Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:2448

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-06-2014
Datum publicatie
29-09-2014
Zaaknummer
200.132.417-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

overlijdensrisicoverzekering bij geldlening- verzwijging ivm gezondheidstoestand

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2015/6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

---------------------------------------------------------------------------------------------------------

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.132.417/01

zaak-rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/523100/HA ZA 12-933

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 juni 2014

inzake

[appellante],

wonend te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. A.J.G. Vegt te Rotterdam,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JUBILEE EUROPE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.T. Spronck te Apeldoorn.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en Jubilee genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 7 augustus 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 mei 2013, onder bovengenoemd zaak-rolnummer gewezen tussen [appellante] als eiseres en Jubilee als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 10 maart 2014 doen bepleiten, [appellante] door haar voormelde advocaat, en Jubilee door mr. L. van den Ham-Leerkes, advocaat te Apeldoorn, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft in hoger beroep geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog haar vorderingen zal toewijzen met veroordeling van Jubilee in de proceskosten, met rente en nakosten.

Jubilee heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met verbetering van gronden, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten, inclusief buitengerechtelijke kosten en nakosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.12 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.1.

[appellante] is de weduwe van de heer [echtgenoot] (hierna:

[echtgenoot]). [echtgenoot] is op 20 juli 2011 overleden aan prostaatkanker.

3.1.2.

Op 25 augustus 2009 hebben [appellante] en [echtgenoot] een geldlening afgesloten met Santander Consumer Finance Benelux B.V. (hierna: Santander) en, gelijktijdig, een overlijdensrisicoverzekering met (de rechtsvoorgangster van) Jubilee. De rechtsvoorgangster van Jubilee is daarbij opgetreden als gevolmachtigde van een Lloyds Syndicaat als verzekeraar.

3.1.3.

Op het polisblad van de overlijdensrisicoverzekering (hierna ook de verzekering) is vermeld, voor zover hier van belang:

Ondergetekende(n) verkla(a)r(t)en:

(…)

- momenteel een goede gezondheid te bezitten en niet jonger dan 18 jaar en niet ouder dan 72 jaar te zijn;

- momenteel geen aandoeningen te hebben die medische behandeling vereisen;

(…)

Mededelingsplicht:

Als verzekerde bent u verplicht de gestelde vragen en verklaringen zo volledig mogelijk te beantwoorden. (...) Indien u niet of [het hof begrijpt: niet] volledig aan uw mededelingsplicht heeft voldaan, kan zulks ertoe leiden dat het recht op uitkering wordt beperkt of zelfs vervalt. (...)

Indien u de voorgaande verklaring niet zonder meer kunt ondertekenen dient u het formulier met aanvullende vragen in te vullen en te ondertekenen. De verzekeraar kan dan aan de hand van de aanvullende informatie de acceptatie van het risico beoordelen. (...)

Het polisblad met deze verklaring is zonder commentaar door [echtgenoot] ondertekend.

3.1.4

De kanker waaraan [echtgenoot] is overleden, is ontstaan na de ingangsdatum van de verzekering.

3.1.5

[echtgenoot] had op 7 december 2005 een myocardinfarct (hartinfarct) doorgemaakt. Zijn cardioloog heeft aan de huisarts van [echtgenoot] op 23 januari 2008 bericht: “(...) Anamnese: cardiaal bezien gaat het met de patiënt goed. Er zijn geen aanwijzingen voor recidief angina pectoris dan wel tekenen van ritmestoornissen en decompensatio cordis (…) zijn bloeddruk is meestal fraai met een waarde van 110/70 mmHg(…) conclusie: goede cardiale status na onderwandinfarct.(…) huidige medicatie: Metoprolol 2 dd 50, Ascal 1 dd 100, Lipitor 1 dd 40 (mogelijk op Coversyl hoestklachten). Verdere controle (-afspraak, leest het hof) werd niet gemaakt. ”

3.1.6

[X], cardioloog, heeft in antwoord op een vraag van de advocaat van [appellante] bij mail van 27 december 2012 gemeld “(…) In zijn algemeenheid: de meeste patiënten na een myocardinfarct krijgen een combinatie van medicamenten waaronder een betablokker (metoprolol), een ace-remmer (coversyl), een statine (lipitor) en aspirine (..). Dit is een zeer gebruikelijke combinatie.(..).” Desgevraagd heeft hij op 28 december 2012 verduidelijkt “ (…) deze medicatie heeft geen relatie met de gezondheidstoestand van de patiënt. De medicatie is met name bedoeld ter preventie van toekomstige cardiale accidenten.(…)

3.1.7

[appellante] heeft na het overlijden van [echtgenoot] aanspraak gemaakt op uitkering van het verzekerde bedrag op basis van de overlijdensrisicoverzekering.

3.1.8.

Jubilee heeft haar medisch adviseur verzocht om advies uit te brengen en vervolgens, na ontvangst van dat advies, de claim van [appellante] bij brief van 19 december 2011 afgewezen.

3.2.

[appellante] heeft in eerste aanleg primair gevorderd dat Jubilee zal worden veroordeeld tot betaling van € 35.562,11 aan Santander, te vermeerderen met rente en te verminderen met het door [appellante] aan Santander betaalde voorschot, en aan [appellante] het door [appellante] aan Santander betaalde voorschot vanaf de datum van overlijden van [echtgenoot], alles met rente en buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.158,-. Zij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat zich een verzekerd voorval heeft voorgedaan zodat zij recht heeft op uitkering uit hoofde van de verzekering. Nu Santander begunstigde onder de verzekering is dient aan haar te worden uitbetaald. Omdat Jubilee niet uitkeert is de betalingsverplichting uit hoofde van de kredietovereenkomst met Santander blijven bestaan; [appellante] is daarom voortgegaan met de maandelijkse betalingen aan Santander. Ook de door haar betaalde contractuele rente (ad 9,9% op jaarbasis) dient Jubilee daarom, als vertragingsschade, te vergoeden. Jubilee heeft hiertegen aangevoerd dat [echtgenoot] niet aan zijn mededelingsplicht heeft voldaan, zodat zij ingevolge art. 7:930 lid 4 BW niet gehouden is tot uitkering over te gaan.

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellante] integraal afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten, omdat, kort gezegd, [echtgenoot] zijn mededelingsplicht heeft geschonden en Jubilee bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben afgesloten.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] met haar grieven op.

3.3.

Grief 1 klaagt over het oordeel van de rechtbank dat de verklaringen op het polisblad geen vragenlijst in de zin van art. 7:928 lid 6 BW zijn. De grieven 2 en 3 bestrijden het oordeel van de rechtbank dat [echtgenoot] zijn mededelingsplicht geschonden heeft. Grief 4 ziet op de aan de tussenpersoon verstrekte inlichtingen en grief 5 op het oordeel dat Jubilee, als zij de ware stand van zaken had gekend, geen verzekering zou hebben gesloten. Grief 6 ziet op de vaststelling dat [echtgenoot] 5 (en niet 4) medicijnen nam.

Medicijnen

3.4

Het hof ziet aanleiding om grief 6 eerst te behandelen en stelt vast dat deze slaagt. Tussen partijen stond al -en staat nog steeds- vast, dat [echtgenoot] metoprolol, coversyl, lipitor en carbasalaatcalcium nam ten tijde van het sluiten van de verzekering. In geschil is, of hij toen al het hem op enig moment voorgeschreven medicijn amlopidine (een middel dat de bloeddruk beïnvloedt) gebruikte.

Uit de thans overgelegde brief van de huisarts van [echtgenoot] blijkt, dat laatstgenoemd medicijn voor het eerst aan [echtgenoot] is voorgeschreven op 30 maart 2011 (derhalve ruim na het sluiten van de verzekering).

In de memorie van antwoord stelt Jubilee slechts, dat het in haar optiek niet ter zake doet of [echtgenoot] toen al dan niet amlopidine gebruikte; een betwisting valt daarin niet te lezen. Bij pleidooi verwijst Jubilee echter naar de brief van de huisarts van 27 november 2011 en baseert daarop een betwisting op dit punt. Deze baat haar niet. Weliswaar schrijft de huisarts op 27 november 2011: ”voor 25 augustus 2009 was patiënt als ingeschreven in mijn huisartsenpraktijk. Medicatie destijds (…) amlodipine(..)”, maar dezelfde huisarts heeft, toen hem concreet daarnaar werd gevraagd, in 2013 schriftelijk aan de advocaat van [appellante] gemeld dat bedoeld middel pas op 30 maart 2011 is voorgeschreven. Het hof beschouwt dit als een correctie van de huisarts op de eerdere opgave. Jubilee heeft daar ook niets anders tegenover gesteld. Dat betekent, dat thans vast staat dat [echtgenoot] slechts de door [appellante] genoemde medicatie gebruikte.

Schending mededelingsplicht

3.5

Toen [echtgenoot] het polisblad op 25 augustus 2009 ondertekende, moet hem duidelijk zijn geweest dat hij daarmee had verklaard “momenteel geen aandoeningen te hebben die medische behandeling vereisen”. Daargelaten of dat polisblad als vragenlijst in de zin van de wet valt te beschouwen, uit die tekst moest [echtgenoot] in redelijkheid begrijpen dat voor het sluiten van de overlijdensrisicoverzekering voor Jubilee van belang was of [echtgenoot] wel of geen aandoeningen had die medische behandeling vereisten. Dit volgt ook uit de passage onder het kopje “Mededelingsplicht”, luidende: “Indien u de voorgaande verklaring niet zonder meer kunt ondertekenen dient u het formulier met aanvullende vragen in te vullen en te ondertekenen. De verzekeraar kan dan aan de hand van de aanvullende informatie de acceptatie van het risico beoordelen.”

Dat Jubilee belang stelde in meer of andere informatie, bijvoorbeeld omtrent medicijngebruik of medische voorgeschiedenis, blijkt uit dat polisblad niet en behoefde [echtgenoot] in redelijkheid ook niet te begrijpen. Het formulier met aanvullende vragen zou hij immers pas hoeven invullen als hij de verklaring -dat hij momenteel geen aandoeningen had die medische behandeling vereisen- niet zonder meer zou kunnen ondertekenen.

3.6

De centrale stelling van Jubilee is dat [echtgenoot] door genoemde verklaring te ondertekenen zijn mededelingsplicht heeft geschonden. Om die stelling te kunnen beoordelen moet eerst worden vastgesteld wat precies, in de visie van Jubilee, in de weg stond aan het ondertekenen van die verklaring, met andere woorden wat volgens haar door [echtgenoot] medegedeeld had moeten worden.

Geen tweede infarct

3.7

In eerste aanleg heeft Jubilee gesteld dat [echtgenoot] had moeten melden dat hij na het (vaststaande) eerste infarct nog een tweede infarct had doorgemaakt. Hoewel zij haar standpunt inmiddels voorzichtiger formuleert begrijpt het hof dat zij dat nog steeds (primair) staande houdt.

Dat [echtgenoot] nog een tweede infarct heeft doorgemaakt, zoals Jubilee stelt doch [appellante] bestrijdt, blijkt niet uit de onder 3.1.5 geciteerde brief uit 2008 van de cardioloog. In de berichtgeving van de huisarts blijkt daarvan evenmin. Een tweede infarct wordt slechts in berichten van de uroloog en de internist uit 2011 (opgesteld in verband met de behandeling van de inmiddels opgetreden kanker) vermeld. [appellante] heeft navraag gedaan bij het ziekenhuis aangaande dat tweede infarct. Uit de bij memorie van grieven gevoegde stukken blijkt dat van een tweede infarct in het ziekenhuis waar [echtgenoot] werd behandeld geen gegevens bekend zijn en dat niet achterhaald is kunnen worden waar deze vermelding vandaan komt.

Op Jubilee rust de stelplicht en bewijslast aangaande de beweerdelijk verzwegen omstandigheden. Nu Jubilee in eerste noch in tweede aanleg nadere stellingen op dit punt heeft betrokken en in elk geval niet concreet heeft gesteld (laat staan onderbouwd) dat dit tweede infarct vóór het tekenen van het polisblad heeft plaatsgehad zijn haar stellingen op dat punt onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd, zodat deze door het hof worden gepasseerd.

Infarct en medicatie

3.8

Vast staat dat [echtgenoot] voor het tekenen van het polisblad een myocardinfarct had doorgemaakt en de vier onder 3.4 genoemde medicijnen op doktersvoorschrift gebruikte. Jubilee meent, dat hij daarvan melding had moeten maken.

Uit de brief van de cardioloog blijkt dat het infarct in 2005 had plaatsgevonden en dat de toestand van het hart in januari 2008 goed was. De cardioloog heeft ook geen controlebezoeken gepland. Bij pleidooi spreekt Jubilee weliswaar over een als gevolg van het infarct deels afgestorven hartspier, doch dat daarvan sprake was bij [echtgenoot] onderbouwt zij niet en blijkt ook niet uit de beschikbare medische informatie. Van een relevant en concreet bewijsaanbod op dit punt is geen sprake, zodat het hof daaraan voorbijgaat. Aangenomen moet dan ook worden dat ten tijde van het ondertekenen van het aanvraagformulier/polisblad de toestand van [echtgenoot]’s hart goed was. Voorts is onweersproken dat [echtgenoot] zich ten tijde van het ondertekenen goed gezond voelde.

Het komt dus aan op de vraag of [echtgenoot], als redelijk verzekeringnemer, zijn medicijngebruik in combinatie met een jaren eerder doorgemaakt myocardinfarct diende aan te merken als een aandoening die medische behandeling vereist.

3.9

Een aandoening is volgens het groot woordenboek der Nederlandse taal van Van Dale, elfde uitgave, “een ziekelijke verandering in of aantasting van het lichaam of een van zijn delen.”

Op basis van de genoemde medische informatie en hetgeen hiervoor werd overwogen kan niet worden aangenomen dat het hart ziekelijk was aangetast of veranderd. Dat betekent, dat van een aandoening naar het oordeel van het hof geen sprake is geweest.

3.10

Zelfs als daarover anders geoordeeld zou worden leidt dat niet tot een mededelingsplicht, op grond van het volgende.

Als een status na infarct zou worden aangemerkt als aandoening vergt de tekst van het polisblad in aanvulling daarop dat deze aandoening behandeling vereist. De bepaling in haar geheel moet redelijkerwijs zo begrepen worden dat mededeling moet worden gedaan van een ziekelijke verandering of aantasting van het lichaam die medisch behandeld dient te worden (om daarin verbetering te bereiken dan wel om verergering of de dood te voorkomen).

3.11

Medische behandeling kan, naar Jubilee op zich terecht betoogt, bestaan in (louter) het voorschrijven van medicijnen. Die vaststelling laat zich echter niet omkeren. Het voorschrijven van medicijnen behoeft op zichzelf niet te betekenen dat sprake is van medische behandeling. Medicijnen kunnen -en worden in feite- in daarvoor in aanmerking komende gevallen ook louter preventief voorgeschreven, dat wil zeggen zonder dat de gezondheidstoestand van de patiënt daartoe aanleiding geeft, doch uitsluitend om ziekte of medische problemen in de toekomst te voorkomen.

De medicatie van [echtgenoot] in dit geval was, naar [appellante] stelt en door middel van de onder 3.1.5 en 3.1.6 geciteerde mails van de door haar geraadpleegde cardioloog ook deugdelijk heeft gestaafd, op die wijze, dus louter als voorzorg, voorgeschreven, zonder relatie met de gezondheidstoestand.

Uit de stellingen van Jubilee begrijpt het hof dat Jubilee met [appellante] eens is dat de medicatie bij [echtgenoot] was bedoeld als preventieve zorg, met name bedoeld om een nieuw infarct te voorkomen.

Als sprake is van preventief medicijngebruik bij een verzekeringnemer die in goede gezondheid verkeert, zoals [echtgenoot], brengt een redelijke uitleg van de litigieuze tekst naar het oordeel van het hof mee, dat dat preventieve medicijngebruik niet kan worden beschouwd als medische behandeling vereist voor een aandoening, ook niet als een eerder myocard infarct de aanleiding vormde voor dat gebruik.

3.12

Het hof is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, [echtgenoot] als redelijk verzekeringnemer door ondertekening kon verklaren dat hij geen aandoening had die medische behandeling vereiste en dat een doorgemaakt infarct 3,5 jaar eerder en preventief medicijngebruik hem daarvan niet behoefde te weerhouden.

Dat hij aan de tussenpersoon, die in de verhouding tussen hem en Jubilee moet worden aangemerkt als hulppersoon van [echtgenoot], desalniettemin over zijn medische voorgeschiedenis heeft verteld doet daaraan niet af.

3.13

Dat oordeel betekent dat de grieven 2 en 3 slagen en de andere grieven belang missen.

Andere punten

3.14

In eerste aanleg heeft Jubilee nog verweer gevoerd tegen de exacte omvang van de vordering, in het bijzonder op het punt van de rente en de ingangsdatum daarvan. [appellante] handhaaft haar vordering op dit punt en heeft ter zitting heeft verklaard -en Jubilee heeft niet weersproken- dat zij nog steeds maandelijks aan Santander betaalt, op basis van de oorspronkelijke kredietovereenkomst (zij het dat een betalingsregeling wordt gehanteerd met een lager maandbedrag). Over de ingangsdatum zijn partijen het inmiddels eens, die is 19 december 2011. Dat geldt niet voor het percentage. Hoewel Jubilee het verweer op dit punt niet heeft herhaald heeft zij het ook niet prijsgegeven, zodat het hof daarop moet beslissen.

3.15

Nu de vordering van [appellante] uitsluitend een nakomingsvordering onder de polis is, is slechts de wettelijke rente van art. 6:119 BW verschuldigd. De schade die is ontstaan door de vertraging is door de wetgever gefixeerd op die rente.

3.16

Het hof beschouwt het in eerste aanleg door Jubilee gevoerde verweer tegen de buitengerechtelijke incassokosten als gehandhaafd, nu daarover niets is opgemerkt. Dat verweer snijdt hout. De enige toelichting van de vordering van [appellante] op dit punt is te vinden in de dagvaarding in eerste aanleg onder 28, waar gesteld is dat tevergeefs sommaties zijn gezonden; nadere toelichting of onderbouwing ontbreekt. Het enkel zenden van enkele sommaties behoort tot de werkzaamheden waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te houden.

3.17

De vordering zal alsnog worden toegewezen als na te melden.

Jubilee wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in beide instanties veroordeeld.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Jubilee tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Santander te betalen

€ 35.562,11 (vijfendertigduizend vijfhonderd tweeënzestig euro en elf cent), vermeerderd met de wettelijke rente per jaar vanaf 19 december 2011;

veroordeelt Jubilee in de kosten van het geding in beide instanties, tot op heden aan de zijde van [appellante] begroot op € 918,64 (eerste instantie) en € 775,82 (appel) aan verschotten en € 1.158,- (1e aanleg) en € 3.474,- (appel) voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

wijst af het meer of anders gevorderde;

verklaart dit arrest met betrekking tot deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, G.J. Visser en J.W. Hoekzema en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2014.