Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:2093

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-06-2014
Datum publicatie
04-06-2014
Zaaknummer
200.132.122/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op grond van het bepaalde in artikel 25 lid 2 van de Wet op het notarisambt (Wna) mag een notaris slechts in opdracht van de rechthebbende betalingen doen ten laste van zijn derdengeldenrekening. Heeft de notaris conform dit artikel gehandeld?

Wetsverwijzingen
Wet op het notarisambt
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.132.122/01 NOT

nummer eerste aanleg : SHE/2013/17

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 3 juni 2014

inzake

[notaris],

oud-notaris te[vestigingsplaats],

appellant,

gemachtigde: mr. P.J. de Jong Schouwenburg, advocaat te Amsterdam,

tegen:

[klaagster]

wonend te[woonplaats],

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. J.G. Borgesius, verbonden aan Arag te Leusden.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Van de zijde van appellant (hierna de oud-notaris) is bij een op 20 augustus 2013 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift tijdig hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort ’s-Hertogenbosch (hierna de kamer) van 23 juli 2013, waarbij de kamer de klacht van geïntimeerde (hierna klaagster) tegen de oud-notaris gegrond heeft verklaard en aan hem de maatregel van waarschuwing is opgelegd (ECLI:NL:TNOKSHE:2013:2). De klacht gericht tegen een andere notaris is bij die beslissing ongegrond verklaard. Die beslissing is in deze appelprocedure niet aan de orde.

1.2.

Op 9 september 2013 is een aanvullend beroepsschrift ontvangen, bevattende de gronden van het beroep.

1.3.

Van de zijde van klaagster is op 4 oktober 2013 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.4.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 20 maart 2014. Partijen en hun gemachtigden zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; de advocaat van de oud-notaris aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 De feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

3.2.

Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende. De broer van klaagster (hierna de broer) was aandeelhouder van Jurassic Escape B.V. Begin juni 2009 heeft hij de oud-notaris opdracht gegeven voor het verrichten van notariële werkzaamheden in verband met onder meer de omzetting van genoemde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid in een naamloze vennootschap en de uitgifte van nieuwe aandelen in het kapitaal van die naamloze vennootschap. Bij akte van 29 juli 2009 (hierna de akte), verleden voor de oud-notaris, zijn (nieuwe) aandelen in Jurassic Escape N.V. geleverd aan de broer. Klaagster had naar aanleiding van een e-mail van de broer van 28 juli 2009 op 28 en 29 juli 2009 bedragen van respectievelijk € 48.000,-- en € 2.000,-- overgemaakt op de derdengeldenrekening van de oud-notaris onder vermelding van respectievelijk “aankoop aandelen jurassic escape” en “restant aankoop aandelen jurassic escape n.v.”. Deze bedragen zijn op of kort na 29 juli 2009 conform de instructies van de broer uitbetaald.

4 Het standpunt van klaagster

Klaagster verwijt de oud-notaris dat hij haar, na storting van een bedrag van in totaal € 50.000,00 op de derdengeldrekening van het notariskantoor, ten onrechte nooit heeft opgeroepen voor het passeren van de akte van levering van de aandelen, dat hij er niet op heeft toegezien dat zij daadwerkelijk aandelen in de naamloze vennootschap van de broer heeft ontvangen en dat hij het door hem van klaagster ontvangen bedrag overeenkomstig de instructies van de broer, aan laatstgenoemde heeft uitbetaald. Zij betwist dat zij met de broer is overeengekomen dat zij hem geld voor de aankoop van aandelen door hem, zou lenen. Overeengekomen is dat zij aandelen zou verwerven en eerst nadat klaagster de daarvoor benodigde koopsom onder de oud-notaris had gestort, heeft zij de broer gevraagd een garantie te geven voor de terugbetaling van de koopsom als zij de aandelen in de toekomst zou willen vervreemden. In dat kader van die garantie is toen tussen klaagster en de broer een geldleningsovereenkomst getekend.

5 Het standpunt van de oud-notaris

De oud-notaris heeft gesteld dat de broer hem voor het passeren van de akte, waarbij de aandelen aan hem werden geleverd, heeft meegedeeld dat hij met klaagster was overeengekomen dat zij € 50.000,00 aan hem zou lenen en rechtstreeks op de kwaliteitsrekening van de oud-notaris zou storten. Volgens de oud-notaris bestond er voor hem geen aanleiding om aan te nemen dat deze mededeling van de broer niet juist zou zijn. Na ontvangst van het bedrag zijn de aandelen op grond van de opdracht van de broer aan hem geleverd en is de oud-notaris tot doorbetaling van het onder hem gestorte bedrag in overeenstemming met de instructies van de broer overgegaan. De oud-notaris heeft verder gesteld dat hij niet op de hoogte was van de tussen klaagster en de broer gemaakte afspraken, zodat deze hem niet kunnen worden tegengeworpen. Hij heeft gewezen op een tussen klaagster en de broer op 4 augustus 2009 gesloten geldleningsovereenkomst en op een e-mail van klaagster aan de broer van 18 januari 2012, waarin klaagster zelf over een geldlening spreekt.

6 De beoordeling

6.1.

Het hof onderschrijft het oordeel van de kamer dat het voor de beoordeling van de handelswijze van de oud-notaris niet van belang is of er op 29 juli 2009, op welke datum de onderhavige aandelen aan de broer zijn geleverd en de betaling van het onder de oud-notaris gestorte bedrag van € 50.000,-- ten laste van de derdengeldenrekening heeft plaatsgevonden, reeds sprake was van een geldleningsovereenkomst tussen klaagster en de broer. Evenmin is van belang wat klaagster en de broer voorafgaand aan de betaling door klaagster van € 50.000,-- precies hadden afgesproken en wat de broer ter zake van de tussen hem en klaagster gemaakte afspraken vóór of op 29 juli 2009 aan de oud-notaris heeft meegedeeld.

6.2.

Op grond van het bepaalde in artikel 25 lid 2 van de Wet op het notarisambt (Wna) mag een notaris slechts in opdracht van de rechthebbende betalingen doen ten laste van zijn derdengeldenrekening. De onderhavige betalingen waren niet door de broer gedaan, maar door klaagster, die dus rechthebbende in de zin van voormeld artikel was zolang de oud-notaris niet van klaagster zelf had vernomen dat hij de broer als rechthebbende kon beschouwen en de onder de oud-notaris gestorte bedragen in overeenstemming met de instructies van de broer kon uitbetalen. De oud-notaris had daarom contact met klaagster moeten opnemen alvorens de desbetreffende gelden als door de broer betaalde koopprijs van de aandelen aan te wenden en moeten verifiëren of hetgeen de broer hem over de bestemming van het onder hem gestorte bedrag had meegedeeld juist was. Door dit na te laten is de oud-notaris, zoals de kamer ook heeft overwogen, verwijtbaar te kort geschoten in de jegens klaagster in acht te nemen zorgvuldigheid. De kamer heeft de klacht op goede gronden gegrond verklaard. De door de kamer opgelegde maatregel van waarschuwing acht het hof passend en geboden.

6.3.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.4.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 De beslissing

Het hof:

- bevestigt de beslissing van de kamer voor zover deze betrekking heeft op de oud-notaris.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, A.M.A. Verscheure en G. Kleykamp-van der Ben en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 3 juni 2014 door de rolraadsheer.