Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:2092

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-05-2014
Datum publicatie
11-08-2014
Zaaknummer
200.139.466/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bepaling draagkracht van man die in Marokko woont en Nederlandse uitkering ontvangt. Wet woonlandbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0223
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 20 mei 2014

Zaaknummer: 200.139.466/01

Zaaknummer eerste aanleg: 542751 / FA RK 13.3825

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellant,

advocaat: mr. S. Bouddount te Amsterdam,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. M. Kaouass te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 24 december 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 25 september 2013 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 542751 / FA RK 13.3825.

1.3.

De vrouw heeft op 12 maart 2014 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De man heeft op 26 maart 2014 een aanvullend beroepschrift ingediend.

1.5.

De zaak is op 3 april 2014 ter terechtzitting behandeld.

1.6.

Ter terechtzitting zijn de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de advocaat van de man verschenen. De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2 De feiten

2.1.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2.

Partijen zijn [in] 1981 te Midar, Marokko gehuwd. Hun huwelijk is op 13 juni 2012 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 9 november 2011 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk is onder meer […] (hierna ook: [de minderjarige]) [in] 1998 geboren.

2.3.

Bij de echtscheidingsbeschikking is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] van € 69,- per maand bepaald.

2.4.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren in 1954. Hij is [in] 2012 gehuwd met [y], geboren te Marokko in 1973, en woont sinds juli 2012 samen met haar in Marokko.

Hij ontvangt een WAO/WIA-uitkering. Blijkens de jaaropgave over 2012 bedroeg deze in dat jaar € 17.755,-.

2.5.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1968. Zij vormt met [de minderjarige] en de overige (meerderjarige) kinderen van partijen een eenoudergezin.

Zij ontvangt een WWB-uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, op het daartoe strekkende verzoek van de vrouw, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 9 november 2011 in zoverre, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van [de minderjarige] met ingang van 29 mei 2013 op € 250,- per maand bepaald en is een door hem met ingang van 29 mei 2013 te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw bepaald van € 750,- per maand.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, -naar het hof begrijpt- de inleidende verzoeken van de vrouw af te wijzen.

3.3.

De vrouw heeft verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft zij haar verzoek aangepast in die zin dat zij verzoekt een bijdrage voor [de minderjarige] van € 250,- per maand en een uitkering tot haar levensonderhoud van € 216,- per maand te bepalen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

De man klaagt erover dat in eerste aanleg het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden omdat hij niet deugdelijk is opgeroepen teneinde zich te verweren tegen het inleidend verzoekschrift van de vrouw.

Het hof is van oordeel dat, nu het hoger beroep mede ertoe dient fouten en omissies uit eerste aanleg te herstellen en de man thans in de gelegenheid is gesteld zijn bezwaren tegen het verzoek van de vrouw kenbaar te maken, hij geen belang heeft bij verdere behandeling van

deze grief.

4.2.

In zijn aanvullend beroepschrift stelt de man de behoefte van de vrouw aan de orde. De man voert aan dat partijen inmiddels drie jaar gescheiden zijn. Van de vrouw had mogen worden verwacht dat zij inmiddels de Nederlandse taal beter had leren beheersen en een baan had gevonden. Een eventuele behoeftigheid had de vrouw eerder moeten aanvoeren, aldus de man.

Het hof overweegt dat de vrouw sinds het uiteengaan van partijen een bijstandsuitkering ontvangt. Niet betwist is dat de vrouw gedurende het huwelijk van partijen altijd voor de kinderen heeft gezorgd en geen baan buitenshuis heeft gehad, noch dat zij geen/ zeer beperkt Nederlands spreekt. Nu de vrouw een bijstandsuitkering ontvangt, staat daarmee vast dat zij behoefte heeft. Nu zij tevens aan de voorwaarden voor het ontvangen van een dergelijke uitkering voldoet en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent haar arbeidsverleden, stelt het hof vast dat van de vrouw niet verwacht kan worden dat zij thans door middel van arbeid in eigen levensonderhoud voorziet. Haar behoeftigheid staat daarmee eveneens vast, zodat dient te worden bepaald in hoeverre de man in een uitkering tot haar levensonderhoud kan voorzien. De behoefte van [de minderjarige] wordt niet betwist en staat daarmee vast.

4.3.

De man heeft geen grief gericht tegen de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum van de door hem te betalen uitkering en (gewijzigde) bijdrage voor [de minderjarige], te weten 29 mei 2013. Nu deze ingangsdatum ligt na de inwerkingtreding van de nieuwe richtlijnen voor het bepalen van kinderalimentatie, zou in beginsel de draagkracht van de man ten behoeve van de bijdrage voor [de minderjarige] aan de hand van deze nieuwe richtlijnen dienen te worden vastgesteld. Het hof ziet echter, mede gelet op het debat van partijen en hetgeen hierna wordt overwogen omtrent de situatie van de man in Marokko, aanleiding voor de bepaling van de draagkracht niet van deze nieuwe richtlijnen uit te gaan.

4.4.

De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij voldoende draagkracht heeft om de door de rechtbank vastgestelde bijdragen voor de vrouw en [de minderjarige] te voldoen. Hij voert daartoe aan dat hij, gelet op de hoogte van zijn WAO uitkering en het feit dat hij in Marokko zijn echtgenote moet onderhouden, onder bijstandsniveau leeft.

Vast staat dat de man in Marokko woont en een (Nederlandse) WAO/WIA-uitkering van netto € 1.243,- per maand ontvangt. In geschil is hoe de draagkracht van de man dient te worden bepaald, meer in het bijzonder gelet op het feit dat de kosten van levensonderhoud in Marokko lager zijn dan in Nederland. Met de vrouw is het hof van oordeel dat voor de bepaling van de draagkracht van de man kan worden aangesloten bij de criteria uit de Wet Woonlandbeginsel, waarbij ervan wordt uitgegaan dat de kosten van levensonderhoud in Marokko 40% lager zijn dan in Nederland. Het hof ziet in hetgeen door de man is aangevoerd geen reden met een andere norm voor de vergelijking van het prijspeil tussen Nederland en Marokko, zoals de door de man voorgestelde zogenaamde “Big Mac-index”, rekening te houden. De stelling van de man, dat zijn huidige echtgenote vanwege haar leeftijd en ongeschooldheid niet in eigen levensonderhoud kan voorzien, is door de man op geen enkele wijze nader onderbouwd. Het hof ziet daarin evenmin reden om, zoals door de man voorgesteld, wel rekening te houden met een bijstandsnorm op Nederlands niveau. Gelet op het voorgaande zal het hof de man voor de bepaling van zijn draagkracht als alleenstaande beschouwen. Nu de man geen opgave heeft gedaan van eventuele woonlasten, huurbetalingen, ziektekostenpremies of andere lasten, houdt het hof daarmee -anders dan voor zover deze in de bijstandsnorm zijn verdisconteerd- geen rekening.

Het voorgaande brengt met zich dat het hof het draagkrachtloos inkomen van de man op 60% van € 926,- (de bijstandsnorm voor een alleenstaande in mei 2013), zijnde € 557,- per maand

bepaalt. De draagkrachtruimte bedraagt, gelet op de hoogte van de door de man ontvangen netto inkomen uit de uitkering, € 686,- per maand en de beschikbare draagkracht voor [de minderjarige] (70%): € 480,- per maand. De man is dan ook in staat de verzochte € 250,- per maand ten behoeve van [de minderjarige] te voldoen. De resterende draagkracht van de man is eveneens voldoende om de door de vrouw verzochte uitkering van € 216,- per maand te voldoen (rekening houdende met een beschikbaar percentage van 60), zodat de door de vrouw gestelde extra inkomsten van de man (uit verhuur van onroerend goed) geen verdere bespreking behoeven.

4.5.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep, voor zover daarbij een door de man te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw is bepaald van € 750,- per maand en, in zoverre opnieuw rechtdoende,

bepaalt een door de man bij vooruitbetaling te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 29 mei 2013 van € 216,- (TWEEHONDERDZESTIEN EURO) per maand;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Sturhoofd, mr. C.E. Buitendijk en mr. J.A. van Keulen in tegenwoordigheid van mr. S. Rezel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2014.