Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:2116

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-05-2014
Datum publicatie
14-11-2014
Zaaknummer
23-002967-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Invoer cocaine, bevestiging met dien verstande. Bespreking verweren raadsman.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002967-12

datum uitspraak: 20 mei 2014

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 26 juni 2012 in de strafzaak onder parketnummer 15-800043-12 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 mei 2014, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof nader zal ingaan op de door de verdediging gevoerde verweren zoals hieronder weergegeven.

Bespreking verweren raadsman

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in het hoger beroep bepleit:

1.

dat het openbaar ministerie verantwoordelijk is voor het feit dat de verdachte op een “zwarte-lijst” van de KLM terecht is gekomen waardoor zij niet heeft kunnen terugkeren naar Curaçao, hetgeen zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie;

2.

dat de aanhouding op onrechtmatige wijze is geschied nu de verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee in hun verhoor bij de raadsheer-commissaris én in een ambtsedig proces-verbaal hebben verklaard/geverbaliseerd dat de medeverdachte [medeverdachte] de Nederlandse taal voldoende machtig was terwijl dit blijkens het overlegde proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 22 maart 2012 kennelijk onwaar moet zijn en de slikkerscriteria derhalve vermoedelijk zijn opgenomen omdat [medeverdachte] niet uit zijn woorden kwam, hetgeen eveneens zou moeten leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie;

3.

dat de verdachte de aandacht trok door haar wijze van kleden; vermoedelijk om die reden onderworpen is aan een lijfsvisitatie en haar bovendien pas daarna het recht op een advocaat is medegedeeld, hetgeen moet leiden tot bewijsuitsluiting en vrijspraak.

Het hof verwerpt de verweren en overweegt daartoe als volgt.

Ad. 1. Het feit dat de verdachte op een “zwarte-lijst” is terechtgekomen en deze omstandigheid haar terugkeer naar Curaçao heeft belemmerd, acht het hof een omstandigheid die in onvoldoende mate verband houdt met de strafzaak zoals thans aan het oordeel van het hof onderhevig. Dit verweer kan in deze zaak mitsdien niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Ad. 2. Voor zover er al sprake zou zijn van gebreken waardoor de aanhouding van [medeverdachte] zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is door de raadsman onvoldoende onderbouwd hoe dit zou kunnen leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de zaak van verdachte.

Ad 3. Blijkens het proces-verbaal van aanhouding van 14 januari 2012, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4], is er op 14 januari 2012 een verscherpte controle uitgevoerd op de vlucht vanuit Curaçao via Aruba naar de luchthaven Schiphol. Bij deze verscherpte controle heeft verbalisant [verbalisant 2] de verdachte gecontroleerd. Het viel verbalisant [verbalisant 2] op dat de verdachte zich bij die controle krampachtig gedroeg, waarop hij de eerste verbalisant, te weten [verbalisant 1], heeft verzocht een lijfsvisitatie zonder ontkleding te verrichten bij de verdachte. Verbalisant [verbalisant 1] heeft, naar aanleiding van de bevindingen van verbalisant [verbalisant 2], zijn vrouwelijke collega’s, te weten [verbalisant 3] en [verbalisant 4], toestemming gegeven een lijfsvisitatie met ontkleding te verrichten. Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben daarop de verdachte meegenomen naar een afgesloten visitatieruimte en na onderzoek een verharding bij de schaamstreek van de verdachte geconstateerd. Nadat verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] dit hebben medegedeeld aan verbalisant [verbalisant 1], is de verdachte de cautie gegeven door laatstgenoemde en is haar gevraagd wat de verharding zou kunnen zijn die bij haar is geconstateerd door verbalisant [verbalisant 3]. Hierop heeft de verdachte uit eigen beweging te kennen gegeven dat zij drugs in haar lichaam had zitten. Na deze mededeling is de verdachte aangehouden en is haar het consultatierecht medegedeeld. Het hof stelt vast dat deze volgorde van gebeurtenissen niet leidt tot de conclusie dat vormen zijn verzuimd, noch dat enige dwangmiddelen op onrechtmatige wijze zijn toegepast.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D. Radder, mr. M.R. Cox en mr. D.C. van Reekum, in tegenwoordigheid van mr. M. Helmers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 mei 2014.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...]

[...][...][...]

[...]

[...][...]

[...][...][...][...]

[...]