Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1986

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
03-10-2014
Zaaknummer
23-004298-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvang verdenking en ontvankelijkheid openbaar ministerie in vervolging van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-004298-13

datum uitspraak: 28 mei 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 september 2013 in de strafzaak onder parketnummer 13-665320-13 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 mei 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30 september 2012 tot en met 18 april 2013 te Den Haag en/of Rijswijk en/of Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

A. een (personen)auto (merk Ford, type Fiesta. met kenteken [kenteken 1]. met chassisnummer [chassisnummer 1] 1552) en/of

B. een (personen)auto (merk BMW. type X Reihe. met kenteken [kenteken 2], met chassisnummer [chassisnummer 2]) en/of

C. een (personen)auto (merk Volkswagen. type Golf. met kenteken [kenteken 3]) en/of een kentekenbewijs (van voornoemde (personen)auto (merk Volkswagen. type Golf. met kenteken [kenteken 3]) en/of

D. een (personen)auto (merk Audi, type S5, met kenteken [kenteken 4], met chassisnummer [chassisnummer 3]) en/of

E. een (personen)auto (merk Volkswagen, type Passat, met kenteken [kenteken 5], met chassisnummer [chassisnummer 4]),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

A. [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of

B. [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of

C. [benadeelde 5] en/of

D. [benadeelde 6] en/of

E. [benadeelde 7] en/of [benadeelde 8] en/of [benadeelde 9],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door het slot/de sloten van voornoemde (personen)auto(s) te verbreken en/of te forceren, althans door middel van braak en/of verbreking en/of valse sleutel;

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 30 september 2012 tot en met 18 april 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een of meermalen (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

A. een (personen)auto (merk Ford, type Fiesta, met kenteken [kenteken 1], met chassisnummer [chassisnummer 1] 1552) en/of

B. een (personen)auto (merk BMW, type X Reihe, met kenteken [kenteken 2], met chassisnummer [chassisnummer 2]) en/of

C. een (personen)auto (merk Volkswagen, type Golf, met kenteken [kenteken 3]) en/of een kentekenbewijs (van voornoemde (personen)auto (merk Volkswagen, type Golf, met kenteken [kenteken 3]) en/of

D. een (personen)auto (merk Audi, type S5, met kenteken [kenteken 4], met chassisnummer [chassisnummer 3]) en/of

E. een (personen)auto (merk Volkswagen, typ Passat, met kenteken [kenteken 5], met chassisnummer [chassisnummer 4]),

F. een autosleutel (merk Renault) en /of

G. een of meer (overige) goed(eren) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen (telkens) wist(en), althans (telkens) redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in vervolging

De raadsvrouw heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat nog altijd onduidelijk is hoe de politie op 6 februari 2013 bij de Audi is gekomen en dat gebleken is dat het onderzoek dat zich onder meer richtte op de parkeergarage bij het gebouw waar verdachte woonde al op 17 december 2012 onder de naam 13JALDAK is aangevangen. Dit laat zich volgens de raadsvrouw niet rijmen met het proces-verbaal waarin is vermeld dat de aanleiding van het onderzoek is dat op 26 februari 2013 een politiemedewerker een vermoedelijk gestolen auto ziet staan in een parkeergarage. De omstandigheid dat een verdachte op enig moment in een onderzoek in beeld kan komen, ontslaat het openbaar ministerie niet van de verplichting om aan te tonen welk onderzoek is verricht om aan te tonen dat de verdachte in beeld komt, aldus de raadsvrouw.

Dit vormverzuim is zodanig ernstig dat dit moet resulteren in de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, aldus de raadsvrouw.

Net als de rechtbank overweegt het hof als volgt.

Op 25 februari 2013 kreeg de politie een melding dat in de parkeergarage van de flat Parkrand, gevestigd aan de Dr. H. Colijnstraat in Amsterdam, een mogelijk gestolen BMW stond geparkeerd met kenteken [kenteken 6].

Op 26 februari 2013 nam de dienstdoende verbalisant telefonisch contact op met de huismeester van deze flat. Deze huismeester verklaarde dat zij de camerabeelden van de parkeergarage had bekeken naar aanleiding van het aantreffen van de BMW, een voor haar onbekende personenauto die geparkeerd stond op een parkeerplaats die niet was verhuurd.

Op deze beelden had de huismeester waargenomen dat de bestuurder van deze BMW een man was die zij kende als [persoon 1].

De politie heeft de huismeester op 27 februari 2013 als getuige gehoord (pagina 200010 van het dossier). Bij gelegenheid van dit verhoor heeft de huismeester verklaard dat zij op 6 februari 2013 een Audi in de parkeergarage had zien staan die daar niet hoorde.

Een dag later heeft zij de camerabeelden van de parkeergarage bekeken. Op deze camerabeelden heeft de huismeester waargenomen dat op 6 februari 2013 een man uit de bewuste Audi is gestapt die zij herkende als de bewoner van perceel 650, te weten [persoon 1].

Uit politieonderzoek is vervolgens naar voren gekomen dat de man die de huismeester kende onder de naam [persoon 1], de verdachte [verdachte] is.

Het hof leidt uit het voorgaande af dat de verdachte eerst op 26 februari 2013 bij de politie in beeld is gekomen in verband met de BMW met kenteken [kenteken 6].

Op grond van de door de huismeester bij gelegenheid van haar verhoor van 27 februari 2013 afgelegde verklaring kon verdachte vervolgens ook in verband worden gebracht met de Audi voorzien van kenteken [kenteken 4], die eerder, te weten op 6 februari 2013, uit de parkeergarage Parkrand was weggesleept. Dat met betrekking tot deze Audi mogelijke onderzoeks- c.q. opsporingshandelingen vóór 27 februari 2013 niet zijn geverbaliseerd, leidt niet tot de conclusie dat is gehandeld in strijd met de verbaliseringsplicht. De verdachte was immers toen nog niet als verdachte in beeld. Zoals blijkt uit de vordering als bedoeld in artikel 126nd Wetboek van Strafvordering d.d. 28 februari (rubriek 9 van het bob-dossier) is op 26 februari 2013 een mondelinge vordering gedaan die op 28 februari 2013 schriftelijk is bevestigd. Uit de daarachter gevoegde aanvraag blijkt dat deze vordering betrekking had op zowel de eerder gestolen Audi als op de BMW.

Nu uit niets blijkt dat de verdachte vóór 26 februari 2013 in deze zaak als verdachte bij de politie in beeld is gekomen, treft het betoog van de raadsvrouw dat het openbaar ministerie gehouden is nader toe te lichten wat de aanleiding was voor het opsporingsonderzoek onder de naam 13JALDAK en het volledige dossier van dit onderzoek aan het hof toe te zenden, geen doel. Wat aan het eind van 2012 de aanleiding was voor het beginnen van het onderzoek onder de naam 13JALDAK is immers niet relevant voor enige in deze zaak te nemen beslissing met betrekking tot de verdachte.

Het verweer van de raadsvrouw wordt daarom verworpen. Het hof ziet ook voor het overige geen aanleiding het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 30 september 2012 tot en met 18 april 2013 te Amsterdam,

A. een (personen)auto (merk Ford, type Fiesta, met kenteken [kenteken 1], met chassisnummer [chassisnummer 1]) en

B. een (personen)auto (merk BMW, type X Reihe, met kenteken [kenteken 2], met chassisnummer [chassisnummer 2]) en

D. een (personen)auto (merk Audi, type S5, met kenteken [kenteken 4], met chassisnummer [chassisnummer 3])

voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen telkens redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het door misdrijf verkregen goederen betroffen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van het tweede alternatief/cumulatief ten laste gelegde

Ten aanzien van de onder A, B en D genoemde voertuigen is komen vast te staan dat de verdachte in deze voertuigen heeft gereden. Deze auto’s zijn bovendien aangetroffen in de garage van het flatgebouw Parkrand, gevestigd aan de H. Colijnstraat in Amsterdam waar de verdachte woonachtig is. Een aantal van de auto’s is in de parkeergarage binnengereden met behulp van een keytag die bij de verdachte in gebruik was.

.

De verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven voor de herkomst van deze goederen. De verklaring van de verdachte dat hij deze auto’s in de parkeergarage onderbracht als vriendendienst, is ontoereikend, gezien hetgeen hierna wordt overwogen. De verdachte heeft desgevraagd in eerste instantie geen enkel uitsluitsel willen en/of kunnen geven omtrent de naam of andere gegevens van de vrienden voor wie hij deze auto’s parkeerde. Eerst ter zitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij dit voor ene [persoon 2] en ene [persoon 3] deed. Over deze vrienden heeft de verdachte nog altijd niet meer specifieke informatie kunnen geven en bovendien heeft de verdachte naar het oordeel van het hof wisselend verklaard over de betrouwbaarheid van deze personen. Zo heeft de verdachte enerzijds verklaard dat de omstandigheid dat hij voor [persoon 2] verschillende auto’s parkeerde geen reden gaf tot argwaan omdat hij wist dat deze [persoon 2] autohandelaar was. Anderzijds heeft de verdachte, eveneens voor het eerst in hoger beroep, verklaard dat hij niet weet waar deze personen wonen, dat hij alleen op straat met hen afsprak en – als hij specifieker over hen zou verklaren – bang is voor eventuele represailles van hun kant omdat zij wel weten waar verdachte woont. Een dergelijke vrees acht het hof moeilijk te rijmen met bona fide uitleners van een auto, omdat niet valt in te zien waarom van dergelijke personen de gegevens niet bekend zouden mogen worden. Het hof leidt hieruit af, dat verdachte ten tijde van het lenen van de auto’s aanleiding moet hebben gehad de uitleners te wantrouwen en daarmee redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de auto’s van diefstal afkomstig waren. De verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BX4874) treft reeds daarom geen doel. Tenslotte overweegt het hof, dat ten aanzien van de onder A. genoemde auto de verdachte, zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, wist dat deze op naam van [persoon 4] stond, terwijl [persoon 2] deze auto kwam brengen.

Het hof komt dan ook gelet op het voorgaande tot de conclusie dat, nu de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat er iets niet klopte met de auto’s, schuldheling kan worden bewezen. Het hof acht het onderdeel medeplegen niet bewezen, nu niet valt uit te sluiten dat degenen die de auto ’s naar verdachte toebrachten, ook degenen zijn geweest die zich aan de diefstal van die auto’s hadden schuldig gemaakt.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

schuldheling, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan heling van in totaal drie auto’s. Door aldus te handelen heeft verdachte andere misdrijven ondersteund en deze daarmee begunstigd.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 2 mei 2014 is de verdachte eerder voor strafbare feiten, waaronder vermogensdelicten, onherroepelijk veroordeeld.

Het hof komt tot een andere bewezenverklaring dan de rechtbank, die verdachte heeft veroordeeld voor het medeplegen van schuldheling van vijf auto’s en een autosleutel. Gelet daarop komt het hof tot een lagere straf dan de rechtbank heeft opgelegd.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het eerste alternatief/cumulatief ten laste gelegde feit niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tweede alternatief/cumulatief ten laste gelegde feit heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. Mijnsberge, mr. P.F.E. Geerlings en mr. J.J. Wiarda, in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 mei 2014.

Mr. J.J. Wiarda is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...]

[...][...][...]

[...]

[...][...]

[...][...][...][...]

[...]