Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:240

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
20-03-2014
Zaaknummer
200.132.723/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om vervangende toestemming erkenning afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 4 februari 2014

Zaaknummer: 200.132.723/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: 515333 / FA RK 12-3152 MN SH

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante,

advocaat: mr. F.S.P. Gijsberti Hodenpijl te Amsterdam,

tegen

[…],

verblijvende in Forensisch Psychiatrische Kliniek [de kliniek] te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. N. van den Berg te Ede.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 26 augustus 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 29 mei 2013 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 515333/FA RK 12-3152 MN SH.

1.3.

De man heeft op 3 oktober 2013 een verweerschrift ingediend.

1.4.

Mr. R.T.P.H. Jacobs (hierna: de bijzondere curator) heeft op 21 november 2013 een reactie overgelegd.

1.5.

De zaak is op 16 december 2013 ter terechtzitting behandeld.

1.6.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de bijzondere curator.

1.7.

De advocaat-generaal is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2. De feiten

2.1.

Partijen hebben een relatie gehad. Uit hun relatie is geboren […] (hierna: [de minderjarige]) [in] 2011. De man is de verwekker van [de minderjarige], maar heeft haar niet erkend. De vrouw oefent alleen het ouderlijk gezag uit over [de minderjarige]. [de minderjarige] verblijft bij de vrouw.

2.2.

Bij beschikking van 23 mei 2012 van de rechtbank Amsterdam is mr. Jacobs voornoemd benoemd tot bijzondere curator over [de minderjarige].

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, overeenkomstig het verzoek van de man, aan hem toestemming gegeven als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) om [de minderjarige] te erkennen.

3.2.

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek van de man alsnog af te wijzen.

3.3.

De man verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:204 lid 3 BW kan de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, op verzoek van de man die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank worden vervangen, indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden en de man de verwekker is van het kind.

Dat de man de verwekker is van [de minderjarige] is niet in geschil, zodat uitsluitend nog dient te worden beoordeeld of de belangen van de vrouw en [de minderjarige] als bedoeld in genoemde bepaling worden geschaad door erkenning van [de minderjarige] door de man.

4.2.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat haar belang bij een ongestoorde verhouding met [de minderjarige] alsmede het belang van [de minderjarige] worden geschaad indien de man [de minderjarige] erkent. Hij is verslaafd aan cocaïne en pleegt gewelddelicten waarvoor hij thans (wederom) in detentie zit. De man is onvoorspelbaar en agressief. Hij heeft de vrouw mishandeld toen zij in verwachting was van [de minderjarige] en bedreigd om welke reden zij, met hulp van Bureau Jeugdzorg en de Blijf Groep, op een geheim adres woont. De vrouw heeft door de dreiging van de man fysieke stressklachten zoals hyperventilatie, hartkloppingen en rugklachten. Zij maakt gebruik van een Aware-apparaat. Door erkenning, zo vreest de vrouw, zal de man makkelijker achter haar adres kunnen komen. Hij zal dan ook omgang met [de minderjarige] willen hebben. De vrouw wil [de minderjarige] behoeden voor de teleurstelling die omgang volgens haar mee zal brengen.

De weerslag die dit alles op de vrouw heeft, zal ook van negatieve invloed zijn op [de minderjarige]. Het gaat bij de vrouw verder dan alleen emotionele weerstand. Mede vanwege haar jeugd – waarin zij uit huis geplaatst is geweest – is zij getraumatiseerd en labiel waardoor deze extra druk psychisch lijden bij haar veroorzaakt.

4.3.

De man betoogt dat het feit dat hij strafbare feiten heeft gepleegd geen reden is om hem niet zijn dochter te laten erkennen. Tijdens de eerste maanden van [de minderjarige's] leven heeft de man ook voor haar gezorgd. In de kliniek waar hij sinds mei 2012 verblijft op grond van een ISD-maatregel als bedoeld in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht, krijgt hij een behandeling tot maart 2015, waarna hij een vervolgbehandeling zal krijgen en onder toezicht van de reclassering blijft. Hij wordt getraind in agressiebeheersing en in cognitieve en sociale vaardigheden. Verder is hij aan het werk. Daar reist hij zelf heen, evenals naar de zitting in hoger beroep. Deze vrijheid heeft hij niet gebruikt om de vrouw (opnieuw) te stalken. Met zijn vijftienjarige dochter [x] uit een eerdere relatie heeft hij dagelijks telefonisch contact en hij ziet haar eens per twee weken. De man benadrukt dat [de minderjarige] er recht op heeft te weten van wie zij afstamt. Als hij zijn leven weer op orde heeft, zou hij bovendien graag contact met haar willen hebben. De man vreest dat de vrouw haar partner [de minderjarige] zal laten erkennen als zijn verzoek alsnog wordt afgewezen.

4.4.

De bijzondere curator heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de zorgen van de vrouw vooral gebaseerd zijn op het verleden. De bijzondere curator ziet echter dat de man zich in positieve zin heeft ontwikkeld in [de kliniek]. Hij valt de vrouw niet meer lastig. Hoewel er in het verleden incidenten tussen partijen hebben plaatsgevonden die de angst van de vrouw voor de man goed verklaren, lijkt het erop dat de man in de toekomst geen gevaar meer zal zijn voor de vrouw zodat haar ongestoorde verhouding met [de minderjarige] niet bedreigd zal worden. Gezien ook de wet die de aanspraak op erkenning als uitgangspunt hanteert, is het verzoek van de man volgens de bijzondere curator terecht toegewezen door de rechtbank.

4.5.

Het hof overweegt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie dient bij de afweging van de belangen van de betrokkenen als uitgangspunt te gelden dat zowel het kind als zijn verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking.

Voor de vraag of het verzoek van de man terecht is toegewezen, dient diens belang bij erkenning te worden afgewogen tegen de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met [de minderjarige] en de belangen van [de minderjarige]. Van schade aan de belangen van [de minderjarige] kan worden gesproken indien ten gevolge van de erkenning voor haar reële risico’s ontstaan dat zij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Dit kan onder meer het geval zijn wanneer haar moeder ten gevolge van de erkenning in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is [de minderjarige] het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat zij nodig heeft.

4.6.

Ter onderbouwing van haar stelling dat zij in een onevenwichtige toestand raakt bij erkenning, heeft de vrouw onder meer naar het strafrechtelijk verleden van de man verwezen. Gebleken is dat de man is veroordeeld voor onder meer inbraak en diefstal met geweld. In het kader van een ISD-maatregel heeft hij van 2006 tot 2008 in een kliniek verbleven en sinds mei 2012 is dat opnieuw het geval. Tijdens de zwangerschap van de vrouw heeft de man haar mishandeld, ter onderbouwing waarvan de vrouw een brief van haar huisarts van 7 mei 2012 heeft overgelegd. Vanwege bedreiging, intimidatie en stalking door de man heeft de vrouw via Bureau Jeugdzorg en de Blijf Groep, die door de politie zijn ingeschakeld, een geheim adres gekregen alsmede een Aware-apparaat met behulp waarvan zij direct de meldkamer in kan schakelen wanneer de man in haar buurt komt. Bij de stukken bevindt zich een politieaangifte van 19 december 2011 ter zake van bedreiging door de man en een aangifte ter zake van stalking door de man.

Daar staat tegenover dat de vrouw het Aware-apparaat niet heeft hoeven gebruiken. Weliswaar was de man gedetineerd, maar gebleken is dat hij sinds augustus 2013 meer vrijheid heeft gekregen om de kliniek te verlaten en dat hij die kennelijk niet heeft gebruikt om contact te zoeken met de vrouw. Voorts hebben de aangiftes van de vrouw niet geleid tot een veroordeling van de man.

Desalniettemin is het hof van oordeel dat de man, tegenover de gemotiveerde en onderbouwde stellingen van de vrouw ten aanzien van haar relatie met de man en de periode na hun uiteengaan, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de angst van de vrouw voor hem niet langer, althans niet in die mate, terecht is. Gezien de ernstige incidenten die zich rond en na de geboorte van [de minderjarige] hebben voorgedaan tussen partijen acht het hof de angst van de vrouw reëel. De man heeft verklaard dat hij de vrouw niet meer zal bedreigen of stalken en dat hij vooruitgang boekt in [de kliniek], maar hij heeft deze verklaring niet onderbouwd met stukken van zijn behandelaars of anderszins, daar waar de vrouw haar betoog heeft onderbouwd met stukken van haar huisarts en overige hulpverleners, aangiftes en getuigenverklaringen.

Het hof ziet in dat het feit dat de man niet opnieuw contact met de vrouw heeft opgenomen sinds hij [de kliniek] mag verlaten een positieve ontwikkeling is die de vrouw tot op zekere hoogte gerust zou kunnen stellen, maar acht deze ontwikkeling nog te pril om van de vrouw nu al te verwachten zich over haar angst en weerstand heen te zetten. Gezien ook tegen de achtergrond van het belaste verleden van de vrouw - die wellicht maakt dat zij meer dan gemiddeld uit evenwicht wordt gebracht door acties van de man - is voldoende aannemelijk geworden dat zij ten gevolge van de erkenning van [de minderjarige] door de man in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat er een onaanvaardbaar risico ontstaat dat zij niet in staat is [de minderjarige] het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat zij nodig heeft. De schade die dit voor [de minderjarige] kan opleveren weegt zwaarder dan het belang van [de minderjarige] en de man bij erkenning van hun familierechtelijke betrekking. Derhalve zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en het inleidend verzoek afwijzen.

4.7.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

wijst het verzoek van de man af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.M.A. Gerritzen-Gunst, mr. A.V.T. de Bie en mr. J.C.E. Ackermans-Wijn in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2014.