Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:2690

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-05-2014
Datum publicatie
11-07-2014
Zaaknummer
200.144.669/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

beëindiging schuldsaneringsregeling, artikel 350, derde lid, Fw, niet voldaan aan inlichtingenplicht waardoor de bewindvoerder zijn controlerende taak niet heeft kunnen uitvoeren, niet opgeven inkomsten partner.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.144.669/01

insolventienummer rechtbank Amsterdam : C/13/11/488-R

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 mei 2014

in de zaak van

[appellante],

wonend te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. G.M.Y. Blokland te [vestigingsplaats].

1 Het geding in hoger beroep

Appellante wordt hierna [appellante] genoemd.

[appellante] is bij op 3 april 2014 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 maart 2014, waarbij de door de rechter-commissaris gedane voordracht tot tussentijdse beëindiging van de op [appellante] van toepassing zijnde schuldsaneringsregeling is toegewezen.

Het hoger beroep is behandeld op de zitting van het hof van 20 mei 2014. Bij die behandeling is [appellante] verschenen, bijgestaan door mr. Blokland voornoemd die het verzoekschrift heeft toegelicht aan de hand van een pleitnotitie die aan het hof is overgelegd. Voorts is [de bewindvoerder] verschenen.

Het hof heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg en het verslag van de bewindvoerder van 9 mei 2014. [appellante] heeft verklaard eveneens kennis te hebben genomen van de genoemde stukken.

2 Beoordeling

2.1

[appellante] heeft in het verzoekschrift verzocht om het vonnis waarin de op haar toepasselijke schuldsaneringsregeling tussentijds werd beëindigd zonder schone lei, te vernietigen en haar alsnog in staat te stellen de wettelijke schuldsaneringsregeling te voltooien en met een schone lei af te ronden. [appellante] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat zij de bewindvoerder niet geïnformeerd heeft over het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de heer [X.]. Daartoe heeft [appellante] – samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – het volgende aangevoerd. [X.] is wel haar vriend, maar zij hebben geen stabiele relatie. [X.] heeft elders zijn hoofdverblijf en komt ongeveer drie dagen per week bij [appellante]. Onbekend is waar hij op dit moment verblijft. [X.] staat wel bij haar ingeschreven, maar er is dus geen sprake van een gemeenschappelijke huishouding. Daarom kan zijn inkomen niet meegenomen worden in de berekening van het vrij te laten bedrag, aldus [appellante]. Bovendien is onbekend wat voor werk hij thans doet. [X.] heeft wel ongeveer € 100,- per maand bijgedragen in de kosten van de huishouding. Als er al sprake is van een boedelachterstand, dient deze gebaseerd te worden op deze bijdrage van € 100,- per maand. [appellante] heeft de bewindvoerder bovendien reeds bij het huisbezoek medegedeeld dat zij een vriend had. Gezien de prille relatie, wilde [appellante] [X.] niet belasten met haar financiële problemen. [appellante] heeft niet beseft dat de inschrijving van [X.] zoveel problemen kon veroorzaken en zal de Belastingdienst verzoeken het fiscaal partnerschap ongedaan te maken, zodra zij op de hoogte is van de werkelijke verblijfplaats van [X.]. Zij verzoekt de beslissing over de schuldsanering in de tussentijd aan te houden.

2.2

De bewindvoerder heeft aangevoerd dat de inschrijving van de partner per 16 juni 2011 op het adres van [appellante] niet gemeld was en dat [appellante] op de formulieren steeds heeft aangegeven dat zij alleenstaand ouder was. Pas toen de Belastingdienst het Kindgebondenbudget 2012 zonder duidelijke reden op nihil had gesteld, werd het de bewindvoerder duidelijk dat [appellante] een partner had met een eigen inkomen. Weliswaar verklaart [appellante] nu dat zij niet samenwoont met haar partner, maar stukken om dit aan te tonen heeft [appellante] niet overgelegd, aldus de bewindvoerder. Voorts heeft [appellante] slechts één loonstrook van haar partner overgelegd. Uitgaande van die loonstrook heeft de bewindvoerder de boedelachterstand van [appellante] berekend op (tenminste) € 13.686,23. Dat [appellante] zich niet heeft gerealiseerd welke gevolgen de inschrijving van haar partner op haar woonadres voor gevolgen zou hebben, dient naar de mening van de bewindvoerder voor rekening en risico van [appellante] te komen.

2.3

Het hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat - zoals in het bijzonder blijkt uit artikel 350, derde lid, Fw - vergaande verplichtingen rusten op de schuldenaar op wie de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is. Deze verplichtingen vinden hun grond in de doelstelling van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Die komt erop neer, dat natuurlijke personen die in een uitzichtloze financiële situatie terecht zijn gekomen, de kans moeten krijgen weer met een schone lei verder te gaan. Daar staat echter tegenover dat van de schuldenaar een actieve medewerking wordt verwacht aan de doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling.

Op de schuldenaar rust onder meer de verplichting tot het verschaffen van die inlichtingen waarvan de schuldenaar weet of behoort te begrijpen dat zij van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling.

[appellante] heeft nagelaten de bewindvoerder (spontaan en tijdig) in kennis te stellen van de inschrijving van haar partner op haar woonadres en van zijn loongegevens. Ook als uitgegaan wordt van de eigen verklaring van [appellante], namelijk dat zij wel aan de bewindvoerder heeft gemeld ten tijde van het huisbezoek dat zij een partner had en dat de bewindvoerder daar geen bezwaar tegen had mits [appellante] de loongegevens zou overleggen op het moment dat haar partner werk had, valt niet in te zien waarom [appellante] niet eerder loongegevens van haar partner heeft verstrekt aan de bewindvoerder. Gezien de eigen verklaring van [appellante] hieromtrent en de regels van de schuldsanering die haar bij het huisbezoek zijn uitgereikt, had het haar duidelijk moeten zijn dat zij haar partner niet uit de wind kon houden zoals zij beoogde. Zij heeft essentiële informatie, de inschrijving van haar partner op haar adres en zijn loongegevens, achtergehouden, waardoor de bewindvoerder haar controlerende taak niet kon uitoefenen. Het niet verstrekken van deze inlichtingen vormt een voldoende aanwijzing dat bij [appellante] de van haar te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt. Wat [appellante] heeft aangevoerd brengt niet mee dat dit haar niet kan worden toegerekend. Dat de inschrijving van haar partner op haar adres, hoewel hij naar haar zeggen elders zijn hoofdverblijf heeft, grote gevolgen heeft die zij niet heeft kunnen overzien, komt voor rekening en risico van [appellante]. Zij had zich dat moeten realiseren. De tekortkoming is ook niet zo gering dat de beëindiging van de schuldsanering om die reden, met alle daaraan verbonden nadelen voor [appellante], ongerechtvaardigd zou zijn.

Door het niet (tijdig) verstrekken van de gegevens is er bovendien een, op basis van het enige verifieerbare stuk, de loonstrook van de partner, een geschatte boedelachterstand ontstaan van € 13.686,23. [appellante] heeft geen concreet en haalbaar voorstel gedaan tot aflossing van deze schuld.

Ten slotte houdt het hof de zaak niet aan ten einde [appellante] in de gelegenheid te stellen het fiscaal partnerschap met terugwerkende kracht ongedaan te maken. Het hof acht het niet waarschijnlijk dat de inschrijving van [X.] op het adres van [appellante] met terugwerkende kracht ongedaan gemaakt kan worden en evenmin dat het fiscaal partnerschap met terugwerkende kracht teniet gedaan kan worden.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.M. Tillema, M.W.E. Koopmann en G.H. Lankhorst en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.