Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:2487

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-06-2014
Datum publicatie
05-12-2014
Zaaknummer
23-005697-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verweer over ontbreken van aanwijzingen voor invoer van cocaïne met koffer vanuit Peru verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/33
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-005697-13

datum uitspraak: 27 juni 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 19 december 2013 in de strafzaak onder parketnummer 15-801031-13 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

adres: [adres], thans gedetineerd in [P.I.].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 juni 2014, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 10 september 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 11.063 gram, althans een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 14 augustus 2013 tot en met 10 september 2013 te Lima,

althans Peru en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van

artikel 10 van de Opiumwet, te weten het in vereniging opzettelijk binnen het grondgebied van

Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, te bevorderen,

een of meer anderen gelegenheid tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, heeft/

is/ hebben/ zijn verdachte en/of zijn mededader(s)

- een vliegticket gekocht en/of betaald en/of ontvangen voor de reisroute Londen- Amsterdam

(op 15 augustus 2013) en/of Amsterdam- Lima (op 15 augustus 2013) en/of Lima- Amsterdam

(26 augustus 2013) en/of Amsterdam- Londen (op 27 augustus 2013) en/of

- voornoemd ticket omgeboekt en/of (vervolgens) in ontvangst genomen, waarmee de reis Lima-

Amsterdam is verzet naar 9 september 2013 en de reis Amsterdam- Londen is verzet naar 10

september 2013 en/of

- van Londen naar Amsterdam en/of van Amsterdam naar Lima gereisd en/of

- ( volgens instructie) zich naar de luchthaven in Lima begeven en/of

- ( volgens instructie) aldaar een stuk ruimbagage ingecheckt voor de vlucht Lima- Amsterdam

(KL0744) en Amsterdam- Londen (KL1029) en/of

- ( volgens instructie) aldaar zelf ingecheckt voor voornoemde vlucht, waarna hij, verdachte,

daadwerkelijk van Lima naar de luchthaven Schiphol is gereisd,

terwijl hij wist en/of had ingestemd dat op zijn naam iets in zijn koffer zou worden gestopt door

derden en/of zijn koffer met een soortgelijke koffer omgewisseld zou worden door derden, nadat

zijn koffer was ingecheckt.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof de voorkeur geeft aan een andere bewijsconstructie dan de door de rechtbank gebezigde en voorts tot een andere strafoplegging komt.

Bespreking van de ter terechtzitting gevoerde verweren

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe – kort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

a. a) De verbalisant [verbalisant 1] heeft, blijkens het door hem opgemaakte proces-verbaal (dossier, pagina’s 010 e.v.), van een collega vernomen dat bij de controle van de ruimbagage van de verdachte pakketten met vermoedelijk cocaïne waren aangetroffen, waarna de verdachte – zonder dat hem de cautie was gegeven – desgevraagd het een en andere heeft verklaard. Op het moment van het aantreffen van de vermoedelijke cocaïne in een aan de verdachte te linken koffer, had aan de verdachte de cautie moeten worden gegeven; dat is echter niet gebeurd. Gelet hierop is sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en dient voornoemd proces-verbaal van het bewijs te worden uitgesloten.

b) Het blijkt niet dat de verdachte al dan niet tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk cocaïne heeft ingevoerd. Er zijn in het dossier aanwijzingen dat door anderen met de koffer van de verdachte in Peru is gerommeld: de in Peru ingecheckte koffer heeft niet hetzelfde gewicht als de in beslag genomen koffer waar de verdovende middelen zijn aangetroffen. Daarnaast zou de aanwezigheid van één bagagelabel met een snede daarin en het aantreffen van gele tape op de trekstang van de door de verdachte ingecheckte koffer tot de conclusie kunnen leiden dat de verdachte koffer ‘A’ heeft ingecheckt, waarna het bagagelabel is verwijderd en om koffer ‘B’ is geplaatst.

Het hof overweegt als volgt.

Ad a) De verbalisant [verbalisant 1] heeft de verdachte op 10 september 2013 aan een douanecontrole onderworpen. Op een bepaald moment, naar het hof begrijpt om 16.30 uur, heeft [verbalisant 1] van een collega, verbalisant [verbalisant 2], vernomen dat bij controle op 10 september 2013 omstreeks 16.10 uur van de ruimbagage van de verdachte pakketten met vermoedelijk cocaïne waren aangetroffen. Omstreeks 16.30 uur heeft verbalisant [verbalisant 2] de koffers overgedragen aan de douanecollega’s van cargo. Verbalisant [verbalisant 2] is hierover geïnformeerd. Vanaf 16.30 uur, het moment van aanvang van het gesprek met de verdachte kon hij als verdachte in de zin van artikel 27 Sv worden aangemerkt. [verbalisant 1] had hem bij aanvang van het gesprek de cautie moeten geven. Nu dit niet gebeurd is, doet zich een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv voor. Dit verzuim kan niet meer worden hersteld. Gelet op het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt, is het hof van oordeel dat het proces-verbaal van aanhouding en bevindingen opgemaakt door [verbalisant 1] (dossier doorgenummerde pagina’s 010 ev.) van het bewijs dient te worden uitgesloten.

b) Op 10 september 2013 heeft op de luchthaven te Schiphol een controle plaatsgevonden op de transferbagage van een vlucht komende uit Lima. In de rolkoffer op naam van de verdachte is een rugtas aangetroffen met daarin een aantal met grijs tape omwikkelde pakketten (proces-verbaal van bevinding en overdracht, dossier doorgenummerde pagina 015). De verdachte heeft op 12 september 2013 verklaard dat hij één zwarte koffer heeft ingecheckt en dat dit precies dezelfde koffer was als waar de drugs in zijn aangetroffen. De verdachte verklaart aanvankelijk dat de bagage met een codeslotje was afgesloten, maar verklaart daarna dat er geen code op zat en dat de bagage gemakkelijk te openen was. Verder heeft de verdachte verklaard dat hij een claimtag heeft ontvangen die hij tijdens de raadkamer gevangenhouding aan de officier van justitie heeft overgedragen. De verdachte verklaart dat hij denkt dat de koffer een gewicht had van ongeveer 10 kilo. Het nettogewicht van de aangetroffen stof bedroeg in totaal circa 11.963 gram. Een aantal representatieve monsters is ter analyse naar het Douane Laboratorium te Amsterdam overgebracht (proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, doorgenummerde pagina’s 061-062) alwaar na onderzoek bleek dat het materiaal cocaïne bevatte (rapport Douane Laboratorium).

Gelet op de ontkenning van de verdachte dat hij iets van de cocaïne in zijn koffer geweten heeft, overweegt het hof dat de aanwezigheid van een identieke tweede koffer zonder label maar met de kleding van de verdachte erop wijst dat de verdachte voor het moment van inchecken in Peru wist van de voorgenomen smokkelactie en daaraan zijn medewerking heeft verleend. Om snel handelen tijdens de bagageafwikkeling in Peru mogelijk te maken moest een identieke koffer, geladen met cocaïne, klaarstaan om deze snel te voorzien van het bagagelabel dat om de ingecheckte koffer was gehangen. Aan het voorzien in een identieke koffer moet de verdachte in enige vorm zijn medewerking hebben gegeven en daarmee willens en wetens de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat het (doen) aanschaffen van een identieke koffer tot het binnenbrengen in Nederland van een hoeveelheid cocaïne zou leiden.

Het hof kent daarnaast betekenis toe aan de omstandigheid dat de verklaringen van de verdachte dat een vriend een ticket voor hem heeft gekocht omdat hij zelf geen inkomen heeft en dat hij naar een vriend in Lima reisde omdat een vriend van hem daar een restaurant probeerde te openen niet te verifiëren zijn doordat de verdachte geen enkel nader gegeven heeft verstrekt. De verdachte geeft voorts onjuiste informatie over het gewicht van zijn koffer, hij lijkt niet te weten of de koffer is afgesloten met een codeslot en hij heeft evenmin een aannemelijke verklaring voor de wijziging van de reisdata.

Het hof vermag tot slot niet in te zien wat het (overigens geringe) verschil in gewicht tussen de door de verdachte ingecheckte koffer en de in beslag genomen koffer bijdraagt aan de stelling van de raadsman dat aan de kant van de verdachte geen sprake was van een vooropgezet plan om de cocaïne in Nederland in te voeren. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Primair

hij op 10 september 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 51 maanden met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het (naar het hof begrijpt:) primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft tezamen en in vereniging met (een) andere(n) opzettelijk een hoeveelheid van circa 11.963 gram cocaïne in Nederland ingevoerd. Gelet op de hoeveelheid is deze cocaïne bestemd geweest voor de handel. Cocaïne is een voor de volksgezondheid schadelijke stof. Bovendien gaat de handel in cocaïne gepaard met allerlei andere vormen van criminaliteit.

Het hof heeft bij de strafmaat, ten voordele van de verdachte, acht geslagen op het feit dat hij, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 3 juni 2014, niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk is veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 (achtenveertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.W.J. de Groot, mr. A.P.M. van Rijn en mr. F.L. Muskens, in tegenwoordigheid van mr. S. Egidi, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 juni 2014.

Mr. F.L. Muskens is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[...]