Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:2339

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-04-2014
Datum publicatie
04-08-2014
Zaaknummer
200.130.165/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdiencapaciteit vrouw in kader draagkrachtvergelijking. Devolutieve werking hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 15 april 2014

Zaaknummer: 200.130.165/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/194032 / FA RK 12-2269

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante,

advocaat: thans mr. M.D. Kol, voorheen mr. I. Vledder te Purmerend,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. S.M. van de Weijer te Duivendrecht.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 15 juli 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 17 april 2013 van de rechtbank Noord-Holland (Haarlem), met kenmerk C/15/194032 / FA RK 12-2269.

1.3.

De man heeft op 27 augustus 2013 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De vrouw heeft op 2 december 2013 nadere stukken ingediend.

1.5.

De zaak is op 12 december 2013 ter terechtzitting behandeld.

1.6.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar toenmalig advocaat mr. I. Vledder;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2 De feiten

2.1.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2.

Partijen hebben een relatie gehad. Uit de vrouw is geboren […] (hierna: [de minderjarige]) [in] 2001. De man heeft [de minderjarige] erkend.

2.3.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1962. Zij vormt samen met [de minderjarige] en haar pleegzoon […] (hierna: [pleegzoon]), geboren [in] 1997, een eenoudergezin. De vrouw ontvangt een pleegzorgvergoeding van € 638,- per maand ten behoeve van [pleegzoon].

Zij is thans werkzaam in loondienst (werk/leertraject, voor 32 uur per week) bij [stichting Z]. In 2012 bedroeg haar inkomen uit dienstverband bij [stichting Z] € 19.740,-. Blijkens de salarisspecificaties over de periode van januari 2013 tot en met april 2013 bedraagt haar salaris thans gemiddeld € 1.174,- netto per maand, exclusief vakantiegeld en inclusief een toelage levensloop.

Zij was voorheen werkzaam in loondienst bij [stichting M]. Haar contract daar is per 1 februari 2011 beëindigd.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door de vrouw bewoonde woning betaalt zij € 1.032,- per maand aan rente. Zij heeft de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. De WOZ-waarde is vastgesteld op € 187.000,-.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt zij € 106,- per maand. Zij ontvangt een zorgtoeslag van € 838,- (in 2012) per jaar.

Aan kindgebonden budget ontving zij in 2012 € 1.017,-.

2.4.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1957. Hij is getrouwd.

Hij is werkzaam in loondienst bij [BV.]. Blijkens de jaaropgave over 2012 bedroeg zijn fiscaal loon in dat jaar € 40.869,-.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door de man en zijn echtgenote bewoonde woning bedraagt zijn aandeel in de rentelasten € 336,- per maand. Hij heeft de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. Het eigenwoningforfait bedraagt € 1.074,- per jaar.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 98,- per maand. Het verplicht eigen risico bedroeg in 2012 € 18,- per maand.

Hij heeft € 32,- aan omgangskosten per maand.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is een door de man met ingang van 3 april 2013 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] van € 360,- per maand bepaald. Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de vrouw een door de man met ingang van 8 juni 2012 te betalen bijdrage van € 729,- per maand te bepalen.

3.2.

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, een door de man met ingang van 8 juni 2012 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] van € 720,- per maand te bepalen.

3.3.

De man verzoekt primair de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar appel en haar in de kosten van beide instanties te veroordelen. Subsidiair verzoekt hij -naar het hof begrijpt- de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

Ontvankelijkheid van de vrouw in haar verzoek.

4.1.

De man heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek dient te worden verklaard omdat zij in haar hoger beroepschrift als geïntimeerde heeft aangemerkt: "[naam minderjarige]", terwijl de man [naam man] heet. Het hof volgt de man daarin niet. Nog daargelaten dat in een verzoekschriftprocedure als de onderhavige overeenkomstig het bepaalde in artikel 297 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet een partij maar de rechter bepaalt wie in de procedure als belanghebbende wordt opgeroepen, heeft de man kennelijk ook begrepen dat het hoger beroep tegen hem was gericht.

De verdere beoordeling.

4.2.

In hoger beroep is vraag aan de orde in hoeverre de draagkracht van de vrouw het toelaat bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] en welk bedrag derhalve door de man dient te worden voldaan als bijdrage voor [de minderjarige]. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vrouw onvoldoende zicht in haar financiële situatie heeft geboden en is er vanuit gegaan dat zij in staat moet worden geacht de helft van de kosten van [de minderjarige], welke de rechtbank heeft vastgesteld op € 720,- per maand in 2013, te voldoen. De vrouw heeft tegen dat oordeel een grief gericht, alsmede tegen de vaststelling van de ingangsdatum van de door de man te betalen bijdrage. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist.

4.3.

Het hof stelt vast dat de vrouw, anders dan in eerste aanleg, in hoger beroep haar aangiften inkomstenbelasting over 2011 en 2012 in het geding heeft gebracht.

Vast staat dat de vrouw tot 1 februari 2011 als lerares werkzaam is geweest bij [stichting M] en dat zij thans een werk-leeropleiding in de zorg volgt, hetgeen een inkomensdaling met zich heeft gebracht. De man stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken dat de vrouw haar dienstbetrekking in het onderwijs noodgedwongen heeft moeten beëindigen of dat zij geen ander vast contract in het onderwijs zou kunnen krijgen en stelt daarnaast de keuze van de vrouw voor een baan in de zorg aan de orde. Volgens hem dient deze keuze voor risico van de vrouw te komen en dient bij de bepaling van haar draagkracht geen

rekening met de daarbij behorende inkomensdaling te worden gehouden.

4.4.

Het hof overweegt als volgt.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de vrouw verklaard dat zij niet gedwongen is ontslagen bij de [school], maar dat zij er zelf voor heeft gekozen zich via een outplacementtraject van het UWV te laten omscholen naar de zorg. Zij heeft die keuze nader toegelicht en verklaard dat, vanwege een tekort aan leerlingen, een locatie van de school zou sluiten en dat zij daarom reeds gedurende een half jaar samen met een andere leraar een duobaan heeft vervuld. Omdat zij het daarop volgende jaar toch op de zogenaamde RDDF-lijst van de school (waarbij een afvloeiingsregeling in het kader van reorganisatie geldt) terecht zou komen, heeft zij er vrijwillig voor gekozen ontslag te nemen en zich te laten omscholen. Daarbij heeft zij opgemerkt dat het voor haar, gelet op haar leeftijd, moeilijk zou zijn bij een andere [school] in dienst te komen en dat zij bij andere scholen slechts een contract voor bepaalde tijd zou kunnen krijgen. Gelet op haar zorgtaken voor [de minderjarige] en [pleegzoon] heeft zij ervoor gekozen om, weliswaar tegen een lager salaris, een opleiding tot verzorgende te volgen waarbij zij -gedurende haar opleiding- wel een vast contract heeft en uiteindelijk een beter perspectief op behoud van arbeid dan in het onderwijs. Het hof acht voldoende aannemelijk geworden dat de functie van de vrouw als lerares bij de [school] geen goede perspectieven meer voor haar bood en acht het gerechtvaardigd dat zij, mede gelet op haar zorgplicht voor [de minderjarige] en [pleegzoon], ervoor heeft gekozen deze baan op te zeggen. Het hof houdt er rekening mee dat een salaris op haar oude niveau in het onderwijs, gelet op de inkomens in de zorgsector thans niet reëel is, en zal in redelijkheid uitgaan van een inkomen van € 2.000,- bruto per maand (exclusief vakantiegeld). Daarbij sluit het hof aan bij het inkomen dat de vrouw, zoals zij ter zitting in hoger beroep heeft verklaard, zal verdienen nadat zij haar opleiding heeft afgerond, bestaande uit een vast salaris van € 1.700,- bruto per maand, exclusief onregelmatigheidstoeslag. De inkomensvermindering van de vrouw is derhalve in zoverre voor herstel vatbaar. De inkomensvermindering voor zover die betreft het verschil tussen haar oude salaris in het onderwijs en deze € 2.000,- is niet voor herstel vatbaar en gezien de hierboven vermelde overwegingen ook niet verwijtbaar. De inkomensvermindering voor zover die betreft het verschil tussen € 2.000,- en het salaris dat zij gedurende haar opleiding tot verzorgende genoot is wel verwijtbaar. Van de vrouw kon, gelet op haar bijdrageplicht in de behoefte van [de minderjarige] worden verwacht dat zij maatregelen zou treffen om in ieder geval een inkomen van € 2.000,- te verwerven. Het hof zal bij de berekening van haar draagkracht gedurende de gehele te beoordelen periode rekening houden met een inkomen van € 2.000,- bruto per maand.

De stellingen van de man, dat rekening dient te worden gehouden met de salarisverhogingen die de vrouw ontvangt in verband met het vorderen van haar opleiding, behoeven hiermee geen verdere bespreking meer.

4.5.

Het hof houdt voor de vergelijking van de draagkracht van partijen aan de lastenzijde van de vrouw rekening met de gegevens zoals deze onder 2.3 zijn vermeld. Met de enkele opmerking ter terechtzitting in hoger beroep dat de vrouw na het uiteengaan van partijen een te duur huis heeft betrokken, terwijl de man heeft nagelaten een consequentie aan die opmerking te verbinden, heeft de man niet aan zijn stelplicht voldaan, zodat het hof daaraan voorbij gaat.

4.6.

Voor de bepaling van de draagkracht van de man wordt uitgegaan van de gegevens zoals hiervoor onder 2.4 vermeld. Overeenkomstig de stelling van de vrouw houdt het hof rekening met de helft van het forfait eigenaarslasten nu hij is gehuwd en de helft van deze lasten voor rekening van zijn echtgenote geacht worden te komen. Evenals de rechtbank, houdt het hof geen rekening met eventuele herinrichtingskosten, omdat deze niet dienen te prevaleren boven de door de man te betalen bijdrage voor [de minderjarige].

4.7.

Het hof zal de ingangsdatum van de door de man te betalen bijdrage bepalen op 6 juli 2012, zijnde de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift door de vrouw. De man kon vanaf die datum rekenen met een eventueel op te leggen bijdrage. Dat de vrouw in eerste aanleg geen volledig inzicht heeft getoond in haar financiën is daarbij niet (meer) relevant. De man vermeldt in zijn verweerschrift nog dat hij sinds 2009 heeft bijgedragen in de kosten van kleding voor zowel [de minderjarige] als [pleegzoon] en de kosten voor voetbal van [de minderjarige] en dat de vrouw extra overwaarde uit de voormalig gezamenlijke woning van partijen heeft verkregen. Daarmee was sprake van een afdoende regeling inzake de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige], aldus de man. Het hof overweegt echter dat de man deze stelling, gelet op de betwisting daarvan door de vrouw, onvoldoende heeft onderbouwd zodat dit reeds om die reden niet kan leiden tot het vaststellen van een latere ingangsdatum. Gelet op deze ingangsdatum zal het hof de oude (tot 1 april 2013 geldende) richtlijnen voor het vaststellen van kinderalimentatie toepassen.

4.8.

Gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep, komt het hof eveneens toe aan het verweer van de man in eerste aanleg dat ziet op de bepaling van de hoogte van de behoefte van [de minderjarige]. De rechtbank heeft deze behoefte aan de hand van een gezamenlijk netto gezinsinkomen van € 4.400,- netto per maand op € 678,- in 2009 (geïndexeerd naar 2012: € 720,- per maand) bepaald. De man heeft gesteld dat het werkelijke netto-inkomen van de vrouw lager was, en dat de behoefte, op grond van een gezamenlijk netto-gezinsinkomen van € 3.800,- per maand, € 567,- per maand bedraagt. Volgend uit de bestreden beschikking is de rechtbank kennelijk uitgegaan van een netto inkomen van de vrouw van € 2.557,- per maand, te weten het verschil tussen € 4.400,- (gezinsinkomen volgens de beschikking) en € 1.843,- (netto inkomen man volgens de beschikking). Uitgaande van de jaaropgave van de vrouw over 2009 en rekening houdende met de geldende (belasting)tarieven, bedraagt het netto-inkomen van de vrouw in dat jaar echter € 2.287,- per maand. Dat brengt met zich dat het netto besteedbaar gezinsinkomen € 4.130,- in plaats van € 4.400,- per maand bedraagt en de behoefte in 2009 op € 632,- per maand (in 2012: € 661,- per maand) dient te worden bepaald.

4.9.

Vergelijking van de draagkracht van partijen leidt ertoe dat de vrouw voor 20 % in de kosten van [de minderjarige] dient te voorzien en de man 80%. De draagkracht van de man laat betaling van de overeenkomstige bijdrage van € 530,- per maand toe, zodat aldus zal worden beslist.

4.10.

Er is onvoldoende aanleiding om de vrouw te veroordelen in de proceskosten, zoals door de man is verzocht. Deze kosten dienen op de gebruikelijke wijze te worden gecompenseerd.

4.11.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep, en, opnieuw rechtdoende:

bepaalt de door de man bij vooruitbetaling te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met ingang van 6 juli 2012 op € 530,- (VIJFHONDERDDERTIG EURO) per maand;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.G. Kemmers, mr. C.E. Buitendijk en mr. J.A. van Keulen in tegenwoordigheid van mr. S. Rezel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2014.