Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:2127

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-05-2014
Datum publicatie
04-07-2014
Zaaknummer
23-001691-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Delict artikel 138 lid 1 Sr onvolledig ten laste gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/207
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001691-13

datum uitspraak: 9 mei 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 18 maart 2013 in de strafzaak onder de parketnummers 15-700058-13 en 13-650576-12, 13-674002-12, 09-721228-12 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 april 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat zij:

Feit 1:
op of omstreeks 05 februari 2013 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid (kinder)kleding, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Vroom en Dreesmann, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

Feit 2:
op of omstreeks 05 februari 2013 te Haarlem wederrechtelijk heeft vertoefd in een besloten lokaal gelegen aan de [adres 2] te Haarlem en in gebruik bij de winkel Vroom & Dreesman, althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, terwijl aan haar, verdachte, door of namens rechthebbende de toegang tot voornoemd lokaal (schriftelijk) was ontzegd voor de duur van 12 maanden, ingaande op 14 november 2012.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof de voorkeur geeft aan een andere bewijsconstructie dan de door de eerste rechter gebezigde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat zij:

Feit 1:

op 5 februari 2013 te Haarlem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid kinderkleding, toebehorende aan Vroom en Dreesmann;



Feit 2:
op 5 februari 2013 te Haarlem wederrechtelijk heeft vertoefd in een besloten lokaal gelegen aan de [adres 2] te Haarlem en in gebruik bij de winkel Vroom & Dreesmann, terwijl aan haar, verdachte, door of namens rechthebbende de toegang tot voornoemd lokaal schriftelijk was ontzegd voor de duur van 12 maanden, ingaande op 14 november 2012.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De verdachte is onder 2. ten laste gelegd – kort gezegd – dat zij op 5 februari 2013 in Haarlem wederrechtelijk heeft vertoefd in een besloten lokaal terwijl haar de toegang schriftelijk was ontzegd, waarbij als toepasselijk wettelijk voorschrift artikel 138 lid 1 Wetboek van Strafrecht (Sr) is genoemd. Blijkens de delictsomschrijving in artikel 138 lid 1 Sr is strafbaar – kort gezegd – hij die in een besloten lokaal wederrechtelijk binnendringt of wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijdert. Nu niet ten laste gelegd is dat de verdachte in het pand van Vroom & Dreesmann is binnengedrongen en evenmin dat zij, aldaar wederrechtelijk vertoevende, zich op vordering van de rechthebbende niet aanstonds heeft verwijderd, kan de ten laste gelegde gedraging wel worden bewezenverklaard, doch is deze niet strafbaar, gelet op de tekst van artikel van 138 lid 1 Sr. Om die reden zal de verdachte worden ontslagen van alle rechtsvervolging ter zake van feit 2. Er is overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit feit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, heeft de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder in beschouwing genomen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de winkeldiefstal. Daarmee heeft zij een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van het desbetreffende winkelbedrijf. Winkeldiefstallen zijn hinderlijke, overlast gevende feiten. Ten aanzien van de verdachte liepen daarnaast drie proeftijden in verband met eerder voorwaardelijk opgelegde straffen verband met soortgelijke strafbare feiten. In die zin was zij een meermalen gewaarschuwd mens, doch de verdachte heeft zich aan die waarschuwingen niets gelegen laten liggen. De verdachte heeft veel “laatste kansen” gekregen. Desondanks heeft zij zich wederom schuldig gemaakt aan winkeldiefstal, hetgeen het hof haar ernstig aanrekent.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 9 april 2014 is de verdachte eerder voor soortgelijke feiten onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden, waarbij gelet op de ernst van het thans bewezen geachte feit en de geconstateerde recidive het hof tot oplegging van een zelfde straf komt als door de politierechter was opgelegd en door de advocaat-generaal was gevorderd, ondanks het feit dat de verdachte ten aanzien van feit 2 wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting is aangevoerd ten aanzien van de huidige persoonlijke omstandigheden leidt niet tot een ander oordeel.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 138 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vorderingen tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Politierechter te Amsterdam van 1 mei 2012 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Politierechter te Amsterdam van 5 november 2012 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Politierechter te 's-Gravenhage van 16 november 2012 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de onderscheidenlijke proeftijden aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zullen de tenuitvoerleggingen van die voorwaardelijk opgelegde straffen worden gelast. Voor verlenging van de proeftijden acht het hof gelet op hetgeen reeds bij de straftoemeting is opgemerkt, geen termen aanwezig.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 1 mei 2012, parketnummer 13-650576-12, te weten van:

gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 5 november 2012, parketnummer 13-674002-12, te weten van:

gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te 's-Gravenhage van 16 november 2012, parketnummer 09-721228-12, te weten van:

gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. Mijnsberge, mr. P.F.E. Geerlings en mr. P.B.C.D.F. van Sasse van Ysselt, in tegenwoordigheid van mr. M. Helmers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 mei 2014.

mr. P.B.C.D.F. van Sasse van Ysselt is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[...]