Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:2281

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-05-2014
Datum publicatie
21-08-2014
Zaaknummer
13/00205
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:1139, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:752
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De door belanghebbende opgevoerde buitengewone uitgaven en scholingsuitgaven komen niet voor aftrek in aanmerking.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 6.16
Wet inkomstenbelasting 2001 6.17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/1714
V-N 2014/44.1.4
FutD 2014-1959
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 13/00205

27 mei 2014

uitspraak van de vijftiende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 12/1925 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 27 mei 2011 aan belanghebbende voor het jaar 2008 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB) opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.065.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 4 april 2012, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.182.

1.3.

Bij uitspraak van 21 februari 2013 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 4 april 2013. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft op 24 april, 28, 29 april en 30 april 2014 nadere stukken ingezonden. Een kopie hiervan is aan de inspecteur gezonden. Op 2 mei en 6 mei 2014 heeft belanghebbende opnieuw nadere stukken ingezonden. Een kopie hiervan is tijdens het onderzoek ter zitting op 7 mei 2014 aan de inspecteur verstrekt.

1.6.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

Het Hof ziet aanleiding de feiten zelfstandig vast te stellen.

2.1.

Belanghebbende heeft op 8 april 2009 aangifte IB 2008 gedaan naar een verzamelinkomen van nihil. Op 7 augustus 2009 heeft hij een aanvulling op de ingediende aangifte IB 2008 gedaan. In deze aanvulling is, onder meer, opgenomen:

“3a (…)

Naam van de uitkeringsinstantie(s) Ingehouden loonheffing Pensioen of uitkering

Gemeente [woonplaats] € 3990 € 14.325

dienst werk en inkomen

(..)

25a Aftrek ziektekosten of andere buitengewone uitgaven (…) € 4.433

(…)

27a Aftrek studiekosten of andere scholingsuitgaven € 2.352”

Het aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning (na persoonsgebonden aftrek) bedraagt € 7.540.

2.3.

Met dagtekening 4 mei 2011 heeft belanghebbende wederom een aanvulling op de aangifte IB 2008 ingediend, met de volgende gegevens:

“3a (…)

Naam van de uitkeringsinstantie(s) Ingehouden loonheffing Pensioen of uitkering

Jaaropgaaf 2008

Gemeente [woonplaats] € 3989 € 14.326

dienst werk en inkomen

(..)

25a Aftrek ziektekosten of andere buitengewone uitgaven (…) € 21.424

(…)

27a Aftrek studiekosten of andere scholingsuitgaven € 3.040

Zie 25 ziektekosten of andere buitengewone uitgaven (Hof: handgeschreven)”

2.4.

In een brief van 4 mei 2011 (als bezwaar tegen de voorlopige aanslag IB 2008) heeft belanghebbende onder meer de volgende toelichting op de aangifte geschreven:

“-2008 Premie aanvullende zorgverzekering CZ 446

- 2008 Vaste aftrek voor aarbeiongeschiktheid (€ 821per persoon) 821

2008 Totaal algemene uitgaven opgeteld 1.267

- OVERMACHT gemeente [woonplaats] heffingskorting klant(…) 5.283

-2008 arbeids-her-geschiktheidsreintegratie (…) 3.040

-2008 voorgeschreven medicijen pro-hair therapie (…) 811

-2008 voorgeschreven hulpmiddelen en hun onderhoud/gebruik (…) 533

- 2008 vaste aftrek huisapotheek 23

Specifieke uitgaven 2008 opgeteld 9.690

113% van de specifieke uitgaven 2008 10.949

Totaal specifieke uitgaven 2008 20.639

Vaste aftrek voor uitgaven wegens chronische ziekte 2008 821

- 2008 overige ziektenkosten en buitengewone uitgaven KNO (…) 100

- 2008 overige ziektenkosten en buitengewone uitgaven [naam] (…)tandartsen 100

Totaal ziektenkosten of andere buitengewone uitgaven 2008 opgeteld 21.661

-2008 drempel ziektenkosten 2008 236

Aftrekbedrag ziektenkosten of andere buitengewone uitgaven 21.424”

En

“-2008 € 3.040 (…) onderzoek en ontwikkeling kosten 2008 gemaakt studerend aan UvA AMSTERDAM BUSINESS SCHOOL, Open Universiteit, VU Amsterdam, gericht op mogelijkheden (advanced) graad vanaf 2005 voor MSc; MBA/MIF; DBA/dr, LLM, CFA, RC, RA, LLM (…) ter verbetering van mijn kansen op werk/arbeid, inspelend op veranderingen op relevante arbeids-en financiële, globale economische, investerings/beleggings markten en financiering en fiscale problematiek ontstaan vanaf 2008.

- 2008 Les, abonnementen, vakliteratuur, vakboeken(…) € 1.156

- 2008 Computer afschrijving en computer-briefcase(…) € 474

- 2008 Kantoorartikelen, supplies, consumables (…) € 795

- 2008 Gebruik en onderhoud computer en randapparatuur(…) € 407

- 2008 Telefoon, internet, info (…) € 658

- 2008 lezen wetenschap, journaals, empirische research (…) € 50

- 2008 Niet aftrekbaar € 500

-2008 Voorschrift arts en medisch geïndiceerde kosten € 3.040”

2.5.

In een brief van 11 mei 2011 schrijft de inspecteur aan belanghebbende over zijn voorgenomen afwijking van de aangifte IB 2008 het volgende:

“Ik ben voornemens uw aftrek onder de noemer buitengewone uitgaven te verlagen van € 4.433 naar € 260, als volgt berekend: aftrek € 447 onder de noemer aanvullende premies en een aftrek van € 49 onder de noemer huisapotheek (2,13 maal € 23). Totale aftrek € 446 minus een drempel van € 236 (1,65% maal € 14.325), netto aftrek € 260.

Ik heb helaas geen stukken van u ontvangen, welke verband houden met de aftrek onder de noemer scholingsuitgaven. Ik ben dan ook voornemens de aftrek onder de noemer scholingsuitgaven ad

€ 2.352 terug te brengen naar nihil.

Overzicht afwijking(en):

-Lagere aftrek buitengewone uitgaven € 4.173

-Lagere aftrek scholingsuitgaven € 2.352

Totaalbedrag van de afwijking(en) € + 6.525

2. Berekening

Het berekende inkomen uit werk en woning volgens de aangifte (box 1) € 7.540

Totaal bedrag van de afwijking(en) € +6.525

Vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning € 14.065”.

2.6.

Op 27 mei 2011 is de onder 1.1. genoemde (definitieve) aanslag opgelegd. De inspecteur is daarbij afgeweken van de aangifte voor wat betreft de aftrek van buitengewone uitgaven en scholingskosten. De aanslag is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.065. Bij het opleggen van de aanslag is rekening gehouden met een algemene heffingskorting van € 2.074. In de bezwaarfase verzoekt belanghebbende om aftrek van buitengewone lasten van € 23.257 en om aftrek van scholingsuitgaven van € 7.040.

De aftrek van scholingsuitgaven heeft hij in zijn bezwaarschrift als volgt onderbouwd:

“(…)Seminars, conferenties, presentaties, colleges, bibliotheken(…) 50 xl, 13= 57 = € 107

(…)Veldempirisch onderzoeken/-netwerken/-training/-stage Reiskosten noten (…)

(…)Educatie permanente, abonnementen en vakliteratuur (…) 1156 xl ,13=1306= € 2462

(…)Open bronnen; academisch, empirisch en professioneel (…) 658 x1,13=744 = € 1402

(…)StudeerOffice, verbruiksartikelen, organizers, backup, enz (…) 795 xl,13= 898 = € 1693

(…)Studeercomputer afschrijving met labtopreistas/-koffer (…) 474 xl,13= 536= € 1010

(…)Randapparatuur & software up-dates/grades studie labtop (…) 407 xl, 13= 460 = € 867

(…)+/+ SOM 27, 27a, (25, 25a) 3540 x1,13= 4000 = € 7540

(…)€ 500, = drempel niet aftrekbaar 2008 - 500 =

(…)aftrek 27, 27a op voorschrift 25,25a BIG artsen/spec. totaal(…) = € 7040”

.

2.7.

Bij de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur ter zake van de aftrek ziektekosten en andere buitengewone lasten een bedrag van € 4.143 (na aftrek van de drempel van € 236) geaccepteerd. Hij berekent deze kosten als volgt:

"Algemene uitgaven

€ 446

Specifieke uitgaven € 2.912

  • -

    - Voorgeschreven medicijnen € 533 +€ 811

  • -

    - Huisapotheek € 23

  • -

    - verhoging van 113% x € 1.357

Vaste aftrek voor uitgaven wegens chronische ziekte € 821

Overige uitgaven (tandarts) € 200

Totaal van de uitgaven € 4.379

Af: drempel € 236

Aftrek ziektekosten en andere buitengewone uitgaven € 4.143”

De (gestelde) scholingsuitgaven heeft hij niet geaccepteerd. Het belastbare inkomen uit werk en woning is bij uitspraak op bezwaar vastgesteld op € 10.182.

3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daarbij het volgende overwogen (waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de inspecteur als verweerder):

Buitengewone uitgaven

4.1.

Van de door eiser opgevoerde buitengewone uitgaven zijn nog in geschil de posten ‘vaste aftrek voor arbeidsongeschiktheid’ ad € 821, ‘overmacht heffingskorting 2008 (2007, 2006)’ ad € 5.283 en ‘voorgeschreven medische reïntegratie’ ad € 3.540.

4.2.

Artikel 6.16, aanhef en onderdeel a van de Wet IB 2001 (tekst 2008) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Buitengewone uitgaven zijn de uitgaven wegens:

a. ziekte, invaliditeit en bevalling van de belastingplichtige (…)

(…)

c. arbeidsongeschiktheid of chronische ziekte van de belastingplichtige

(…)

4.3.

Artikel 6.17, eerste lid en tweede lid, van de Wet IB 2001 luidt als volgt:

“1. Als uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling worden aangemerkt de daarmee verband houdende:

  1. uitgaven voor genees,- heel- en verloskundige hulp, met inbegrip van farmaceutische en andere hulpmiddelen en vervoer;

  2. . uitgaven voor extra gezinshulp;

  3. . extra uitgaven voor een op medisch voorschrift gehouden dieet indien zij meer bedragen dan € 113 tot een bedrag bepaald volgens bij ministeriële regeling te stellen regels;

  4. . extra uitgaven voor kleding en beddengoed, volgens bij ministeriële regeling te stellen regels;

  5. . uitgaven voor reizen in verband met het regelmatig bezoeken van wegens ziekte of invaliditeit langer dan een maand verpleegde personen met wie de bezoeker bij de aanvang van de ziekte of invaliditeit een gezamenlijke huishouding voerde, indien de afstand tussen de woning of de verblijfplaats van de bezoeker en de plaats waar de verpleging plaatsvindt meer beloopt dan 10 kilometer.

2.Als hulpmiddel wordt mede aangemerkt een middel dat de persoon in staat stelt tot het verrichten van een normale lichaamsfunctie waartoe hij zonder dat middel niet in staat zou zijn. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de aard van de hulpmiddelen ter zake waarvan uitgaven in aanmerking kunnen worden genomen.”

4.4.

De bewijslast inzake de aftrekbaarheid van buitengewone uitgaven rust op eiser.

4.5.

De rechtbank begrijpt de grief van eiser inzake de ‘overmacht heffingskorting 2008 (2007, 2006)’ aldus, dat eiser aanspraak wenst te maken op heffingskortingen die voor de jaren 2006 en 2007 ten onrechte zouden zijn onthouden. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Nog los van het feit dat dit geen buitengewone uitgaven zijn in de zin van artikel 6.16 van de Wet IB 2001, is er ook overigens binnen het systeem van de Wet IB 2001 in het onderhavige jaar geen plaats voor aftrek van de beweerdelijk ten onrechte voor 2006 en 2007 niet aanmerking genomen heffingskortingen, wat daar verder ook van zij.

De aanslagen voor de jaren 2006 en 2007 staan naar verweerder onbetwist heeft gesteld voorts inmiddels in rechte vast. Het is niet mogelijk om langs de weg van een bezwaar- of beroepschrift tegen de aanslag ib/pvv 2008 mede tegen de rechtens onaantastbare aanslagen ib/pvv 2006 en 2007 op te komen.

4.6.

Ingevolge de artikelen 6.20 en 6.20a van de Wet IB 2001 kan een aftrek voor uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid en chronische ziekte worden verleend tot een bedrag van € 821. Aftrek wegens chronische ziekte van € 821 kan slechts aan de orde zijn indien niet al aftrek wegens arbeidsongeschiktheid is verleend.

Verweerder heeft de door eiser geclaimde aftrek van € 821 in verband met chronische ziekte geaccepteerd. In beroep heeft verweerder gesteld dat indien al sprake zou zijn van aftrek wegens arbeidsongeschiktheid, de aftrek wegens chronische ziekte vervalt, gelet op de hiervoor genoemde bepalingen, zodat eiser per saldo maar éénmaal recht heeft op aftrek van € 821. Aangezien eiser, gelet op het terecht door verweerder gestelde, niet in aanmerking komt voor zowel aftrek wegens arbeidsongeschiktheid, als aftrek wegens chronische ziekte, kan zijn stelling hem niet baten, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.

4.7.

De rechtbank begrijpt het betoog van eiser ter zake van de gestelde medische kosten in verband met re-integratie aldus dat hij stelt op medisch advies te zijn gaan studeren ter re-integratie na arbeidsongeschiktheid. De door eiser gestelde uitgaven in verband met een studie zijn geen uitgaven voor genees- of heelkundige hulp, noch vallen zij onder een van de andere in artikel 6.17 van de Wet IB genoemde uitgaven wegens ziekte of invaliditeit. Verweerder heeft de betreffende aftrek dan ook terecht geweigerd. Opgemerkt zij nog dat de Wet IB 2001 in artikel 6.20 voorziet in een vaste aftrek van € 821 voor uitgaven in verband met arbeidsongeschiktheid (zie 4.6).

4.8.

Voor zover geen sprake is van buitengewone lasten, komen die uitgaven niet in aanmerking voor de verhoging van buitengewone uitgaven met 113% op de voet van artikel 6.24, eerste lid, van de Wet IB 2001. Ook in zoverre is derhalve terecht geen rekening gehouden met buitengewone uitgaven.

Scholingsuitgaven

4.9.

De door eiser opgevoerde scholingsuitgaven dienen te worden getoetst aan het bepaalde in artikel 6.27, eerste lid, van de Wet IB 2001. Deze bepaling luidt als volgt:

“Scholingsuitgaven zijn uitgaven voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning.”

4.10.

Eiser heeft ter zitting toegelicht dat hij regelmatig naar de universiteit ging om daar onderzoek te doen. Voorts heeft hij de scholingskosten onderbouwd met de onder 2.3 weergegeven toelichting.

Van scholingsuitgaven in de zin van de voornoemde bepaling kan eerst sprake zijn indien uitgaven zijn gedaan in het kader van bepaalde opleiding of studie (een leertraject). Eiser heeft met hetgeen hij heeft aangevoerd evenwel niet aannemelijk gemaakt dat een bepaalde studie of opleiding is gevolgd. De enkele stelling dat onderzoek werd gedaan op de universiteit, is daartoe onvoldoende. Ook uit de door hem (aan verweerder) overgelegde bonnen en facturen (die met name lijken te zien op kantoor en computerbenodigdheden) kan niet worden afgeleid dat sprake was van een bepaalde studie of opleiding. Verweerder heeft derhalve terecht de aftrek van scholingsuitgaven geweigerd.

Tot slot

4.11.

Voor zover eiser heeft betoogd dat hem zijn ‘License to operate’ wordt ontnomen, kan de rechtbank dat niet volgen. Voor zover eiser hiermee bedoelt dat het hem vrij staat onderzoek te doen en zich te ontwikkelen op de wijze die hij zelf verkiest, brengt dat nog niet mee dat eiser recht heeft op aftrek van de daarmee gemoeide kosten, indien die kosten niet zijn aan te merken als buitengewone uitgaven of scholingsuitgaven (of enige andere voor aftrek in aanmerking komende uitgave) in de zin van de Wet IB 2001.

4.12.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

4.13.

Voor zover eiser heeft gesteld schade te hebben geleden op de voet van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat hem ten onrechte aftrekposten zijn geweigerd, bestaat reeds geen grond voor vergoeding van enige schade nu het beroep ongegrond wordt verklaard.

4 Geschil in hoger beroep

4.1.

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of de aanslag tot het juiste bedrag is vastgesteld.

4.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Ter zitting van het Hof is door partijen beaamd dat de door belanghebbende (in de nadere stukken) naar voren gebrachte bezwaren tegen een dwangbevel van 12 maart 2014 niet in de onderhavige procedure aan de orde kunnen komen. De stukken zijn door de inspecteur doorgezonden naar de ontvanger.

5.2.

Evenals bij de rechtbank zijn van de door belanghebbende opgevoerde buitengewone uitgaven nog in geschil de (gestelde) posten ‘2008 Vaste aftrek voor arbeidsongeschiktheid’ ad € 821, ‘OVERMACHT gemeente [woonplaats] heffingskorting klant’ ad € 5.283 en ‘voorgeschreven medische reïntegratie’ ad € 3.040 (€ 3.540- € 500).

5.3.

De rechtbank heeft terecht voorop gesteld dat de bewijslast ter zake van deze posten bij belanghebbende ligt.

5.4.

Ingevolge artikel 6.16, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn buitengewone uitgaven de uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid of chronische ziekte van de belastingplichtige. Ingevolge artikel 6.20a van de Wet IB 2001 heeft belanghebbende slechts recht op aftrek van uitgaven wegens chronische ziekte als hij niet in aanmerking komt voor uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid op de voet van artikel 6.20 van de Wet IB 2001.

5.5.

Belanghebbende claimt (zie onder 2.4.) zowel de aftrek voor uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid als de aftrek voor uitgaven wegens chronische ziekte. Op grond van de voormelde wettelijke bepalingen is aftrek voor beide posten niet mogelijk. In rechtsoverwegingen 4.6 en 4.7 van haar uitspraak heeft de rechtbank dan ook terecht en op goede gronden geoordeeld dat nu door de inspecteur aftrek voor uitgaven wegens chronische ziekte is gehonoreerd niet ook een aftrek voor uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid kan worden verleend. Het Hof maakt deze overwegingen tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden die een nieuw of ander licht op de zaak kunnen werpen aannemelijk geworden.

5.6.

Belanghebbende betoogt, naar het Hof begrijpt, dat heffingskortingen voor de jaren 2006, 2007, 2008 en 2009 niet juist zijn verwerkt bij de definitieve aanslagregeling en hij bij de definitieve aanslagregeling over deze jaren meer belasting heeft betaald dan hij (materieel) is verschuldigd.

5.7.

Het Hof is, gelijk de rechtbank heeft overwogen (in 4.5 van de rechtbankuitspraak), van oordeel dat in het onderhavige jaar geen plaats is voor (beweerdelijk) in 2006 en 2007 niet juist of onvolledig in aanmerking genomen heffingskortingen. Het Hof maakt deze overweging tot de zijne en overweegt dat hetzelfde heeft te gelden voor (beweerdelijk) niet juist of onvolledig in aanmerking genomen heffingskorting voor het jaar 2009.

In zijn bij het Hof ingediende verweerschrift heeft de inspecteur erkend dat er voor de berekening van de loonheffing in het jaar 2008 door de Gemeente [woonplaats] uitgegaan is van een te laag bedrag aan heffingskorting (hetgeen resulteerde in “teveel ingehouden loonheffing”). Dat kan, zoals de inspecteur betoogt, belanghebbende evenwel niet baten nu dit “later, in de inkomstenbelasting, [is] rechtgetrokken”.

5.8.

In artikel 8.10, lid 2, Wet IB 2001 (2008) is bepaald dat de algemene heffingskorting

€ 2.074 bedraagt. Nu uit de aanslag IB 2008 volgt dat rekening is gehouden met een algemene heffingskorting van € 2.074 is bij de (definitieve) aanslag rekening gehouden met een juist (het maximale) bedrag aan heffingskorting. Belanghebbendes grief slaagt dan ook niet.

5.9.

Ten aanzien van de gestelde aftrek (€ 3.040) in verband met uitgaven in verband met re-integratie (zie 2.4) heeft de rechtbank geoordeeld dat de door belanghebbende genoemde uitgaven geen uitgaven zijn in de zin van artikel 6.17 Wet IB. Het Hof maakt de overwegingen 4.7. en 4.8 van de rechtbank tot de zijne. Voorts zijn in hoger beroep geen feiten of omstandigheden die een nieuw of ander licht op de zaak kunnen werpen aannemelijk geworden.

5.10.

Ten aanzien van de door belanghebbende gestelde scholingsuitgaven (in de bezwaarfase stelt belanghebbende deze op € 7.040, zie onder 2.6) heeft het volgende te gelden.

5.11.

Artikel 6.27, eerste lid, van de Wet IB 2001 luidt als volgt: "Scholingsuitgaven zijn uitgaven voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning."

In de wetsgeschiedenis is met betrekking tot scholingsuitgaven onder meer het volgende opgenomen: "In artikel 6.7.1. (thans artikel 6.27) wordt de definitie van scholingsuitgaven opgenomen. Scholingsuitgaven zijn uitgaven van de belastingplichtige voor een door hem zelf gevolgde opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning. De uitgaven moeten direct verband houden met het leertraject. Hierbij moet worden gedacht aan reële en rechtstreekse kosten, lasten en afschrijvingen voor een opleiding of studie, zoals bijvoorbeeld lesgelden en leerboeken. Zo zijn uitgaven voor vakliteratuur alleen aftrekbaar indien er een zodanig verband tussen de literatuur en het volgen van een leertraject bestaat dat de literatuur in de gegeven omstandigheden naar het spraakgebruik als leerboek of leermiddel kan worden aangemerkt. " (Memorie van toelichting, Kamerstukken II 1998/99, 26727, nr. 3, blz. 260)

5.12.

Het Hof leidt uit de tekst van artikel 6.27, eerste lid, van de Wet IB 2001 af dat een belastingplichtige eerst dan voor aftrek van scholingsuitgaven in aanmerking kan komen als hij een opleiding of een studie volgt, hetgeen wordt bevestigd door de in 5.11 geciteerde passage uit de wetsgeschiedenis. In casu is daarvan, naar het oordeel van het Hof, geen sprake. Belanghebbende heeft met hetgeen hij heeft overgelegd niet aannemelijk gemaakt dat het studeren van belanghebbende plaatsvindt in het kader van het volgen van een leertraject (in verband met een opleiding of studie). Daarvoor is in ieder geval nodig dat het verwerven van de kennis onder enige begeleiding of toezicht van een derde plaatsvindt; met andere woorden; zelfstudie is daarvoor onvoldoende.

Het feit dat belanghebbende weerspreekt dat sprake is van zelfstudie, maakt de feitelijke situatie (waarbij niet aannemelijk is geworden dat belanghebbendes studeren plaatsvindt in het kader van het volgen van een leertraject), niet anders. Dat de studie, zoals belanghebbende voorts stelt, noodzakelijk is voor het op peil houden en verbeteren van zijn kennis en vaardigheden, doet evenmin af aan voormeld oordeel. Voorts is het Hof met de rechtbank van oordeel dat het belanghebbende uiteraard vrij staat onderzoek te doen en zich te ontwikkelen op de wijze die hij zelf verkiest, maar dat dit geenszins meebrengt dat belanghebbende recht heeft op aftrek van de daarmee gemoeide kosten, indien die kosten niet zijn aan te merken als buitengewone uitgaven of scholingsuitgaven (of enige andere voor aftrek in aanmerking komende uitgave) in de zin van de Wet IB 2001.

Het voorgaande leidt er toe dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een aftrek scholingsuitgaven.

5.13.

Het Hof is voorts niet gebleken van enige strijd met het Europees of internationaal recht.

Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht vindt het Hof geen termen aanwezig.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mr. M.J. Leijdekker, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 27 mei 2014 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.