Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:2160

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-05-2014
Datum publicatie
18-06-2014
Zaaknummer
12/00587
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Douane. Indeling GN keramisch proppant en artikel 220, lid 2, sub b CDW.

Indeling onder GN-post 2606 niet mogelijk. Producten dienen te worden ingedeeld onder post 6909.

Inspecteur is niet gehouden om af te zien van navordering op grond van artikel 220, lid 2, sub b CDW omdat niet voldaan is aan de voorwaarde dat de betrokkene aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1456
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 12/00587

15 mei 2014

uitspraak van de meervoudige douanekamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z], belanghebbende,

gemachtigde: C.H. Bouwmeester (Loyens & Loeff N.V.)

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 11/5523 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 12 november 2010 een uitnodiging tot

betaling (hierna: UTB) aan belanghebbende uitgereikt ten bedrage van € 3.201,10.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 8

september 2011, de UTB gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 10 juli 2012 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde

beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 20

augustus 2012, aangevuld bij brief ingekomen op 17 september 2012. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2014. Het onderzoek in de

onderwerpelijke zaak heeft gelijktijdig plaatsgevonden met het onderzoek in de zaken met kenmerken 12/00584 tot en met 12/00586. Van het verhandelde ter

zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiseres’, de inspecteur als ‘verweerder’.

“2.1. Verweerder heeft bij [aangever] een controle over de jaren 2008, 2009 en 2010 ingesteld naar de aanvaardbaarheid van door [aangever] namens onder andere eiseres gedane aangiften. Van deze controle is onder nummer 63-20090650 een rapport opgemaakt met datum 4 november 2010. De controle is onder andere gericht geweest op de juistheid van het aangegeven tarief van het goed keramische proppant S138-3050 (hierna ook: het product).

2.2.

Tijdens de controle is het product door het douanelaboratorium onderzocht. Tevens heeft ook een heronderzoek plaatsgevonden. In voornoemd rapport volgt verweerder het advies van het douanelaboratorium om het product in te delen onder GN-code 6909 00 90 in plaats van de aangegeven GN-code 2606 00 00, omdat niet wordt voldaan aan aantekening 2 op Hoofdstuk 26 van het Tarief. Verweerder heeft hierop de onder 1 genoemde utb uitgereikt.

2.3.

Proppant S138-3050 bestaat uit korrels met een onregelmatig oppervlak die zijn vervaardigd uit aluminiumerts en zijn samengesteld uit een verbinding van voornamelijk

aluminium- en siliciumoxide. Uit de tot de stukken van het geding behorende material safety data sheet blijkt dat dit product is samengesteld uit 5 – 35% Silicon Dioxide (amorphous as glass); 60 – 85% Mullite en 0 – 20% Silica Crastalline-Cristobalite. Het basismateriaal is gemalen tot een zeer fijn poeder. Daarna zijn, bijvoorbeeld met de hulp van een mixer, kleine bolletjes of korrels met een specifieke maat ontstaan. De pellets worden vervolgens gesorteerd (gezeefd) naar maat (standaardmaten bijvoorbeeld 12/18, 16/20 of 20/40) en daarna gebrand (gesinterd) in een roterende steenoven.

Het product wordt gebruikt bij het winnen van olie en gas uit de bodem. Eerst wordt een gat geboord om bij de bron te komen. Vervolgens wordt onder grote druk een vloeistof in de bron gepompt. Dit veroorzaakt een breuk in de door het boren geperforeerde zone. Als de breuk open is wordt de proppant in de bron gepompt. Mede met de proppant wordt vloeistof (fracturing fluid), die als drager dient om de breuk te vullen, in de bron gepompt. Als de breuk is volgelopen, wordt de druk verminderd, zodat de breuk zich gaat sluiten tegen de proppant en het gas en de olie een uitweg vinden. Het gas en de olie kunnen vervolgens worden gewonnen. Een klein deel (ongeveer 5%) wordt gebruikt als mal in gieterijen voor metallurgische doeleinden; het overige deel wordt gebruikt voor de winning van olie en gas.

2.4.

Tot de stukken van het geding behoren de uitslagen van het douanelaboratorium ten aanzien van het product.

De uitslag van de producten keramische proppant S138-3050 (in de uitslag omschreven als mesh ceramic proppant) luidt als volgt:

“Bij onderzoek bevonden:

Grijze korrels met onregelmatig oppervlak, bestaande uit voornamelijk aluminium- en silicium oxide. Volgens informatie van internet zijn de korrels keramisch gebakken en wordt het gebruikt bij het boren en omhoog brengen van olie en gas uit de bodem.

Beschouwing ten aanzien van de indeling in de Gecombineerde Nomenclatuur:

Doordat het product geen metallurgische toepassing kent kan het niet worden ingedeeld in post 2606. Het product voldoet aan aantekening 1 op hoofdstuk 69. Geadviseerd wordt het product aan te merken als artikel voor chemisch of ander technisch gebruik.

Advies goederencode: 6909.1900 90”.

De uitslag van het heronderzoek van dit product luidt als volgt:

“Beschouwing ten aanzien van de indeling in de Gecombineerde Nomenclatuur:

De verwerking tot korrels is voor de productie van bepaalde metalen (bv. ijzer) een gebruikelijke behandeling in de metallurgie voor het winnen van het metaal. Daarom wordt deze mogelijkheid aangegeven in de GS-toelichting op Hoofdstuk 26. Kriterium is echter of de korrels daadwerkelijk gebruikt worden om daaruit het metaal te winnen. Bij de productie van aluminium uit bauxiet is het omzetten van erts in keramische korrels echter geen gebruikelijke techniek. Het is dus geen gebruikelijke bewerking in de aluminium metallurgie. De verwerking tot korrels dient een ander doel, namelijk om de producten geschikt te maken voor het gebruik als boorhulpmiddel of ten behoeve van de productie van mallen Hierdoor voldoet het product niet aan aantekening 2 op Hoofdstuk 26 en kan het niet worden ingedeeld in post 2606. Het product voldoet aan aantekening 1 op hoofdstuk 69. Geadviseerd wordt het product aan te merken als artikel voor chemisch of ander technisch gebruik, van keramische stoffen. Het laboratorium ziet naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift geen aanleiding om het eerder ingenomen standpunt te herzien.

Advies goederencode 6909.1900 90”.”

2.2.

In aanvulling hierop stelt het Hof de volgende feiten vast:

Blijkens de stukken van het geding heeft belanghebbende op 7 oktober 2008 te Hazeldonk een aangifte ten invoer gedaan met nummer 006962622/08 08 00454800, voor een zending proppants van het type S138-3050 3200, onder vermelding van goederencode 2606 00 00. Het douanekantoor Hazeldonk heeft diezelfde dag een monster genomen en de verificatie aangehouden in afwachting van de resultaten van het monsteronderzoek. Bij brief van 27 november 2008 heeft het douanelaboratorium aan douanekantoor Hazeldonk de uitslag van het monsteronderzoek toegezonden, waarin wordt geadviseerd de goederen in te delen onder goederencode 6909 19 00. Bij brief van 8 december 2008 heeft douanekantoor Hazeldonk deze uitslag medegedeeld aan belanghebbende.

Op 13 januari 2009 heeft de inspecteur de verificatie van de aangifte beëindigd, waarbij de goederencode conform het advies van het laboratorium, is gecorrigeerd van 2606 00 00 naar 6909 19 00, hetgeen resulteerde in een UTB voor een bedrag van € 566,95. Tegen deze UTB heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft de bezwaarbehandelaar te Roosendaal aan douanekantoor Hazeldonk verzocht een heronderzoek te laten uitvoeren door het douanelaboratorium. Bij brief van 18 maart 2009 heeft het douanelaboratorium de uitslag van het heronderzoek ter kennis gebracht aan douanekantoor Hazeldonk, waarbij wederom goederencode 6909 19 00 is geadviseerd. Dit advies is uitvoeriger gemotiveerd dan in de uitslag van het eerste monsteronderzoek. Douanekantoor Hazeldonk heeft de uitslag van het heronderzoek op 25 maart 2009 toegezonden aan de bezwaarbehandelaar. In zijn uitspraak van 11 juni 2009 heeft de bezwaarbehandelaar het bezwaarschrift van belanghebbende desalniettemin gegrond verklaard en de goederen ingedeeld onder goederencode 2606 00 00.

3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, waarbij zij het volgende heeft overwogen:

“5.1. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) dat in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle, het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in de regel moet worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen, zoals deze in de tekst van de posten en in de aantekeningen op de afdelingen of hoofdstukken zijn omschreven.

De door de Commissie vastgestelde toelichtingen op de GN en de in het kader van de Werelddouaneorganisatie uitgewerkte toelichtingen op het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen zijn, hoewel rechtens niet bindend, belangrijke hulpmiddelen bij de uitlegging van de draagwijdte van de verschillende tariefposten.

5.2.

Ingevolge de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur wordt de tekst van de opschriften van de afdelingen, van de hoofdstukken en van de onderdelen van hoofdstukken geacht slechts als aanwijzing te gelden; voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken.

5.3.

Eiseres voert voor haar stelling dat het product moet worden ingedeeld onder post 2606 aan dat “ertsen” uit post 2606 een andere bestemming kunnen hebben dan de winning van metalen, waarmee wordt bedoeld dat de metaalertsen wel geschikt zijn voor gebruik in de metallurgie maar op ander wijze worden gebruikt. Eiseres leidt dit af uit de Toelichting IDR bij Aantekening 2 op Hoofdstuk 26, uit het feit dat het begrip “ertsen” uit de GN een allesomvattend begrip is en uit de zinsnede: “ook indien zij bestemd zijn voor andere doeleinden” uit voornoemde aantekening. Anders dan verweerder stelt heeft het product wel een metallurgische toepassing. Het wordt immers voor 5 procent voor metallurgische doeleinden gebruikt als mal in gieterijen. Het is niet zo dat het product om voor indeling in post 2606 in aanmerking te komen ook voor metallurgische doeleinden moet worden gebruikt. Voorwaarde voor indeling onder post 2606 is enkel dat het product naar de maatstaf voor metallurgie de gebruikelijke behandeling heeft ondergaan en in dat verband slechts geschikt behoeft te zijn voor de winning van bedoelde metalen in de metallurgie. Het product is daarvoor geschikt. Het product heeft geen bewerking ondergaan die tot gevolg heeft dat het product niet langer kan worden ingedeeld onder post 2606. Subsidiair moet het product als mulliet worden ingedeeld onder post 2508. De bewerkingen die het product heeft ondergaan gaan niet verder dan de voor post 2508 de toegestane bewerkingen. Het product is niet verder bewerkt of verwerkt tot een apparaat en artikel voor chemische en technische werking als bedoeld in post 6909.

5.4.

Verweerder wijst op de GS-toelichting op Hoofdstuk 26 en stelt dat metaalertsen delfstoffen zijn die geschikt zijn om hieruit bepaalde metalen, waaronder aluminium te winnen. Eén van de hoofdbestanddelen van het product proppant S138-3050 is (volgens opgave van eiseres) mulliet. Dit is een zeldzaam kleimineraal, een aluminiumsilicaat, dat wordt toegepast in de keramische industrie bij de vervaardiging van vuurvaste materialen. Hieruit wordt geen aluminium gewonnen en mulliet voldoet daarom niet aan de definitie van erts zoals die is gegeven in de GS toelichting op hoofdstuk 26. Op grond van de samenstelling van het product en het niet geschikt zijn om hieruit aluminium te winnen kan het product niet in aanmerking komen voor indeling onder post 2606. Het product voldoet ook niet aan aantekening 2 op hoofdstuk 26. Alleen bewerkingen die gebruikelijk zijn in de metallurgie zijn toegestaan om in aanmerking te komen voor indeling in hoofdstuk 26. Verweerder wijst daarbij op de GS-toelichting bij hoofdstuk 26: “De onder de posten 2601 tot en met 2617 bedoelde ertsen mogen fysische, fysisch-chemische of chemische behandelingen hebben ondergaan, mits het normale voorbehandelingen voor de metaalwinning betreft”. De behandeling die het product heeft ondergaan is een voor de aluminiummetallurgie ongebruikelijk proces. Aluminium wordt volgens het electrolyse-proces geproduceerd, waarbij het erts in poedervorm wordt ingebracht. Sinteren van erts tot korrels is in dit proces ongewenst en is voor de aluminiummetallurgie een ongebruikelijk proces en is daardoor in het kader van aantekening 2 op hoofdstuk 26 niet toegestaan, waardoor indeling in post 2606 niet mogelijk is. Het product voldoet wel aan aantekening 1 op hoofdstuk 69 want er is sprake van bakken van een product nadat het in bepaalde vorm is gebracht. Het gebruik van het product bij de winning van gas uit de bodem is op te vatten als technisch gebruik, evenals het gebruik als mal in gieterijen. Het product is een artikel voor technisch gebruik en dient te worden ingedeeld onder GN-code 6909 19 00. Verweerder vindt steun voor zijn opvatting in twee bij de stukken overgelegde bindende tariefinlichtingen (bti’s) van respectievelijk de Belgische autoriteiten (nr. BE D.T. 261.322) en van de autoriteiten van de Verenigde Staten van Noord-Amerika (nr. NY N007889) welke zijn afgegeven voor soortgelijke producten, waarbij dezelfde indeling is gehanteerd, welke verweerder voor het product voorstaat.

5.5.

Uit de bewoording van post 2606 en Aantekening 2 bij hoofdstuk 26 volgt dat voor indeling onder post 2606 noodzakelijk is dat het product wordt gebruikt in de metallurgie voor het winnen van in dit geval aluminium. Uit het voorgaande volgt dat het product als een erts kan worden ingedeeld indien daaruit aluminium wordt gewonnen. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Uit de onder 2.3 en 2.4 genoemde samenstelling van het product blijkt dat het goed aluminiumoxide bevat. Verweerder heeft gesteld dat uit het product op economisch verantwoorde wijze geen aluminium kan worden gewonnen en acht het niet waarschijnlijk dat het product wordt gebruikt om aluminium uit te winnen. Aluminium wordt gewonnen uit het aluminiumhoudend erts bauxiet in poedervorm door middel van het elektrolyse-proces. Het product is een samengesteld goed in bolletjesvorm en gebakken. Dat maakt het winnen van aluminium hieruit nog onrendabeler. Eiseres heeft de stelling van verweerder niet dan wel onvoldoende weersproken. Eiseres heeft desgevraagd de rechtbank niet kunnen bevestigen dat het product wordt gebruikt voor het winnen van aluminium. Nu niet is komen vast te staan dat het product wordt gebruikt om het aluminium daaruit te winnen, behoeft geen onderzoek plaats te vinden of de bestemming voor andere doeleinden dan de winning van aluminium ertoe kan leiden dat indeling onder post 2606 kan plaatsvinden. Het gebruik als mal in gieterijen is geen “gebruik in de metallurgie voor het winnen van ertsen”. Gelet op vorenstaande kan het product niet worden ingedeeld onder post 2606. Indeling onder post 2508 is niet mogelijk omdat het product niet voldoet aan de bewoording van de post. Het product is een samengesteld goed, dat bovendien niet dient voor de vervaardiging van vuurvaste artikelen, die tegen grote hitte bestand zijn.

5.6.

Partijen verschillen niet van mening dat het product een keramisch product is. Blijkens het onder punt 2.3 genoemde fabricageproces is het poeder met een mixer bewerkt waaruit bolletjes of korrels met specifieke afmetingen zijn ontstaan. Deze zijn op maat gesorteerd en daarna gebrand in een roterende steenoven. Het is een keramisch product dat is gebakken nadat het in een bepaalde vorm, in dit geval bolletjes, is gebracht. Het onder 2.3 en 2.4 genoemde gebruik is een technisch gebruik. Hoofdstuk 69 omvat keramische producten. Gelet op de bewoording van post 6909 en aantekening 1 op hoofdstuk 69 moet het product, zijnde een keramisch artikel voor ander technisch gebruik, worden ingedeeld onder de goederencode 6909 19 00.

5.7.

Eiseres beroept zich op het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel zoals dit is vermeld in de tekst van artikel 220, tweede lid, aanhef, sub b, van het CDW. Eiseres stelt dat de douaneautoriteiten een vergissing hebben begaan. Deze vergissing bestaat uit de actieve gedraging van de douane zoals deze blijkt uit de uitspraak op bezwaarschrift van 11 juni 2009 van de Douane Roosendaal betreffende de indeling van proppant S138-3050. In deze uitspraak heeft verweerder beslist dat dit product kan worden ingedeeld onder post 2606. Voorts heeft de douane een vergissing begaan door na een daadwerkelijke opname van een zending proppant S138-3050-3200 die is aangegeven met aangifte IMA 00962622.01 08 00454797 van 7 oktober 2008 en waarin de goederen code 2606 00 00 is vermeld, niet tot navordering over te gaan. Deze daadwerkelijke opname is een actieve gedraging. Uit de verificatiemededeling kan niet worden opgemaakt dat het desbetreffende product zelf niet fysiek is opgenomen of dat de controle slechts betrekking heeft op de vaststelling van de aanwezigheid en hoeveelheid van de goederen en het vergelijken van de omschrijving op de verpakkingen en onderliggende bescheiden. Nu ook op de utb niet duidelijk is omschreven welke elementen van de aangifte daadwerkelijk zijn opgenomen mag eiseres ervan uitgaan dat alle elementen, waaronder dus ook de GN-code in de daadwerkelijke opname zijn betrokken.

5.8.

Verweerder is van mening dat geen sprake is van een vergissing van de douaneautoriteiten als bedoeld in artikel 220, tweede lid, aanhef, sub b, van het CDW. Een eenmalig gedane onjuiste uitspraak op bezwaar is onvoldoende om te concluderen dat er sprake is van een vergissing in voornoemde zin. De daadwerkelijke opname van de door eiseres genoemde aangifte IMA 00962622.01 08 00454797 van 7 oktober 2008 heeft slechts betrekking gehad op het vaststellen van de aanwezigheid en hoeveelheid van de goederen alsmede het vergelijken van de omschrijving op de verpakking en onderliggende bescheiden en had geen betrekking op monstername van de goederen met het oog op de indeling van de goederen. Indien er een fysieke controle plaatsvindt wordt de aangever hiervan op de hoogte gesteld en in de gelegenheid gesteld hierbij aanwezig te zijn, zodat hij zich op de hoogte kan stellen van wat er gecontroleerd wordt. Dit wordt daarom niet op de utb vermeld.

5.9.1.

Volgens vaste jurisprudentie van het HvJ beoogt artikel 220, tweede lid, aanhef, sub b, van het CDW de bescherming van gewettigd vertrouwen van de douaneschuldenaar (in de juistheid van alle factoren die een rol spelen bij het besluit om al dan niet tot boeking achteraf van invoerrechten over te gaan). Op grond van deze bepaling wordt niet overgegaan tot boeking achteraf van invoerrechten indien de volgende vier, cumulatieve voorwaarden zijn vervuld: het niet heffen van de rechten is te wijten aan een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf; de vergissing is van dien aard dat zij redelijkerwijze niet kon worden ontdekt; de douaneschuldenaar is te goeder trouw; en de douaneschuldenaar heeft aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte voldaan. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 27 juni 1991, C-348/89, inzake Mecanarte, volgt dat vergissingen inzake de uitlegging of de toepassing van de voorschriften betreffende de rechten bij invoer of bij uitvoer, die de belastingschuldige niet redelijkerwijze kon ontdekken, alle vergissingen omvatten, wanneer zij het gevolg zijn van een actieve gedraging. Op eiseres rust de bewijslast haar stelling aannemelijk te maken dat de voorwaarden zijn vervuld.

5.9.2.

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft in de uitspraak van 5 april 2012 kenmerk 11/00596 onder punt 5.6 overwogen dat een eerder gedane terugbetalingsbeschikking niet in de weg staat aan de staat aan navordering op aangiften welke nadien zijn ingediend. In dezelfde zin staat de onjuiste uitspraak op bezwaar van 11 juni 2009, niet in de weg aan de navordering voor de vier aangiften die nadien op 3 augustus 2009 zijn gedaan. Aan deze uitspraak op bezwaar kan eiseres derhalve geen in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder daadwerkelijk een aangifte heeft gecontroleerd op de juiste tariefindeling van de goederen. De daadwerkelijke opname van de door eiseres genoemde aangifte IMA 00962622.01 08 00454797 van 7 oktober 2008 betreft een aangifte die niet namens eiseres is gedaan maar namens Panalpina World Transport BV. Verweerder heeft ter zitting aangetoond dat de controle van deze aangifte was gericht op vak 22, de aspecten ten aanzien van de valuta en het gefactureerde bedrag. Eiseres heeft dit niet dan wel onvoldoende gemotiveerd bestreden. In de formulieren en documenten is geen aanwijzing te vinden dat de tariefindeling van de goederen moest worden gecontroleerd. De opvatting dat uit de mededeling beëindiging verificatie of de utb moet blijken wat de omvang van de controle is geweest vindt geen steun in het recht. Hieruit volgt dat eiseres er niet in is geslaagd haar stelling dat verweerder een vergissing heeft begaan, aannemelijk te maken. Nu er geen sprake is van een vergissing van de douaneautoriteiten, hoeven de overige onder 5.9.1 genoemde voorwaarden geen bespreking.

5.10.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.”

4 Geschil in hoger beroep

In geschil is of de onderhavige UTB terecht aan belanghebbende is opgelegd, hetgeen de inspecteur verdedigt en belanghebbende betwist.

Meer in het bijzonder houdt partijen verdeeld of het product dient te worden ingedeeld onder GN-post 2606 (vrij), zoals belanghebbende bepleit, dan wel onder GN-post 6909 (5%), zoals de inspecteur voorstaat.

Zo het gelijk met betrekking tot de tariefindeling aan de inspecteur is, is in geschil of de inspecteur gelet op artikel 220, lid 2, sub b, van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW) van navordering dient af te zien, hetgeen belanghebbende stelt doch de inspecteur betwist.

5 Relevante teksten en toelichtingen van de GN

Post 2606

Afdeling V: Minerale producten

Hoofdstuk 26: Ertsen, slakken en assen

2606 00 00 Aluminiumerts en concentraten daarvan

Aantekening 2 bij hoofdstuk 26

“Voor de toepassing van de posten 2601 tot en met 2617 worden onder „ertsen” verstaan: ertsen die worden gebruikt in de metallurgie voor het winnen van kwikzilver, van de metalen bedoeld bij post 2844 of van de metalen bedoeld bij de afdelingen XIV en XV, ook indien zij bestemd zijn voor andere doeleinden, mits zij geen andere bewerkingen hebben ondergaan dan gebruikelijk is in de metallurgie.”

[Au sens des n os 2601 à 2617, on entend par «minerais» les minerais des espèces minéralogiques effectivement utilisés, en métallurgie, pour l'extraction du mercure, des métaux du n o 2844 ou des métaux des sections XIV ou XV, même s'ils sont destinés à des fins non métallurgiques, mais à la condition, toutefois, qu'ils n'aient pas subi d'autres préparations que celles normalement réservées aux minerais de l'industrie métallurgique.

For the purposes of headings 2601 to 2617, the term ‘ores’ means minerals of mineralogical species actually used in the metallurgical industry for the extraction of mercury, of the metals of heading 2844 or of the metals of Section XIV or XV, even if they are intended for non-metallurgical purposes. Headings 2601 to 2617 do not, however, include minerals which have been submitted to processes not normal to the metallurgical industry.]

GS-toelichting

(…)

“De posten 26.01 tot en met 26.17 omvatten alleen metaalertsen (ook indien geconcentreerd), die:

A. behoren tot mineralogische soorten die normaal in de metallurgie worden gebruikt voor het winnen van de metalen van de afdelingen XIV en XV, van kwik of van de metalen van post 28.44, ook indien zij voor andere doeleinden zijn bestemd, én

B. geen andere behandelingen hebben ondergaan dan normaal in de metallurgie worden toegepast.

De uitdrukking ertsen heeft betrekking op metaalverbindingen in het gesteente waarin zij voorkomen en waarmede zij worden gedolven.

(…)

De onder de posten 26.01 tot en met 26.17 bedoelde ertsen mogen fysische, fysisch-chemische of chemische behandelingen hebben ondergaan, mits het normale voorbehandelingen voor de metaalwinning betreft.

(…)

Tot de fysische of fysisch-chemische behandelingen worden gerekend het breken, malen, magnetisch afscheiden, gravimetrisch afscheiden, floteren, zeven, sorteren naar grootte, samenkitten van poeders (bijvoorbeeld door sinteren of tabletteren) tot korrels, bollen of briketten (al dan niet onder toevoeging van kleine hoeveelheden bindmiddelen), drogen, calcineren, roosten (om te oxideren, reduceren of magnetiseren), enz.

(…)

Uit de onder de posten 26.01 tot en met 26.17 vallende ertsen worden op industriële schaal gewonnen:

1.. (…)

2.de onedele metalen bedoeld bij afdeling XV: ijzer, koper, nikkel, aluminium, lood, zink, tin, wolfraam, molybdeen, tantalium, kobalt, bismut, cadmium, titaan, zirkonium, antimoon, mangaan, chroom, germanium, vanadium, beryllium, gallium, hafnium, indium, niobium (columbium), rhenium en thallium;

(…)”

Post 6909

Afdeling XIII: Werken van steen, van gips, van cement, van asbest, van mica en van dergelijke stoffen; keramische producten; glas en glaswerk

Hoofdstuk 69: Keramische producten

6909 Apparaten en artikelen, voor chemisch of ander technisch gebruik, van keramische stoffen; troggen, bakken en dergelijke bergingsmiddelen, voor het landbouwbedrijf, van keramische stoffen; kruiken en dergelijke bergingsmiddelen, voor vervoer of voor verpakking, van keramische stoffen:

- apparaten en artikelen, voor chemisch of ander technisch gebruik:

6909 11 00 - - van porselein

6909 12 00 - - artikelen met een hardheid gelijk aan 9 of meer op de schaal van Mohs

6909 19 00 - - andere

Aantekening 1 op hoofdstuk 69

“Dit hoofdstuk omvat uitsluitend de keramische producten die zijn gebakken nadat zij in een bepaalde vorm zijn gebracht. De posten 6904 tot en met 6914 hebben uitsluitend betrekking op andere producten dan die bedoeld bij de posten 6901 tot en met 6903.”

GS-toelichting op hoofdstuk 69

“Onder keramische producten worden verstaan de producten verkregen:

A. door verhitting van anorganische, niet-metalen stoffen, die van te voren, in de regel bij kamertemperatuur, zijn bereid of in een bepaalde vorm zijn gebracht. De gebruikte grondstoffen zijn, met name, klei, siliciumhoudende stoffen, stoffen met een hoog smeltpunt zoals oxiden, carbiden, nitriden, grafiet of andere koolstof en in bepaalde gevallen bindmiddelen, zoals vuurvaste klei of fosfaten;

B. uit gesteenten (bijvoorbeeld speksteen) die nadat zij in een bepaalde vorm zijn gebracht, worden blootgesteld aan verhitting.

Het fabricageproces van de onder A hiervoor genoemde keramische producten omvat, ongeacht de aard van de samenstellende stoffen, de hierna volgende bewerkingen:

i. Het bereiden van de specie. (…)

ii. Het vormen. (…)

iii. Het drogen van de verkregen vormstukken. (…)

iv. Het bakken of branden. (…)

v. De afwerking. (…)”

GS-toelichting op post 6909

“Deze post omvat een groep artikelen van zeer uiteenlopende aard, die in de regel zijn vervaardigd uit gesinterde al dan niet verglaasde of geglazuurde keramische stoffen (bijvoorbeeld gres, porselein, gebrand steatiet). Bedoelde post heeft geen betrekking op vuurvaste artikelen, die hoge temperaturen als omschreven in de toelichting IDR (algemene opmerkingen) op onderdeel I (opgenomen in aant. 1 op het opschrift van dat onderdeel) moeten verdragen, maar daarentegen wel op artikelen van vuurvast materiaal, bij het gebruik waarvan geen vuurvaste eigenschappen vereist zijn, zoals garen- of draadgeleiders voor textielmachines en kogels voor kogelmolens, van gesinterde aluminiumoxide.”

6 Beoordeling van het geschil

Indeling

6.1.

Partijen houdt primair verdeeld of het onderhavige product dient te worden ingedeeld in post 2606 dan wel post 6909.

6.2.

Ter zitting is komen vast te staan dat het product wordt vervaardigd uit een aluminiumerts. Het desbetreffende aluminiumerts wordt gemalen en daarna tot korrels gevormd. De chemische samenstelling verandert op dat moment nog niet. Vervolgens worden de korrels gesinterd, waardoor de chemische samenstelling verandert. De inspecteur heeft, niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken, gesteld dat het vormen en sinteren van de korrels geen bewerkingen zijn die gebruikelijk zijn voor de winning van aluminium.

6.3.

Het Hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat het product geen aluminiumerts in de zin van post 2606 (meer) is. Immers gelet op aantekening 2 bij Hoofdstuk 26 kunnen ertsen die een bewerking hebben ondergaan, voor zover hier van belang, slechts onder post 2606 worden ingedeeld indien deze bewerking gebruikelijk is in de metallurgie. Het Hof is met de inspecteur van oordeel dat in dit verband relevant is of de bewerking voor het desbetreffende erts gebruikelijk is en niet of de bewerking voor enig ander in de post genoemd erts gebruikelijk is.

6.4.

Met betrekking tot indeling in post 6909 geldt het volgende. Gelet op de tekst van de post betreft deze, voor zover hier van belang, artikelen van keramische stoffen voor technisch gebruik. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een keramisch product. De inspecteur heeft voorts ter zitting gesteld en belanghebbende heeft dit desgevraagd bevestigd, dat het product bestemd is voor technisch gebruik. Gelet op deze omstandigheden is het Hof van oordeel dat het product vatbaar is voor indeling onder post 6909. Nu er geen andere posten zijn waar het product onder kan worden ingedeeld volgt het Hof de inspecteur in diens stelling dat de producten moeten worden ingedeeld onder post 6909. De UTB is derhalve in zoverre terecht uitgereikt.

Afzien van navordering

6.5.

Belanghebbende heeft subsidiair gesteld dat de drie cumulatieve voorwaarden als genoemd in artikel 220, tweede lid, letter b, van het CDW zijn vervuld, zodat de inspecteur gehouden is om af te zien van navordering. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat geen van de drie voorwaarden is vervuld. Het Hof overweegt ter zake als volgt.

6.6.

De eerste voorwaarde voor het afzien van navordering is dat sprake dient te zijn van een vergissing van de douaneautoriteiten. Belanghebbende heeft gesteld dat door de inspecteur een vergissing is begaan bij de behandeling van de aangifte met nummer 006962622/08 08 00454797 van 7 oktober 2008, waarin goederencode 2606 00 00 is vermeld. Deze goederencode is ondanks een daadwerkelijke opname van de goederen niet gecorrigeerd door de inspecteur. Deze stelling faalt, reeds omdat genoemde aangifte geen aangifte van belanghebbende betreft, maar een aangifte van een derde ([A]).

6.7.

Belanghebbende heeft voorts bepleit dat een vergissing in de zin van artikel 220 van het CDW is gelegen in een uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 11 juni 2009, zoals genoemd onder 2.2. Het Hof overweegt ter zake als volgt.

6.8.

Uit de hiervoor onder 2.2. weergegeven gang van zaken volgt naar ’s Hofs oordeel dat de onjuiste uitspraak op bezwaar, anders dan de inspecteur heeft betoogd, niet kan worden gelijkgesteld met een incidentele beslissing bij de behandeling van een aangifte. Volgens vaste jurisprudentie brengt een dergelijke incidentele beslissing niet mee dat sprake is van een vergissing van de douaneautoriteiten. Een dergelijke incidentele beslissing, veelal in het kader van controle van de aangifte, wordt doorgaans, in het belang van het handelsverkeer met enige voortvarendheid genomen. Daarbij hoort een ruime navorderingsbevoegdheid (vgl. HvJ EU 27 februari 2014, C-571/12, Greencarrier Freight Services Latvia SIA, punt 32). In casu is echter sprake van een weloverwogen standpuntbepaling waarbij de tariefindeling expliciet op haar fiscale merites is beoordeeld. Het Hof overweegt in dit verband dat het douanelaboratorium tot twee keer toe het advies heeft uitgebracht om de goederen in te delen onder post 6909. De inspecteur heeft niettegenstaande deze adviezen expliciet en gemotiveerd geoordeeld dat post 2606 van toepassing is. Het Hof acht deze situatie vergelijkbaar met die welke aan de orde was in de zaak welke heeft geleid tot het arrest van het Hof van Justitie van 19 oktober 2000 in zaak C-15/99 (Hans Sommer GmbH & CO. KG). Hieruit volgt dat ook ten aanzien van de vier aangiften welke onderwerp zijn van de bestreden UTB sprake is van een vergissing waar belanghebbende zich op kan beroepen, ook al zijn deze aangiften eerst op 3 augustus 2009 gedaan en niet aan enige controle onderworpen.

6.9.

De tweede voorwaarde waaraan moet zijn voldaan voor een geslaagd beroep op artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW, is dat de belastingschuldige, die te goeder trouw is, de vergissing van de douane redelijkerwijze niet kon ontdekken. Naar ’s Hofs oordeel is ook deze voorwaarde vervuld. Weliswaar heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat de stelling dat van een aangever niet meer kennis van zaken zou mogen worden verwacht dan van de douaneambtenaren zelf, niet kan worden aanvaard (vgl. HvJ EU 26 juni 1990, zaak C-64/89, Deutsche Fernsprecher, punt 16 en 17), maar dit betekent – naar niet voor redelijke twijfel vatbaar is – niet dat van belanghebbende mag worden verlangd dat zij vraagtekens plaatst bij een uitspraak op haar bezwaarschrift waarin het door haarzelf bepleite standpunt door de inspecteur wordt gehonoreerd.

6.10.

De derde voorwaarde voor het afzien van navordering is dat de betrokkene aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte moet hebben voldaan. Anders dan belanghebbende heeft betoogd is deze voorwaarde naar ’s Hofs oordeel niet vervuld. Uit bijlage 37 bij de UCDW volgt dat als goederenomschrijving in vak 31 van de aangifte de gebruikelijke handelsbenaming mag worden vermeld, op voorwaarde dat deze handelsbenaming dermate duidelijk is dat de goederen aan de hand daarvan kunnen worden geïdentificeerd en onmiddellijk en met zekerheid kunnen worden ingedeeld. De in de aangiften gehanteerde omschrijving “Aluminiumerts en concentraten daarvan”, die identiek is aan de bewoordingen van de door belanghebbende voorgestane post 2606, kan niet worden aangemerkt als gebruikelijke handelsbenaming en voldoet niet aan de voorwaarde dat de goederen aan de hand daarvan kunnen worden geïdentificeerd en onmiddellijk en met zekerheid kunnen worden ingedeeld. De in handelsbescheiden vermelde benamingen, zoals “mesh ceramic proppants” en “Carbo Econo Prop”, geven evenmin voldoende inzicht in de aard van de aangegeven goederen, nog daargelaten dat deze bescheiden nimmer zijn overgelegd, omdat de onderwerpelijke aangiften zonder controle zijn afgehandeld.

6.11.

Anders dan belanghebbende heeft betoogd volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 mei 1989, nr. 378/87 (Top Hit Holzvertrieb GmbH), niet dat de bewoordingen van de opgegeven tariefpost volstaan als omschrijving van de goederen in een aangifte. Wel volgt uit dit arrest dat de derde voorwaarde van artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW zelfstandige betekenis heeft, in die zin dat het niet voldoen aan de derde voorwaarde aan het afzien van navordering in de weg staat, ook al bestaat er – zoals in casu het geval is – geen causaal verband tussen de gebrekkige goederenomschrijving in de aangiften en de vergissing van de douaneautoriteiten.

6.12.

Uit het vorenoverwogene volgt dat niet alle voorwaarden voor het afzien van navordering zijn vervuld, zodat de inspecteur niet gehouden is om af te zien van navordering. De andersluidende stelling van belanghebbende faalt.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

7 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. D.B. Bijl, voorzitter, E.M. Vrouwenvelder en B.A. van Brummelen, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 15 mei 2014 in het openbaar uitgesproken. De uitspraak is ondertekend door de oudste raadsheer.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.