Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:2699

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-07-2014
Datum publicatie
15-11-2015
Zaaknummer
200.143.111-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:13406, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2015:4490
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijk gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 8 juli 2014

Zaaknummer: 200.143.111/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/205696 / FA RK 13-2790

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. K. Renssen te Den Haag,

tegen

[de vrouw] ,

wonende op een geheim adres te […] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. G.J. van der Klei te Nieuw‑Vennep, gemeente Haarlemmermeer.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 7 maart 2014 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 18 december 2013 van de rechtbank Noord‑Holland, met kenmerk C/15/205696 / FA RK 13-2790.

1.3.

De vrouw heeft op 17 april 2014 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zaak is op 18 juni 2014 ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de heer W. Daalderop, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de Raad).

2 De feiten

Partijen hebben een relatie gehad tot eind 2011. Uit hun relatie zijn geboren [naam kind a] (hierna: [kind a] ) [in] 2008 en [naam kind b] (hierna: [kind b] ) [in] 2010. De man heeft de kinderen erkend. Tot aan de bestreden beschikking hadden partijen gezamenlijk het gezag over [kind a] . De vrouw is alleen belast met het gezag over [kind b] . De kinderen verblijven bij de vrouw.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is op het daartoe strekkende verzoek van de vrouw het gezamenlijk gezag van partijen over [kind a] beëindigd en is bepaald dat het eenhoofdig gezag toekomt aan de vrouw.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek van de vrouw alsnog af te wijzen.

3.3.

De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

De man is van mening dat de rechtbank ten onrechte is afgeweken van het wettelijk uitgangspunt dat de ouders gezamenlijk belast zijn met het gezag over hun kinderen. Hij heeft een alcoholverslaving gehad, maar hiervoor is hij succesvol behandeld bij Mirage Verslavingszorg. Zijn verslavingsproblematiek is hiermee onder controle en hij bezoekt daartoe voorts nog steeds wekelijks meermalende meetings. Inmiddels is er ook weer omgang met de kinderen: eenmaal per twee weken op zaterdag van 14.00 uur tot 18.00 uur, waarbij de vrouw op de achtergrond steeds aanwezig is. Partijen zijn in staat via e-mail te communiceren over de omgang en overige met de kinderen samenhangende zaken. De man erkent dat hij in het verleden als gevolg van zijn verslavingsgedrag weinig interesse heeft getoond in de kinderen, maar hij wil thans meer betrokken worden bij de kinderen. Hij wil daartoe alles in het werk stellen. Er is volgens hem dan ook geen sprake van een onaanvaardbaar risico dat [kind a] klem of verloren zou raken tussen partijen. Ook anderszins is er geen reden die zich verzet tegen gezamenlijk gezag.

4.2.

De vrouw stelt dat de man nooit invulling heeft gegeven aan zijn gezag.

Zij droeg en draagt de volledige zorg voor de kinderen. Zij neemt alle belangrijke beslissingen omtrent de kinderen en zij heeft altijd alle praktische zaken voor de kinderen geregeld. Na de beëindiging van de relatie toonde de man geen interesse meer in de kinderen. De vrouw heeft voortdurend geprobeerd omgang tussen de man en de kinderen te bewerkstelligen, maar de man heeft zich telkens onverantwoordelijk gedragen door alcohol te nuttigen in het bijzijn van de kinderen en onder invloed auto te rijden. Overleg met de man was onmogelijk en ten tijde van de procedure in eerste aanleg was er geen contact tussen partijen. De vrouw heeft haar vertrouwen verloren dat de man thans definitief zijn verslavingsproblematiek onder controle heeft omdat hij in het verleden na een behandeling meermaals een terugval heeft gehad. Inmiddels is de omgang hervat, maar de vrouw betwist dat partijen in staat zijn goed met elkaar te overleggen over belangrijke zaken met betrekking tot [kind a] . Er bestaat nog steeds een onaanvaardbaar risico dat [kind a] klem of verloren raakt tussen partijen. Voorts vreest de vrouw dat de kinderen, indien de man mede belast zou blijven met het gezag en zij zou komen te overlijden, aan zijn zorg zouden worden toevertrouwd, iets waartoe hij volgens haar niet in staat is.

4.3.

Ter zitting in hoger beroep heeft de man verklaard dat zijn alcoholverslaving inderdaad in het verleden tot grote problemen heeft geleid. Sinds 2 augustus 2013 is hij echter nuchter. Toch begrijpt de man, gezien zijn terugvallen in het verleden, het wantrouwen van de vrouw. Daarom heeft hij verzocht om de behandeling van de zaak een jaar aan te houden, in welke periode hij kan bewijzen dat hij nuchter kan blijven bij de kinderen betrokken is, en de vrouw hopelijk weer vertrouwen in hem zal krijgen.

De vrouw heeft zich, in het belang van [kind a] , akkoord verklaard met een aanhouding van de behandeling van de zaak.

Het hof zal, zoals reeds ter zitting met partijen besproken, de behandeling van de zaak daarom pro forma met een jaar aanhouden, tot zondag 19 juli 2015. Partijen dienen het hof uiterlijk een week vóór 19 juli 2015 schriftelijk te informeren over de stand van zaken en het gewenste verdere verloop van de procedure, of eerder als daar aanleiding toe is.

4.4.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

houdt de behandeling van de zaak pro forma aan tot zondag 19 juli 2005, met het verzoek aan partijen het hof uiterlijk één week voordien schriftelijk te berichten over het gewenste verdere verloop van de zaak;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Wigleven, A.V.T. de Bie en R.G. Kemmers in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2014.