Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:238

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
05-03-2014
Zaaknummer
200.127.411/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor herstel vatbaar inkomensverlies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 4 februari 2014

Zaaknummer: 200.127.411/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: 522512/FA RK 12-6107 AW SH

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M. Meijjer te Amsterdam,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. P.J.H. Vinke te Hoofddorp.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante in principaal hoger beroep tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, en geïntimeerde in principaal hoger beroep tevens appellant in incidenteel hoger beroep, worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 21 mei 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 20 februari 2013 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 522512/FA RK 12-6107 AW SH.

1.3.

De man heeft op 22 juli 2013 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4.

De vrouw heeft op 26 september 2013 een verweerschrift in het hoger beroep van de man ingediend.

1.5.

De vrouw heeft op 31 mei 2013, 9 oktober 2013 en 11 oktober 2013 nadere stukken ingediend.

1.6.

De man heeft op 9 oktober 2013 nadere stukken ingediend.

1.7.

De zaak is op 21 oktober 2013 ter terechtzitting behandeld.

1.8.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 1994 gehuwd. Hun huwelijk is op 31 december 2004 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 15 december 2004 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren […] (hierna: [kind a]) [in] 1996 en […] (hierna: [kind b]) [in] 1998 (hierna gezamenlijk ook: de kinderen). De kinderen verblijven bij de vrouw.

2.2.

Bij de echtscheidingsbeschikking en in het echtscheidingsconvenant van 19 november 2004 is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind a] en [kind b] bepaald van € 400,- per kind per maand en een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van € 2.840,- per maand. Na indexering bedraagt de bijdrage thans € 456,- per kind per maand en de uitkering € 3.239,- per maand.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.3.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1967. Hij is op 23 december 2005 gehuwd met [y]. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren, […] (hierna: [zoon]) [in] 2007 en […] (hierna: [dochter]) [in] 2009.

Zijn echtgenote voorziet in eigen levensonderhoud.

Hij was van 1 februari 2007 tot 1 juni 2012 werkzaam in loondienst bij […] (hierna: [B.V.]). Zijn salaris bedroeg € 7.646,- bruto per maand exclusief een toelage van € 1.541,- bruto per maand en vakantiegeld. Blijkens de jaaropgave van 2011 bedroeg zijn fiscaal loon in dat jaar € 119.926,-. De man en [B.V.] zijn een beëindigingsovereenkomst aangegaan. De man heeft een ontbindingsvergoeding ontvangen van € 50.000,-.

Hij heeft sinds 23 mei 2012 een eenmanszaak. De winst uit onderneming bedroeg blijkens de jaarrekening van 2012 € 20.459,- over de periode van 23 mei 2012 tot en met 31 december 2012. Blijkens het derde kwartaalrapport 2013 bedraagt zijn winst over de periode van 1 januari tot en met 30 september 2013 € 31.331,-. De winstprognose voor geheel 2013 is € 37.415,-.

Hij ontvangt een vergoeding van € 7.394,- uit hoofde van een commissariaat bij [bedrijf]

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door de man en zijn echtgenote bewoonde woning bedraagt de rente € 1.629,- per maand. De premie voor de kapitaalverzekering die verband houdt met de hypothecaire lening, bedraagt € 84,- per maand. Hij heeft de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. De WOZ-waarde is vastgesteld op € 336.000,-. De man betaalt de helft van voornoemde lasten.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 152,- per maand.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, met wijziging van de echtscheidingsbeschikking en het echtscheidingsconvenant in zoverre, een door de man met ingang van 1 januari 2013 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bepaald van € 310,- per kind per maand en is de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 januari 2013 op nihil gesteld.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de man de bijdrage voor de kinderen met ingang van 1 juni 2012 op € 310,- per kind per maand te stellen en de uitkering van de vrouw met ingang van 1 juni 2012 op nihil te stellen.

3.2.

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, primair, de man alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek althans dat verzoek af te wijzen en subsidiair, met vernietiging van de bestreden beschikking en met wijziging van de echtscheidingsbeschikking en het echtscheidingsconvenant in zoverre, de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en de uitkering tot haar levensonderhoud te bepalen op grond van een draagkracht van de man van € 7.116,17 bruto per maand, althans een zodanige bijdrage en uitkering te bepalen als het hof juist zal achten en de hoogte van de bijdrage en de uitkering met ingang van 1 januari 2013 gedurende een periode van twaalf maanden geleidelijk af te bouwen van respectievelijk € 460,- per kind per maand en € 3.265,- per maand tot een dergelijke bijdrage en uitkering.

3.3.

De man verzoekt in principaal appel het verzoek van de vrouw af te wijzen.

In incidenteel appel verzoekt hij, na wijziging van zijn eerdere verzoek in incidenteel appel, om met vernietiging van de bestreden beschikking en met wijziging van de echtscheidingsbeschikking en het echtscheidingsconvenant in zoverre, de bijdrage voor de kinderen met ingang van 1 januari 2013 op € 209,- per kind per maand te bepalen, al dan niet onder verbetering en/of aanvulling van gronden.

3.4.

De vrouw verzoekt het verzoek van de man in incidenteel appel af te wijzen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

In principaal en incidenteel hoger beroep

4.1.

De vrouw en de man hebben met hun hoger beroep beiden de draagkracht van de man aan de orde gesteld. Dat de kinderen en de vrouw behoefte hebben aan de door de vrouw verzochte bijdrage respectievelijk uitkering wordt niet betwist en staat derhalve vast.

4.2.

Het hof ziet aanleiding eerst de grief van de vrouw te behandelen waarin zij betoogt dat het inkomensverlies van de man voor herstel vatbaar en verwijtbaar is. Zij wijst erop dat de man hoogopgeleid is en dat hij een ruime ervaring op vele terreinen heeft, zodat de vrouw hem in staat acht snel een andere baan te vinden op hetzelfde salarisniveau als zijn baan bij [B.V.]. Aangezien de man niet of nauwelijks (sollicitatie)activiteiten heeft ontplooid om een dergelijke functie te vinden, is bovendien sprake van verwijtbaar inkomensverlies, aldus de vrouw.

4.3.

De man heeft de stellingen van de vrouw betwist. Hij voert aan dat het initiatief voor de beëindiging van zijn dienstverband bij [B.V.] lag, zodat de man geen verwijt kan worden gemaakt van het daarmee gepaard gaande inkomensverlies. Herstel van zijn inkomen is lastig gebleken. De man heeft tien headhunters met wie hij sinds 2011 één keer per jaar contact opneemt en een update van zijn cv opstuurt. Hij is een eigen bedrijf begonnen om zijn financiële situatie te verbeteren. Op die manier hoefde hij geen aanspraak te maken op een WW-uitkering en maakt hij meer kans bij sollicitaties omdat hij dan solliciteert vanuit een werksituatie in plaats van een uitkeringssituatie, aldus de man.

4.4.

Het hof overweegt als volgt. Indien zich bij een alimentatieplichtige feitelijk een vermindering van inkomsten voordoet, dan dient, ook al is hem van de vermindering geen verwijt te maken, bij de bepaling van diens draagkracht rekening te worden gehouden met het inkomen dat hij zich redelijkerwijs in de naaste toekomst kan verwerven en – in de verhouding tot de alimentatiegerechtigde(n) – redelijkerwijs ook behoort te verwerven. Er is sprake van een voor herstel vatbare inkomensvermindering indien de onderhoudsplichtige redelijkerwijs in staat moet worden geacht zich in de naaste toekomst opnieuw zijn oorspronkelijk inkomen te gaan verwerven en de onderhoudsgerechtigde dit ook van hem kan vergen.

4.5.

De man stelt dat zijn draagkracht is verminderd en dat hij al het mogelijke heeft gedaan om zijn inkomensverlies te herstellen, hetgeen door de vrouw wordt betwist. Het ligt op zijn weg deze stelling (met stukken of anderszins) nader te onderbouwen en aannemelijk te maken. Naar het oordeel van het hof heeft de man dat, in het licht van de uitdrukkelijke betwisting door de vrouw, onvoldoende gedaan.

De man betoogt dat in de branche waarin hij werkzaam is (die van de (semi)overheid), bemiddeling via headhunters de geëigende weg is om een functie te verkrijgen en dat hij een of twee maal per jaar contact met deze bureaus opneemt. Hij heeft echter op geen enkele wijze aan de hand van stukken of anderszins aangetoond dat er sprake is van dergelijke contacten en zo ja, waaruit deze bestaan. Evenmin heeft hij een verklaring van deze headhunters in het geding gebracht waaruit zou kunnen blijken of en zo ja, welke bemiddelingspogingen voor de man zijn gedaan dan wel waarom de man niet (voldoende) bemiddelbaar zou zijn. Ook van zelfstandig door de man verrichte sollicitaties, bijvoorbeeld op vacatures binnen het openbaar bestuur en de (semi-)overheid, is niet gebleken, noch is de afwezigheid van dergelijke vacatures door de man aannemelijk gemaakt. De enkele stelling dat het voor hem vanwege de wereldwijde economische en financiële crisis lastig is om een baan op zijn oude inkomensniveau te vinden, volstaat in dit verband niet. Derhalve is het hof van oordeel dat door de man onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat het voor hem niet mogelijk is zich een inkomen te verwerven dat gelijk is aan het inkomen dat hij bij [B.V.] verwierf. Daarbij weegt het hof tevens mee dat de man hoogopgeleid is en dat hij, voordat hij bij [B.V.] in dienst trad, ruime werkervaring heeft opgedaan in het openbaar bestuur als wethouder en locoburgemeester van [plaatsnaam] en als waarnemend burgemeester van een middelgrote stad.

4.6.

Voorts heeft de man zijn stelling dat de start van zijn eenmanszaak per 1 mei 2012 de enig mogelijke weg was om zijn inkomensverlies te herstellen, nadat andere pogingen vruchteloos waren gebleken, niet aannemelijk gemaakt. Tegenover de stelling van de vrouw, namelijk dat de man de periode van vrijstelling van zijn werkzaamheden voorafgaand aan de beëindiging van zijn dienstverband per 1 juni 2012 had dienen te gebruiken om te solliciteren, in plaats van reeds toen met een eigen onderneming te starten, heeft de man onvoldoende uitgelegd waarom hij reeds in dat stadium koos voor het starten van een eenmanszaak, temeer omdat zijn inspanningen tot nu toe niet bepaald tot resultaat hebben gehad dat hij weer zijn oorspronkelijke inkomen verdient. De stelling van de man dat hij als ZZP-er een betere kans had op het vinden van een baan dan als WW-uitkeringgerechtigde gaat reeds hierom niet op, nu niet is gebleken dat de man ook daadwerkelijk actief heeft gesolliciteerd. De man heeft verder gesteld dat hij met zijn eenmanszaak een hoger inkomen behaalt dan een WW-uitkering. Dat laat onverlet dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor hem niet mogelijk zou zijn geweest om tijdens de duur van de WW-uitkering (die hij nog had kunnen aanvullen met de door hem ontvangen ontbindingsvergoeding) een functie met zijn oorspronkelijke salaris te vinden, althans dat hij daartoe - gelet op zijn onderhoudsverplichtingen jegens de vrouw en de kinderen - voldoende in het werk heeft gesteld.

4.7.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat het inkomensverlies van de man voor herstel vatbaar moet worden geacht. Dit brengt mee dat voor de bepaling van zijn draagkracht, uitgegaan dient te worden van zijn inkomen bij [B.V.] zoals hij dat tot 1 juni 2012 heeft genoten. Derhalve kan in het midden blijven of het verlies van inkomen verwijtbaar is geweest, zoals door de vrouw tevens is gesteld. Evenmin komt het hof nog toe aan de overige grieven van partijen. Het hof zal de beschikking waarvan beroep vernietigen en het inleidend verzoek van de man alsnog afwijzen.

4.8.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

In principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt de beschikking waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

wijst het inleidend verzoek van de man alsnog af;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. C.E. Buitendijk en mr. M.J.J. de Bontridder in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2014.