Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:2278

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-06-2014
Datum publicatie
17-06-2014
Zaaknummer
23-005349-12
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:3498, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verduistering van het door de verzekeraar uitgekeerde geld door het geld voor andere doeleinden aan te wenden dan waarvoor het oorspronkelijk was bedoeld. Witwassen van dat geld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-005349-12

Datum uitspraak: 17 juni 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 30 november 2012 in de strafzaak onder parketnummer 14-702510-10 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 juni 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1

primair
hij in of omstreeks de periode van 21 oktober 2002 tot en met 01 november 2002 in de gemeente(n) Heerhugowaard en/of Rotterdam en/of (elders) in Nederland met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [Verzekeraar] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 577.724,11 euro, althans van enig geldbedrag, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zijn medewerking verleend aan de oprichting van [Stichting] met als doel uitkeringen te verstrekken aan slachtoffers van de legionellabesmetting op de Westfriese Flora en/of zich (vervolgens) voorgedaan als bestuurder en/of vertegenwoordiger en/of beheerder van genoemde stichting en/of aan genoemde verzekeringsmaatschappij een rekeningnummer opgegeven, niet zijnde een rekeningnummer van genoemde stichting, waardoor genoemde verzekeringsmaatschappij werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

1

subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 30 oktober 2002 tot en met 22 november 2002, in elk geval op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 30 oktober 2002 tot en met 31 december 2011, in de gemeente Heerhugowaard en/of (elders) in Nederland (telkens) opzettelijk een geldbedrag van 577.724,11 euro, althans één of meer geldbedrag(en), dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [Verzekeraar] en/of [Stichting], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) geldbedrag(en) verdachte (telkens) onder zich had in zijn hoedanigheid van bestuurder en/of beheerder van de [Stichting], in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2
hij in of omstreeks de periode van 30 oktober 2002 tot en met 31 december 2011 in de gemeente Heerhugowaard en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van (een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag van 577.724,11 euro, althans één of meer geldbedrag(en), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, althans heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op die/dat geldbedrag(en) was/waren en/of wie die/dat geldbedrag(en) voorhanden had, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf en/of heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) dat/die geldbedrag(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van dat/die geldbedrag(en) gebruik gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Vrijspraak feit 1 primair

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat sprake is van oplichting, nu de verdachte bedrieglijk en listiglijk de [Stichting] heeft opgericht, terwijl hij eigenlijk van plan was om de verzekeringsgelden voor zichzelf te gebruiken in plaats van uit te keren aan de slachtoffers en daartoe deze gelden heeft laten overmaken naar een eigen bankrekening.

Tijdens de West-Friese Flora, die van 19 tot 28 februari 1999 werd gehouden is een groot aantal bezoekers besmet geraakt door de legionella bacterie. [Verzekeraar], de verzekeraar van het bedrijf van verdachte, heeft geld uitgekeerd dat was bestemd om, door tussenkomst van de [Stichting], ten goede te komen aan de slachtoffers van deze legionellaramp. Eerst daarna heeft verdachte het uitgekeerde bedrag van de [Verzekeraar] volledig aan - naar eigen zeggen - eigen gemaakte kosten uitgegeven. Volgens vaste jurisprudentie1 van de Hoge Raad is het aanwenden van geld voor andere doeleinden dan het oorspronkelijk was bedoeld, verduistering in de zin van artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht. Niet dan wel onvoldoende is komen vast te staan dat [Verzekeraar] door enig in de tenlastelegging opgenomen oplichtingsmiddel is bewogen tot de afgifte van dit geldbedrag en daarom kan de onder 1 primair ten laste gelegde oplichting niet bewezen worden verklaard.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1

subsidiair
hij op één of meer tijdstippen gelegen in de periode van 30 oktober 2002 tot en met 31 december 2011 in Nederland opzettelijk een geldbedrag van 577.724,11 euro, dat geheel toebehoorde aan [Verzekeraar] en/of [Stichting] en welk geldbedrag verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2
hij in de periode van 30 oktober 2002 tot en met 31 december 2011 in Nederland, een geldbedrag van 577.724,11 euro, heeft verworven en voorhanden gehad en van dat geldbedrag gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Hetgeen onder 1 subsidiair en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bespreking van het bewijsverweer

Verduistering

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman aangevoerd dat geen sprake is van verduistering, nu de verdachte zich het geld niet wederrechtelijk heeft toegeëigend. De verdachte heeft gemeend dat hij het geld van [Verzekeraar] mocht aanwenden zoals hij gedaan heeft. Vrijspraak dient dan ook te volgen.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe het volgende.

De stelling van de verdediging dat de verdachte het volledig uitgekeerde geldbedrag van [Verzekeraar] mocht aanwenden voor het doen van uitgaven, zoals de verdachte erkent te hebben gedaan, in plaats van voor het doen van uitkeringen aan de slachtoffers van de legionellabesmetting, is op generlei wijze onderbouwd met stukken en ook anderszins niet aannemelijk geworden, te minder nu deze stelling wordt weersproken door de inhoud van de bewijsmiddelen.

Witwassen

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat geen sprak is van witwassen, nu de verdachte het geld dat hij ontving van [Verzekeraar] niet uit enig misdrijf afkomstig was. De verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe het volgende.

Het hof acht bewezen dat de verdachte het geld afkomstig van [Verzekeraar], opzettelijk heeft verduisterd (feit 1 subsidiair). De verdachte heeft het geldbedrag dat hij voorhanden heeft gehad uit het door hemzelf begane misdrijf, te weten verduistering, op een privé bankrekening ([rekeningnummer]) gestort gekregen. Vrijwel onmiddellijk daarna heeft de verdachte het ontvangen geld van [Verzekeraar] overgeboekt naar andere, aan hem als natuurlijk persoon gerelateerde bankrekeningen en deze bedragen vervolgens in de periode vanaf november 2002 diverse keren tussen zijn ABN-AMRO-rekeningen en DSB-rekening heen en weer geboekt. Voorts is gebleken dat het oorspronkelijke geldbedrag van [Verzekeraar], nadat dit is vermengd met privé gelden of gelden van verschillende aan de verdachte toebehorende bedrijven, niet meer op enig te achterhalen rekening aanwezig is. De verdachte heeft voorts ter terechtzitting bevestigd dat het geldbedrag weg is en dat geen enkele uitkering is gedaan aan de slachtoffers van de legionellabesmetting tijdens de West-Friese Flora in 1999.

Gelet hierop is het hof van oordeel dat de verdachte handelingen heeft verricht die erop waren gericht om het overgemaakte en door de verdachte verduisterde geldbedrag veilig te stellen door geldbedragen van zijn rekeningen op te nemen dan wel betalingen te verrichten en heeft hij dat overgemaakte geldbedrag niet slechts voorhanden gehad, maar waren zijn gedragingen (kennelijk) ook gericht op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de herkomst van dat geldbedrag en heeft hij zich aldus strafbaar gemaakt aan witwassen.2

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

verduistering.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Alkmaar heeft de verdachte voor het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder in beschouwing genomen dat de verdachte de gelden die bestemd waren om de vele slachtoffers van de legionella besmetting te compenseren ten eigen bate heeft aangewend. Door toedoen van verdachte hebben de slachtoffers vele jaren moeten wachten op een uitkering en is hen daardoor extra leed berokkend. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan. Door de ontvangen uitkering van [Verzekeraar] vrijwel onmiddellijk na binnenkomst en nadien over te boeken naar diverse bankrekeningen heeft hij er bovendien voor gezorgd dat het geld niet langer traceerbaar was, aldus eventuele verhaalsmogelijkheden frustrerend. Op dergelijk handelen kan niet anders worden gereageerd dan door het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De door de rechtbank opgelegde en de door de advocaat-generaal gevorderde straffen doen naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. Het hof komt dan ook tot oplegging van een hogere straf waarbij tevens acht is geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten inzake fraude. Het hof betrekt tevens bij de strafoplegging het feit dat de verdachte het laakbare van zijn handelen niet wenst in te zien.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is tevens in aanmerking genomen dat blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 21 mei 2014 de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten strafrechtelijk onherroepelijk is veroordeeld en dat het een gedateerd feit betreft.

Het hof acht gelet op het voren overwogene een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 321 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt de gevangenneming van de verdachte, waarvan het bevel afzonderlijk is geminuteerd

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.W.H.G. Loyson, mr. J.D.L. Nuis en mr. R.A.F. Gerding, in tegenwoordigheid van

mr. J.J. Veldheer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

17 juni 2014.

1 Zie o.a. HR 5 april 2011, NJ 2011/175.

2 HR 3 oktober 2013, NJ 2013/496.