Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:23

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-01-2014
Datum publicatie
05-02-2014
Zaaknummer
13/00074
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de heffingsambtenaar is het Hof van oordeel dat een (terecht) niet ontvankelijk verklaard bezwaarschrift niet zonder meer betekent dat belanghebbende geen recht heeft op een kostenvergoeding ex artikel 7.15 Awb. Het Hof oordeelt evenals de rechtbank dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van de door haar in de bezwaarfase gemaakte kosten. Wegingsfactor bezwaar, beroep- en verzetprocedure.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:15
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Besluit proceskosten bestuursrecht 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/275
Belastingblad 2014/158 met annotatie van A.W. Schep
V-N 2014/13.22.5
FutD 2014-0314
NTFR 2014/1051 met annotatie van E.P. Hageman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 13/00074

2 januari 2014

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht,

de heffingsambtenaar,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 11/5460 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 20 december 2012 in het geding tussen

[X] te [Z], belanghebbende,

gemachtigde: [A],

en

de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een aanslag zuiveringsheffing opgelegd van € 108 (hierna: de aanslag). Hij heeft bij brief van 20 mei 2011 belanghebbende bericht dat de aan haar opgelegde aanslag zuiveringsheffing (met dagtekening 31 mei 2012) is verminderd tot nihil.

1.2.

Met dagtekening 26 juni 2011 is namens belanghebbende een bezwaarschrift ingediend tegen de aanslag. Bij uitspraak, gedagtekend 19 augustus 2011, is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.

Bij brief van 20 augustus 2011 heeft belanghebbende gereageerd op de uitspraak op bezwaar.

1.4.

Belanghebbende heeft bij brief van 12 oktober 2011, ontvangen bij de rechtbank op 13 oktober 2011, beroep ingesteld.

1.5.

Bij uitspraak van 2 december 2011 heeft de rechtbank het beroep met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kennelijk ongegrond verklaard.

1.6.

Belanghebbende heeft bij brief van 7 januari 2012, ontvangen bij de rechtbank op 10 januari 2012, verzet gedaan. Bij uitspraak van 11 mei 2012 heeft de rechtbank het verzet gegrond verklaard en is het onderzoek in belanghebbendes beroep in de stand waarin het zich bevond, voortgezet.

1.7.

In haar uitspraak van 20 december 2012 heeft de rechtbank als volgt beslist (belanghebbende wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiseres’, de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):

“De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar, voor zover deze geen beslissing inhoudt op het verzoek van eiseres om een kostenveroordeling;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte kosten in de bezwaarfase, zijnde € 218;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres in beroep tot een bedrag van € 765; en

  • -

    gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 41 vergoedt.”

1.8.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 28 januari 2013. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.9.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2013. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in de onderdelen 2.1 tot en met 2.2 van haar uitspraak de volgende feiten vastgesteld:

“2.1. De onderhavige aanslag (aanslagnummer [1234567890]) is gedagtekend 31 mei 2011 en gericht aan [X] op het adres [a-straat] [huisnummer] C, [postcode], te [Z]. Op het aanslagbiljet staat vermeld dat de aanslag betrekking heeft op het object/perceel [a-straat] [huisnummer] C, [postcode] [Z].

2.2.

Verweerder heeft een kopie van een zogenaamde ambtshalve correctie overgelegd, gedagtekend 20 mei 2011. Deze brief is gericht aan [X] op het adres [a-straat] [huisnummer] G, [postcode], te [Z]. In deze brief staat vermeld dat de aanslag 2011 met aanslagnummer [1234567890] ambtshalve wordt verminderd tot nihil. In de bij deze brief gevoegde zogenaamde specificatie uitspraak staat als objectadres [a-straat] [huisnummer] C, [postcode] [Z] vermeld.”

2.2.

Nu tegen de feitenvaststelling door de rechtbank, als hiervoor vermeld, door partijen geen bezwaren zijn ingebracht, gaat ook het Hof van die feiten uit.

2.3.1.

Het Hof voegt hieraan nog de volgende feiten toe:

2.3.2.

Door de gemachtigde is met dagtekening 26 juni 2011 een bezwaarschrift ingediend tegen de aanslag, waarin onder meer het volgende is opgemerkt:

“De aanslag is ten onrechte opgelegd. [X] houdt geen verblijf in appartement C [a-straat] [huisnummer] (…)

Toelichting

Uit de inhoud van document 02 blijkt dat belanghebbende huurt en verblijft houdt in het appartement op de tweede verdieping voorhuis, (…) G (…)

De bestreden aanslag vermeldt als adres [a-straat] [huisnummer] C (…) zodat de aanslag niet in stand kan blijven en dient te worden vernietigd.

(…)

Wilt u:

(…) De werkelijke kosten van professioneel verleende hulp en bijstand in bezwaar vergoeden?

(…)

Uitstel van betaling Verlenen”.

2.3.3.

In de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de gemachtigde van belanghebbende geschreven:

“Inzake […] de aanslag is reeds ambtshalve uitspraak gedaan d.d. 20 mei 2011. In deze uitspraak is de aanslag verminderd naar nihil. Ik verklaar u dan ook niet-ontvankelijk in uw bezwaar, omdat er geen belang meer is.”

2.3.4.

Op 20 augustus 2011 heeft de gemachtigde van belanghebbende de heffingsambtenaar geschreven dat zij geen ‘ambtshalve vermindering’ ontvangen heeft. In deze brief heeft hij de heffingsambtenaar verzocht hem een kopie van de vermindering toe te sturen en aangegeven dat hij na ontvangst van de kopie zal beoordelen of hij een beroepsprocedure zal starten “teneinde de kosten van de verlening van hulp en bijstand vergoed te krijgen”.

2.3.5.

In een brief van 2 september 2011 van de heffingsambtenaar aan de gemachtigde is de volgende toelichting gegeven:

“In de tijd tussen het aanmaken van de aanslag, begin mei 2011, en de ter postbezorging, kwam een correctie binnen van het gba [Z]. Die correctie had tot gevolg dat automatisch een vermindering van de aanslag plaatsvond en in dit geval bleek [X] helemaal niet heffingsplichtig voor [a-straat] 143C. De aanslag is dan ook verminderd naar nihil.

(…)

De ambtshalve beschikking, met dagtekening 20 mei 2011 is vervolgens gestuurd aan het nieuwe (juiste) adres, namelijk [a-straat] 143G […]

Ik kan u [Hof: van de ambtshalve beschikking van 20 mei 2011] geen duplicaat overleggen, omdat in de ons ter beschikking staande stukken, geen machtiging zit”.

2.3.6.

Bij brief van 12 oktober 2011 schrijft belanghebbende de rechtbank dat de heffingsambtenaar weigert uitspraak op bezwaar te doen en komt zij hiertegen in beroep.

2.3.7.

De post voor het adres [a-straat] [huisnummer] wordt bezorgd in één centrale brievenbus voorzien van de letters A-M.

2.3.8.

De gemachtigde is eigenaar en verhuurder van het appartement dat door belanghebbende wordt bewoond.

3 Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is evenals bij de rechtbank in geschil of aan belanghebbende een vergoeding moet worden toegekend voor de kosten in bezwaar en beroep.

4 Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en processen-verbaal van de zittingen.

5 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft belanghebbende in het gelijk gesteld en daartoe het volgende overwogen:

“Ontvankelijkheid van het beroep

4.1.

De rechtbank heeft het beroepschrift van eiseres ontvangen op 13 oktober 2011, dus na het verstrijken van de wettelijke termijn van zes weken voor het instellen van beroep. In de uitspraak van 2 december 2011 heeft de rechtbank met betrekking tot dit punt echter overwogen dat verweerder de aan hem gerichte brief van 20 augustus 2011 als beroepschrift had moeten doorzenden naar de rechtbank. De rechtbank zal daarom de brief van eiseres van 20 augustus 2011, in samenhang bezien met de brief van eiseres van 12 oktober 2011, als beroepschrift behandelen. Het beroep is ontvankelijk.

Ontvankelijkheid van het bezwaar

4.2.

Zoals ter zitting is komen vast te staan heeft de ambtshalve verminderingsbeschikking van 20 mei 2011 (opgenomen onder 2.2) betrekking op de onderhavige aanslag van 31 mei 2011. Nu de aanslag nog voor het indienen van het bezwaarschrift door verweerder ambtshalve op nihil is gesteld, heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres van 26 juni 2011 op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard omdat eiseres geen belang had bij een bezwaar tegen een tot nihil verminderde aanslag. Daaraan doet niet af dat deze verminderingsbeschikking haar niet zou hebben bereikt, zoals haar gemachtigde stelt.

4.3.

De overige door eiseres aangevoerde beroepsgronden kunnen niet leiden tot een ander oordeel, en behoeven daarom, met uitzondering van de beroepsgrond met betrekking tot het niet beslissen op het verzoek om een kostenvergoeding in de bezwaarfase, geen bespreking.

Beslissing op verzoek om proceskosten in bezwaar

4.4.

Aangezien eiseres in haar bezwaarschrift heeft verzocht om een proceskostenvergoeding, had de uitspraak op bezwaar ingevolge artikel 7:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) tevens een beslissing op het verzoek om vergoeding van de kosten in de bezwaarfase moeten bevatten. Nu verweerder dit heeft nagelaten, is het beroep gegrond en zal de rechtbank hierin voorzien door alsnog een besluit op dit verzoek te nemen.

De rechtbank acht aannemelijk dat er bij eiseres verwarring is ontstaan over de omstandigheid dat de verminderingsbeschikking bekend is gemaakt voorafgaande aan de aanslag waar deze vermindering betrekking op had en over de vraag of zij gehouden was tot betaling van de later bekend gemaakte aanslag. Onder die omstandigheden ligt het voor de hand dat eiseres zekerheidshalve een bezwaarschrift heeft ingediend tegen de aanslag. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseres in dit specifieke geval, ondanks het ontbreken van een materieel belang, op goede gronden bezwaar heeft ingediend.

Nu verweerder de bestreden aanslag heeft herroepen door het nemen van een verminderingsbeschikking omdat de aanslag ten onrechte aan eiseres was opgelegd, is voldaan aan de vereisten die artikel 7:15 van de Awb stelt voor het toekennen van een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 218 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde van € 218 en een wegingsfactor 1)”.

en

“5.1. Nu het beroep gegrond is, heeft eiseres in beginsel recht op een proceskostenvergoeding. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres in dit specifieke geval niet in aanmerking komt voor een proceskostenvergoeding omdat eiseres de studie Privaat- en Fiscaal recht volgt aan de Universiteit van [Z], en dat daarom bijstand in deze zaak voor haar niet nodig was. De rechtbank begrijpt dat verweerder zich op het standpunt stelt dat er in het onderhavige geval geen sprake is van redelijkerwijs noodzakelijke kosten, althans dat het inroepen van rechtsbijstand door een derde in dit geval niet redelijk was.
Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, van de Awb komen voor een proceskostenveroordeling in aanmerking de kosten die een partij redelijkerwijs heeft moeten maken. In de woorden “redelijkerwijs heeft moeten maken” wordt blijkens de memorie van toelichting bij dit wetsartikel (Tweede Kamer, 1991-1992, 22 495, nr. 3, bladzijde 154) tot uitdrukking gebracht dat niet slechts de kosten zelf redelijk moeten zijn om voor vergoeding in aanmerking te komen, maar ook dat het inroepen van rechtsbijstand redelijk moet zijn geweest. De rechtbank ziet in de enkele omstandigheid dat eiseres Privaat- en Fiscaal recht studeert echter geen aanleiding om te oordelen dat het inroepen van rechtsbijstand in het onderhavige geval niet redelijk was, immers een studerende is nog niet volleerd.

5.2.

De rechtbank zal verweerder dan ook veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 765 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een verzetschrift, 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting in verzet, 0,5 punt voor het indienen van een conclusie van repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 0,5 nu eiseres enkel met betrekking tot het ontbreken van een beslissing op het verzoek om vergoeding van de kosten in de bezwaarfase in het gelijk wordt gesteld).”

6 Beoordeling van het geschil

6.1.

In zijn hoger beroepschrift stelt de heffingsambtenaar zich op het standpunt:

“dat het beroep van [belanghebbende door de rechtbank] niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden en dat het toekennen van proceskostenvergoeding voor de bezwaar- en de beroepsfase niet terecht is geweest”.

6.2.

Anders dan de heffingsambtenaar meent staat tegen een uitspraak op bezwaar, waarin belanghebbende niet ontvankelijk is verklaard, beroep bij de rechtbank open; ook indien de heffingsambtenaar belanghebbende terecht niet ontvankelijk heeft verklaard.

Nu de heffingsambtenaar overigens geen gronden heeft aangevoerd waarom belanghebbendes beroep bij de rechtbank niet ontvankelijk zou zijn en het Hof daartoe ook ambtshalve geen aanleiding ziet, doch integendeel hetgeen de rechtbank heeft overwogen onder 4.1. van haar uitspraak onderschrijft, verwerpt het Hof dit standpunt van de heffingsambtenaar.

6.3.

Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 3 december 2010, nr. 09/04397, ECLI:NL:HR:2010:BO5988, BNB 2011/69, heeft de heffingsambtenaar belanghebbende in een geval als het onderhavige - waarin het bestreden besluit voorafgaande aan de uitspraak op bezwaar vernietigd is en belanghebbendes belang bij de onderhavige procedure uitsluitend gelegen is in de mogelijkheid dat de rechter het bestuursorgaan veroordeelt tot vergoeding van griffierecht en/of proceskosten (inclusief de kosten van de bezwaarfase) - terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Rest nog de vraag of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van de door haar in de bezwaar- en (hoger) beroepsfase gemaakte kosten.

De kosten van de bezwaarfase

6.4.

Artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (verder Awb) houdt in:

“1. […]

2. De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

3. Het verzoek wordt gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Het bestuursorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op het bezwaar.

4. […]”

6.5.

De heffingsambtenaar stelt zich - zo begrijpt het Hof - op het standpunt (1) dat artikel 7.15 Awb de eis stelt dat sprake moet zijn van een ontvankelijk bezwaarschrift (“Een bezwaarschrift […] was reeds overbodig wegens het ontbreken van materieel belang”), alsmede (2) dat belanghebbende in redelijkheid geen kosten had hoeven te maken. Ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift was er immers - aldus de heffingsambtenaar - geen aanslag meer en voor zover er bij belanghebbende verwarring bestond over de hoogte van de aanslag had zij op een andere wijze dan het indienen van een bezwaarschrift duidelijkheid kunnen verkrijgen (zij had “eerst gewoon even [kunnen] bellen met Waternet”, wiens logo op het aanslagbiljet stond afgedrukt).

6.6.

Anders dan de heffingsambtenaar is het Hof van oordeel dat een (terecht) niet ontvankelijk verklaard bezwaarschrift niet zonder meer betekent dat belanghebbende geen recht heeft op een kostenvergoeding ex artikel 7.15 Awb (vgl. overweging 3.5.3 van het onder 6.3 gemelde arrest).

6.7.

Belanghebbende heeft gesteld dat zij de verminderingsbeschikking ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift niet had ontvangen, zodat zij niet wist dat zij geen belang meer had bij het indienen van een bezwaarschrift en het alleszins begrijpelijk was dat zij tegen de – naar vaststaat onrechtmatige – aanslag in bezwaar is gekomen.

6.8.

De Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 15 december 2006, nr. 41.882, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416, BNB 2007/112):

“3.2.2. In beginsel is het aan de inspecteur om aannemelijk te maken dat de aanmaning op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden, dan wel dat de aanmaning de belastingplichtige anderszins heeft bereikt. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd of aangeboden, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst of aanbieding van de aanmaning op dat adres. Dit brengt mee dat de inspecteur in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste adres. Het ligt vervolgens op de weg van de belastingplichtige voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de aanmaning niet op zijn adres is ontvangen of aangeboden; voldoende is dat op grond van hetgeen de belastingplichtige aanvoert ontvangst of aanbieding redelijkerwijs moet worden betwijfeld (vgl. HR 25 oktober 2002, nr. 36898, BNB 2003/14, onderdeel 3.2.4). Het staat de feitenrechter vrij om zodanige twijfel gerechtvaardigd te achten op grond van naar zijn oordeel geloofwaardige ontkenning door de belastingplichtige dat de aanmaning op zijn adres is ontvangen of aangeboden. Slaagt de belastingplichtige erin eerdergenoemd vermoeden te ontzenuwen, dan zal de ontvangst of aanbieding van de aanmaning slechts aannemelijk geoordeeld kunnen worden indien de inspecteur daarvan nader bewijs levert.”

6.9.

Naar het oordeel van het Hof is hetgeen in bovenstaande rechtsoverweging is opgenomen van overeenkomstige toepassing op de ontvangst van andere stukken dan een aanmaning.

6.10.

Belanghebbende heeft gesteld dat zij de ambtshalve vermindering niet vóór het indienen van haar bezwaarschrift had ontvangen. Belanghebbende heeft in haar bezwaarschrift en aan de heffingsambtenaar gerichte brieven van 20 augustus 2011 en 6 oktober 2011 consequent en uitvoerig toegelicht dat zij genoemde ambtshalve vermindering niet ontvangen had. Dat belanghebbende louter – aldus de heffingsambtenaar – de bezwaarprocedure is gestart om een proceskostenveroordeling te bewerkstelligen, acht het Hof niet aannemelijk. Gelet hierop en belanghebbendes betrekkelijk geringe belang, afgezet tegen het tijdbeslag dat voor haar gemachtigde gemoeid is geweest met het schrijven van de diverse gedingstukken, bij het innemen van het onderhavige standpunt, is het Hof van oordeel dat redelijkerwijs moet worden betwijfeld of zij genoemde beschikking voor het indienen van het bezwaarschrift had ontvangen.

6.11.

In BNB 2010/180 (arrest van 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL8875) overwoog de Hoge Raad:

“3.4.1. Op grond van artikel 6:4, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht kan het maken van bezwaar slechts langs schriftelijke weg geschieden. Deze eis draagt ertoe bij bewijsrechtelijke discussies te vermijden. Indien een belanghebbende die het niet eens is met een besluit daartegen schriftelijk opkomt, kan niet worden gezegd dat de keuze om de bezwaren in deze vorm mee te delen onredelijk is.”

6.12.

Het Hof onderschrijft dan ook niet de stelling van de heffingsambtenaar dat het voor de hand had gelegen dat belanghebbende na ontvangst van de aanslag ‘gewoon even’ gebeld had met Waternet (“dan was haar direct duidelijk geworden dat de aanslag tot nihil was verminderd”). Het vorenstaande brengt mede dat belanghebbende – die van mening was dat de aanslag ten onrechte was opgelegd – begrijpelijkerwijs een bezwaarschrift tegen de aanslag heeft ingediend.

6.13.

Omdat niet gezegd kan worden dat uit de aanslag – het enige op dat moment voorhanden zijnde document – volgde dat sprake was van een betrekkelijk eenvoudig te constateren gebrek, is het Hof van oordeel dat het inroepen van de juridische bijstand voor het indienen van het bezwaarschrift niet onredelijk was. Aan dat oordeel doet niet af dat belanghebbende – zoals de heffingsambtenaar heeft gesteld – “in een vergevorderd stadium van een opleiding Fiscaal Recht zat”.

Nu belanghebbende in haar bezwaarschrift om vergoeding van de kosten van deze bijstand heeft verzocht en de aanslag is herroepen wegens een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid (te weten het gebruik maken van achterhaalde/onjuiste adresgegevens), komen de in de bezwaarfase gemaakte kosten in beginsel op basis van artikel 7.15 Awb voor vergoeding in aanmerking.

6.14.

De heffingsambtenaar heeft gesteld dat de bijstand van de gemachtigde “gratis dienstverlening betreft, als een stukje service vanuit de rol die [de gemachtigde] als verhuurder van de woning waar [belanghebbende] woont” had.

Nu (de gemachtigde van) belanghebbende deze stelling gemotiveerd heeft weersproken rust op de heffingsambtenaar de last een en ander aannemelijk te maken. Naar het oordeel van het Hof is hij hierin niet geslaagd.

6.15.

Aangezien de gemachtigde blijkens zijn briefpapier naar buiten treedt als bedrijfs- en praktijkadviseur en, naar het Hof ambtshalve uit eerdere procedures bekend is, reeds vele jaren belastingplichtigen in fiscale bezwaar- en (hoger)beroepsprocedures bijstaat, is het Hof van oordeel dat de gemachtigde, als derde als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a van het Besluit proceskosten bestuursrecht (verder het Besluit), belanghebbende beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend.

6.16.

Uit de gedingstukken leidt het Hof af dat belanghebbende in de bezwaarfase ter zake van de verleende bijstand geen factuur ontvangen heeft, omdat diens gemachtigde op no cure no pay basis gewerkt heeft. De heffingsambtenaar heeft gesteld dat er in een dergelijke situatie “in ieder geval geen sprake [is] van daadwerkelijke kosten”.

Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 2011, nr. 10/05199, ECLI:NL:HR:2011:BT6841, BNB 2011/281, waarin de Hoge Raad oordeelde dat aan toekenning van een vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand niet in de weg staat dat die bijstand is verleend op basis van "no cure no pay", verwerpt het Hof het standpunt van de heffingsambtenaar.

6.17.

Hetgeen de heffingsambtenaar verder in (hoger) beroep heeft aangevoerd doet aan het voorgaande niet af en leidt niet tot een ander oordeel.

6.18.

Het voorgaande brengt mee dat belanghebbende op basis van het Besluit recht heeft op een vergoeding van de door haar in de bezwaarfase gemaakte kosten. Mede gelet op de gedingstukken verstaat het Hof de uitspraak op bezwaar aldus dat de heffingsambtenaar belanghebbende bij zijn uitspraak een vergoeding van nihil heeft toegekend.

Anders dan de rechtbank is het Hof van oordeel dat gelet op de beperkte ingewikkeldheid van de litigieuze kwestie de wegingsfactor voor het gewicht van de zaak 0,5 (‘licht’) dient te zijn (in plaats van 1).

Het Hof stelt belanghebbendes kostenvergoeding vast op 1 punt (voor het indienen van bezwaarschrift) x 0,5 (wegingsfactor) x € 243 , zijnde € 121,50.

Kosten beroepsprocedure

6.19.

Voor zover de heffingsambtenaar stelt dat zijn bezwaren tegen de door belanghebbende gestarte bezwaarprocedure mutatis mutandis ook gelden voor de beroepsprocedure, is het Hof - op basis van dezelfde rechtsoverwegingen als hiervoor weergegeven (zie met name 6.12 tot en met 6.16) van oordeel dat het inroepen van rechtsbijstand en de - aannemelijk geachte - kosten daarvan redelijk waren, zodat deze kosten – op basis van het Besluit – voor vergoeding in aanmerking komen.

6.20.

Met betrekking tot de proceskostenveroordeling heeft de rechtbank overwogen:

“5.2. De rechtbank zal verweerder dan ook veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 765 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een verzetschrift, 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting in verzet, 0,5 punt voor het indienen van een conclusie van repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 0,5 nu eiseres enkel met betrekking tot het ontbreken van een beslissing op het verzoek om vergoeding van de kosten in de bezwaarfase in het gelijk wordt gesteld).”

6.21.

Uitsluitend de heffingsambtenaar heeft bezwaren aangevoerd tegen deze rechtsoverweging.

6.22.

Het Hof sluit zich bij het oordeel van de rechtbank aan, met uitzondering van de door de rechtbank toegepaste wegingsfactor voor het gewicht van de zaak. Nu de ingewikkeldheid van de verzetprocedure gemiddeld is, dient de wegingsfactor daarvoor op 1 (in plaats van op 0,5) te worden gesteld. Omdat de procedure voor de rechtbank uitsluitend het niet toekennen van een kostenvergoeding betrof, dient de wegingsfactor voor die als ‘zeer licht’te kwalificeren procedure op 0,25 te worden gesteld.

6.23.

Het Hof zal de proceskostenveroordeling derhalve vaststellen op {[1 (voor het indienen van het beroepschrift) + 0,5 (voor het indienen van een conclusie van repliek) + 1 (voor het verschijnen ter zitting)] x 0,25 (wegingsfactor) x € 487 + [0,5 (voor het indienen van een verzetschrift) + 0,5 (punt voor het verschijnen ter zitting in verzet)] x 1 (wegingsfactor) x € 487 = afgerond} € 792.

Misbruik van procesrecht

6.24.

De heffingsambtenaar heeft gesteld dat belanghebbende misbruik van procesrecht heeft gemaakt dan wel kennelijk onredelijk gebruik heeft gemaakt van het procesrecht (hetgeen “Waternet/AGV en daarmee de inwoners van het waterschapsgebied, maar ook de rechtbank en uw Hof onnodig veel tijd en geld” heeft gekost). Om die reden dient - volgens de heffingsambtenaar - belanghebbende in de proceskosten van de heffingsambtenaar te worden veroordeeld en het griffierecht te vergoeden.

Het Hof verwerpt dit standpunt. Reeds uit het feit dat belanghebbende door rechtbank en Hof in het gelijk is/wordt gesteld, volgt dat van een duidelijk kansloze procedure geen sprake is.

Slotsom

6.25.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd.

7 Kosten

Aangezien het hoger beroep slechts gedeeltelijk slaagt, acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling van de heffingsambtenaar op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in de proceskosten die belanghebbende in hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit).

Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (zie ook rechtsoverweging 6.12 tot en met 6.16). Gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op € 243,50 (1 punt voor het verweerschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting x € 487 x wegingsfactor voor het gewicht van de zaak 0,25).

8 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank, doch uitsluitend wat betreft de beslissing met betrekking tot de hoogte van de vergoeding van de kosten in bezwaar en beroep;

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten in bezwaar van belanghebbende tot een bedrag van € 121,50;

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten in beroep van belanghebbende tot een bedrag van € 792; en

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten in hoger beroep van belanghebbende tot een bedrag van € 243,50.

De uitspraak is gedaan door mrs. P.F. Goes, voorzitter, F.J.P.M. Haas en J.P.F. Slijpen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Couperus als griffier. De beslissing is op 2 januari 2014 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.