 euro en/of

- op 5 juli 2011 een geldbedrag van 115 euro en/of

- op 27 juli 2011 een geldbedrag van 578 euro en/of

- op 25 juni 2012 een geldbedrag van 2296 euro,

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans van (een) voorwerp(en), te weten bovengenoemd(e) geldbedragen(en), gebruik gemaakt, door voornoemd(e) geldbedrag(en) over te maken en/of te ontvangen via [tussenpersoon] en/of te wisselen bij [wisselkantoor] (een wisselkantoor), terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat voornoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Vrijspraak

Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte onder 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 22 oktober 2012, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een hoeveelheid bankbiljetten ter waarde van 10.000 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedrag

- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverweging

De verdachte is op 22 oktober 2012 op Schiphol aangehouden met een geldbedrag in contanten van € 10.000,--. Het door de verdachte meegevoerde geldbedrag was verborgen in een met tape omwikkelde enveloppe in de binnenzak van zijn jas (€ 7.000,--) en in zijn onderbroek (€ 3.000,--). Bij deze stand van zaken was het vermoeden dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan witwassen gerechtvaardigd.

De verdachte heeft in zijn eerste verhoor op 23 oktober 2012 verklaard dat hij de € 10.000,-- in Milaan van ene [betrokkene] had gekregen om het aan ene Nana in Nederland te geven en dat hij (de verdachte) dacht dat het geld voor zaken betrof.

In zijn tweede verhoor op 25 oktober 2012 heeft de verdachte verklaard dat hij voor het overbrengen van het geld van Milaan naar Amsterdam een beloning zou krijgen van € 550,-- alsmede een vergoeding voor de kosten van het ticket. Tevens heeft de verdachte verklaard dat het geldbedrag van € 10.000,- niet legaal was en dat hij in zijn eerste verhoor daarover had gelogen. Daarmee acht het hof de later door de verdachte ingebrachte schriftelijke verklaring van [getuige] van 12 februari 2013, inhoudende dat de verdachte de € 10.000,-- van haar had ontvangen om een auto voor haar te kopen ongeloofwaardig.

Het voorgaande brengt het hof tot het oordeel dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag van

€ 10.000,-- een criminele herkomst heeft en dat de verdachte hiervan wetenschap droeg.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en voor het onder 1 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen van een groot geldbedrag. Door witwassen wordt bewerkstelligd dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht van politie en justitie worden onttrokken en daaraan een schijnbaar legale herkomst wordt verschaft. Aldus wordt het plegen van criminele activiteiten in stand gehouden en indirect ook bevorderd. Witwassen tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.

Anderzijds heeft het hof laten meewegen dat de verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 17 juni 2014 niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld en hij oprecht spijt lijkt te hebben van zijn handelen.

Het hof acht, alles afwegende, de door de advocaat-generaal gevorderde taakstraf passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. H.J. Bronkhorst en mr. D. Radder, in tegenwoordigheid van

J.K. Krijnen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

9 juli 2014.

Mr. Van Woensel is buiten staat dit arrest te ondertekenen

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...]

[...][...][...]

[...]

[...][...]

[...][...][...][...]

[...]