Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:2190

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-05-2014
Datum publicatie
04-07-2014
Zaaknummer
23-005183-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongeldig verklaard rijbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-005183-12

Datum uitspraak: 12 mei 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 24 augustus 2012 in de strafzaak onder de parketnummers 15-105970-12 en 13-600801-07 (TUL) tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep 28 april 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 11 december 2011 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten alle categorieën, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Starnmeerstraat, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverweging en bespreking van het verweer

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat hij ten tijde van het tenlastegelegde meende en ook mocht menen in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij dit uit een door hem ontvangen schrijven van het Centraal Bureau voor de afgifte van Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) d.d. 28 januari 2011 heeft mogen afleiden, hetgeen hem desgevraagd bevestigd zou zijn door zijn toenmalige raadsman.

Het hof gaat uit van het volgende. Bij besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen van 10 september 2010 is het rijbewijs van de verdachte ongeldig verklaard. Bij brief van 28 januari 2011 heeft het CBR de verdachte vervolgens het volgende meegedeeld, voor zover hier van belang:

Voor het verkrijgen van een Verklaring van geschiktheid hebt u een Eigen verklaring ingediend.

Op grond van de ons bekende gegevens zijn wij van oordeel dat wij een Verklaring van geschiktheid kunnen afgeven voor de categorie(ën) B zonder beperkingen.

Wij hebben uw geschiktheid intussen gemeld bij het Centraal Rijbewijzen- en Bromfietsencertificatenregister van de RDW. U kunt nu een rijbewijs aanvragen op het gemeentehuis. Daarbij is het niet noodzakelijk dat u deze brief toont. De gemeente kan via het Centraal Rijbewijzen- en Bromfietscertificatenregister kennis nemen van ons besluit tot afgifte van de Verklaring van geschiktheid. Deze verklaring is geldig tot één jaar na dagtekening van deze brief.

Het hof is van oordeel dat uit de hiervoor weergegeven mededelingen niet kan worden afgeleid dat het ongeldig verklaarde (oude) rijbewijs van de verdachte hiermee weer geldig was verklaard. Dat de verdachte dit wel had mogen menen op grond van mededelingen van zijn toenmalige raadsman is onvoldoende aannemelijk geworden, nu deze enkele stelling van de verdachte op geen enkele wijze nader is onderbouwd. Het hof gaat dan ook aan dit verweer voorbij.

De verdachte heeft voorts ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij al eerder op 5 december 2011 als bestuurder van een voertuig was aangehouden en dat hem bij die gelegenheid door de politie is medegedeeld dat hij niet in het bezit was van een geldig rijbewijs en daarom niet in een auto mocht rijden. Het hof is daarom van oordeel dat de verdachte op 11 december 2011 wist dat hij met een ongeldig verklaard rijbewijs het voertuig bestuurde waarin hij is aangehouden op de Starnmeerstraat te Hoofddorp.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 11 december 2011 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, de Starnmeerstraat, als bestuurder een motorrijtuig, personenauto, van die categorie heeft bestuurd.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 (twee) weken.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft op 11 december 2011, terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, een auto bestuurd. Deze gedraging is met het oog op het belang van de verkeersveiligheid niet toegestaan en te meer laakbaar nu de verdachte amper een week voor de bewezenverklaarde gedraging door de politie op de ongeldigheid van zijn rijbewijs was gewezen. Bovendien liep ten tijde van het plegen van dit feit nog een proeftijd van een eerdere veroordeling. Anderzijds overweegt het hof dat de verdachte op 28 januari 2011 reeds een Verklaring van geschiktheid zonder beperkingen had ontvangen en dat op grond daarvan aan de verdachte op 21 december 2011 een nieuw rijbewijs is afgegeven. Dit in aanmerking genomen en acht slaande op het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht komt het hof tot een lagere strafoplegging dan de advocaat-generaal heeft gevorderd.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 april 2014 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 5 augustus 2009 opgelegde voorwaardelijke ontzegging motorrijtuigen te besturen voor de periode van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 5 augustus 2009, parketnummer 13-600801-07, te weten van:

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.L. Bruinsma, mr. A.M.P. Geelhoed en mr. R.A.F. Gerding, in tegenwoordigheid van

mr. A.J.E. Schouten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

12 mei 2014.

Mr. J.L Bruinsma en mr. R.A.F. Gerding zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...]

[...][...][...]

[...]

[...][...]

[...][...][...][...]

[...]