Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:2270

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-06-2014
Datum publicatie
07-07-2014
Zaaknummer
200.089.130-01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2013:2580
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In algemene voorwaarden behorend bij franchiseovereenkomst tussen Subway en franchisenemer is een arbitraal beding opgenomen en is het recht van Liechtenstein van toepassing verklaard. Toetsing van het arbitrale beding aan § 879 lid 3 van het Allgemeines Bürgerliches Gesetzbuch (ABGB) van Liechtenstein, leidt tot het oordeel dat het beding een 'erhebliches Missverhältnis der vertraglichen Rechte und Pflichten' van franchisenemer veroorzaakt, omdat deze, als economisch zwakkere partij, naar New York moet reizen om zijn zaak toe te lichten en in het Engels moet procederen. Arbitrale beding is nietig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvA 2015/7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.089.130/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 47669/ HA ZA 10-3819

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 juni 2014

inzake

[APPELLANT] ,

wonend te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SUBWAY INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. U. Aloni te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van het geding

Partijen worden hierna wederom [appellant] en Subway genoemd.

In het tussenarrest van 20 augustus 2013 heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld om een akte te nemen als omschreven in het arrest.

[appellant] heeft een akte genomen, met producties.

Hierna heeft Subway een antwoordakte genomen, met producties.

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

2 De verdere beoordeling

2.1

In zijn tussenarrest van 20 augustus 2013 heeft het hof vastgesteld dat beoordeeld moet worden of de arbitrale overeenkomst onder het recht van Liechtenstein geldig of ongeldig is. Hierbij verdient opmerking dat de omstandigheid dat op de arbitrale overeenkomst het recht van Liechtenstein van toepassing is verklaard, terwijl de overeenkomst tussen partijen geen enkele relatie heeft met Liechtenstein, op zich al opmerkelijk mag worden genoemd en – vanuit het gezichtspunt van [appellant] – als een complicerende en kostenverhogende omstandigheid moet worden beschouwd bij zijn pogingen om Subway aansprakelijk te stellen voor zijn schade.
Op grond van de door partijen in het geding gebrachte rapporten en eigen onderzoek overweegt het hof het volgende over de geldigheid van de arbitrale overeenkomst.

2.2

Het beding in de arbitrale overeenkomst dat inhoudt dat New York (VS) de zittingsplaats zal zijn voor de arbitrale procedure, dient te worden getoetst aan § 879 lid 3 van het Allgemeines Bürgerliches Gesetzbuch (ABGB) van Liechtenstein. Niet in geschil is immers dat het te toetsen beding een door Subway van tevoren opgestelde algemene handelsvoorwaarde is, als bedoeld in dit artikellid.
§ 879 ABGB luidt als volgt:

1) Ein Vertrag, der gegen ein gesetzliches Verbot oder gegen die guten Sitten verstösst, ist nichtig.

2) Insbesondere sind folgende Verträge nichtig:

1. (…)

2. (…)

3. (…)

4. (…).

3) Eine in vorformulierten Geschäftsbedingungen enthaltene Klausel, die nicht eine der beiderseitigen Hauptleistungen festlegt, ist jedenfalls nichtig, wenn sie, unter Berücksichtigung aller Umstände des Falles, zum Nachteil eines Vertragsteils ein erhebliches Missverhältnis der vertraglichen Rechte und Pflichten verursacht.

Partijen zijn het er bovendien over eens dat bij de uitleg van de genoemde bepaling kan worden aangeknoopt bij de Oostenrijkse rechtspraak over een vergelijkbare bepaling in het Oostenrijkse recht.

2.3

Blijkens de wetstekst zijn alle omstandigheden van het geval van belang, zodat in elk individueel geval moet worden onderzocht of sprake is van onevenredige benadeling in de zin van § 879 lid 3 ABGB.
Vooropgesteld moet worden dat in de verhouding [appellant] - Subway, [appellant] als de economisch zwakkere partij heeft te gelden. [appellant] is een kleine startende ondernemer, die als franchisenemer van Subway een onderneming heeft gedreven; Subway is een multinational die, zoals zij zelf stelt, wereldwijd meer vestigingen heeft dan McDonald's. De financiële middelen, de deskundigheid en economische kracht en macht van Subway gaan die van [appellant] verre te boven.
zou, ook indien hij zonder juridische bijstand zijn zaak zou bepleiten, naar de Verenigde Staten moeten reizen om zijn zaak te kunnen verdedigen. Dit vormt een aanzienlijke belasting in termen van geld, tijd en energie, nog ongeacht of [appellant], zoals hij aanvoert, lijdt onder vliegangst. Dat, zoals Subway stelt, vaak wordt afgezien van een zitting doet hieraan niet af, nu het hier - mede in het licht van art. 6 EVRM, dat door Liechtenstein is ondertekend -, gaat om het recht van [appellant] om zijn zaak desgewenst mondeling op een zitting toe te lichten, ten overstaan van de arbiters. De mogelijkheid om gehoord te worden door middel van een conference call kan hiermee niet gelijk worden gesteld.
Gelet op het feit dat [appellant] zijn broodjeszaak exploiteerde in Nederland (Enschede) en Subway een in Nederland gevestigde vennootschap is, is er ook geen toereikende rechtvaardiging voor een behandeling van het geschil tussen partijen in de Verenigde Staten. Dat in de Verenigde Staten moet worden geprocedeerd, is louter in het voordeel van Subway, nu haar moederbedrijf daar gevestigd is.

Ook de omstandigheid dat de arbitrale procedure in de Engelse taal zou moeten worden gevoerd, draagt bij aan de onevenredigheid die het beding meebrengt. [appellant] kan daardoor immers niet in het Nederlands, zijn moedertaal, procederen. Dat [appellant] veelvuldig in het Engels heeft gecommuniceerd met Subway en anderen maakt dit niet anders, nu het communiceren met een handelspartij als Subway niet gelijk kan worden gesteld aan het communiceren ten overstaan van een scheidsgerecht; daarvoor is kennis van juridische begrippen en uitdrukkingen in de Engelse taal nodig. [appellant] zou zich in de arbitrale procedure naar alle waarschijnlijkheid dan ook moeten laten bijstaan door een tolk, en zo eveneens aanzienlijke kosten moeten maken. Subway stelt weliswaar dat zij ‘in specifieke gevallen’ de kosten van een tolk voor haar rekening neemt, maar zij heeft niet aangeboden in het onderhavige geval hoe dan ook de kosten van een tolk voor [appellant] te dragen, zodat aan genoemde stelling geen betekenis toekomt.
Het hof acht het ook onaannemelijk dat het arbitrale beding goedkoper is voor [appellant] dan een procedure voor de Nederlandse rechter of een arbitrale, in Nederland te voeren procedure.

De conclusie moet zijn dat de arbitrale overeenkomst een 'erhebliches Missverhältnis der vertraglichen Rechte und Pflichten' veroorzaakt en daarom naar het recht van Liechtenstein ongeldig is. Dat [appellant] in de vragenlijst van Subway heeft aangegeven het beding te begrijpen, is in dat verband irrelevant.

2.4

Uit de nietigheid van het arbitrale beding volgt dat de Nederlandse rechter bevoegd is tot kennisname van het geschil tussen [appellant] en Subway. Het hof zal de zaak terugwijzen naar de rechtbank ter verdere afdoening, nu het onderhavige appel enkel het bevoegdheidsincident betrof.

Als de in hoger beroep in het ongelijk te stellen partij zal Subway worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 april 2011, voor zover de rechtbank zich daarin niet-ontvankelijk heeft verklaard ter zake van de vorderingen van [appellant] tegen Subway;

en opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de Nederlandse rechter bevoegd is ter zake van de vorderingen van [appellant] tegen Subway;

verwijst de zaak naar de rechtbank Amsterdam ter verdere beslissing;

veroordeelt Subway in de kosten van het hoger beroep en begroot die aan de zijde van [appellant] op € 1.341,00 voor salaris en € 374,81 voor verschotten.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.H. de Bock, C.A. Joustra en C.C. Meijer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2014.