Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1963

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
04-07-2014
Zaaknummer
23-003480-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anonieme informatie als startinformatie en mede basis voor redelijk vermoeden van aanwezigheid wapens en munitie als bedoeld in artikel 49 Wet wapens en munitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 23-003480-11

Datum uitspraak: 30 april 2014

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 2 augustus 2011 in de strafzaak onder parketnummer 13-670677-11 tegen:

[verdachte],

geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen in hoger beroep van 9 december 2013 en 16 april 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 juli 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie III, te weten revolver (merk Nagant), en/of munitie van categorie III, te weten 4, althans één of meer patro(o)n(en) (kaliber .32 S&W L), voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Bespreking van gevoerde verweren

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep onder meer betoogd - zakelijk weergegeven - dat het gebruik van informatie die is verkregen van een anoniem gebleven persoon als basis om dwangmiddelen toe te passen, primair dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dan wel tot bewijsuitsluiting van het door de inzet van die dwangmiddelen verkregen bewijs zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. Volgens de raadsman is de informatie niet op haar betrouwbaarheid getoetst en daardoor is er sprake van een onherstelbaar vormverzuim.

Voorts heeft de raadsman betoogd dat het vuurwapen mogelijk al in de auto lag voordat de verdachte over de auto kon beschikken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Een redelijk vermoeden van de aanwezigheid van wapens en munitie als bedoeld in artikel 49 van de Wet wapens en munitie (WWM) kan worden aangenomen op basis van een anonieme melding. Voorts kan de politie anonieme informatie gebruiken als startinformatie voor een opsporingsonderzoek. Aangezien de melder of tipgever in beginsel anoniem blijft en diens betrouwbaarheid niet of nauwelijks kan worden getoetst, dient naar de inhoud van de melding nader onderzoek plaats te vinden. Het resultaat van dat onderzoek kan er vervolgens toe leiden dat er een zodanige verdenking ontstaat dat dwangmiddelen gebruikt kunnen worden. In de onderhavige zaak gaat het om het volgende.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 20 juli 2011 van de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] blijkt onder meer dat het onderzoek in de onderhavige strafzaak is gestart nadat verbalisant [verbalisant 1] op 20 juli 2011 te 16:00 uur op het Bijlmerplein te Amsterdam Zuidoost sprak met een hem ambtshalve van gezicht bekende man, die hem verklaarde:

Die [verdachte] bewaart in zijn grijze Lexus een vuurwapen achter het dashboard. Het zit vlak boven zijn radio, je moet het dashboard daar een beetje loswrikken.

Vervolgens zag verbalisant [verbalisant 1] aan het politiebureau Flierbosdreef in de hem ter beschikking gestelde politiesystemen dat [verdachte] van 18/09/1983, regelmatig zou rijden in een Lexus voorzien van kenteken [kenteken].

Hierop ging verbalisant [verbalisant 1] omstreeks 19:35 uur samen met de verbalisanten [verbalisant 2], [verbalisant 4] en [verbalisant 3] naar het basketbalveldje nabij de flat Hoptille. Het was verbalisant [verbalisant 1] ambtshalve bekend dat [verdachte] daar regelmatig zou komen. Hierop zagen de verbalisanten om 19:38 uur voornoemde Lexus staan, geparkeerd bij garage Huigenbos. Zij zagen dat [verdachte] in de Lexus wilde stappen. Verbalisant [verbalisant 1] hield [verdachte] staande op grond van de Wet wapens en munitie en zag dat [verdachte] de autosleutel in zijn hand had. Vervolgens vroeg verbalisant [verbalisant 1] aan [verdachte] of hij [verdachte] was en of het zijn auto was. Verbalisant [verbalisant 1] hoorde [verdachte] zeggen: “Ja”, en zei vervolgens dat hij van de politie was en dat zij informatie hadden dat hij in het bezit zou zijn van een vuurwapen.

Hierop stapte verbalisant [verbalisant 1] in de Lexus en bekeek samen met verbalisant [verbalisant 3] de plek boven de autoradio. Zij zagen vervolgens dat het dashboard losraakte nadat verbalisant [verbalisant 1] dit heen en weer wrikte. Hierop zagen zij achter het dashboard een zwart kleurige sok liggen met daarin een voorwerp met de vorm van een revolver. Hierop deelde verbalisant [verbalisant 1] zijn collega [verbalisant 2] mede dat [verdachte] kon worden aangehouden op grond van de Wet wapens en munitie. De revolver is vervolgens veiliggesteld door verbalisant [verbalisant 4], waarbij is vastgesteld dat het vermoedelijk gaat om een revolver van het type Nagant.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 16 april 2014 heeft het hof verbalisant [verbalisant 1] als getuige gehoord en deze heeft onder meer verklaard dat hij, nadat hij met de tipgever op straat had gesproken, het belangrijk vond om de gekregen informatie te onderzoeken nu [verdachte] een prominent lid van de [groep] is.

Gelet op hetgeen hiervoor is gerelateerd is het hof van oordeel dat de stelling van de raadsman dat de anonieme informatie niet inhoudelijk en op haar betrouwbaarheid is getoetst, niet juist is. Het hof is van oordeel dat de inhoud van de informatie verkregen van de anoniem gebleven persoon tamelijk concreet is en in combinatie met de nader verkregen gegevens een voldoende grondslag vormden voor een verdenking van overtreding van de WWM om toepassing te geven aan de bevoegdheid verdachte staande te houden en op grond van de WWM de auto te doorzoeken. Een verdenking tegen verdachte op grond van art. 27 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is eerst later ontstaan, zoals in het proces-verbaal van bevindingen is gerelateerd

Ten overvloede overweegt het hof dat uit de stukken van het geding en het onderzoek ter terechtzitting duidelijk is geworden dat de Lexus met het kenteken [kenteken] op 7 januari 2011 voor het eerst voorkomt in het systeem van de Rijksdienst voor het wegverkeer (RDW) en dat het voertuig op naam van de verdachte wordt gesteld. Op 14 januari 2011 wordt voornoemd voertuig op naam gesteld van [familielid verdachte] en op 7 juli 2011 wordt het voertuig op naam gesteld van [betrokkene]. Gedurende de periode tussen 22 januari 2011 en 20 juli 2011 zijn er negen politiemutaties, waarin wordt beschreven dat de verdachte de bestuurder/eigenaar van voornoemd voertuig was ondanks dat het voertuig niet op zijn naam stond.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat het vuurwapen in Nederland op enig moment in de Lexus is gestopt. Nu de verdachte bij de politie onder meer heeft verklaard dat hij de enige bestuurder van de Lexus is en dat alleen hij in het bezit is van de sleutel van de Lexus, is het hof van oordeel dat de verdachte minst genomen zich bewust is geweest van de aanwezigheid van het vuurwapen met munitie in de Lexus. De verklaring van de verdachte dat als hij naar een coffeeshop gaat de mensen met wie hij in de auto was dan in de auto blijven zitten, maken dit naar het oordeel van het hof niet anders.

Het alternatieve scenario van de raadsman, te weten dat het vuurwapen mogelijk al in de auto lag voordat de verdachte over de auto kon beschikken, acht het hof niet aannemelijk en overigens onvoldoende onderbouwd, nu de tip zeer specifiek was en direct in de richting van de verdachte wees.

De verweren van de raadsman worden dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 20 juli 2011 te Amsterdam, een wapen van categorie III, te weten een revolver, merk Nagant, en munitie van categorie III, te weten 4 patronen, kaliber .32 S&W L, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte na bewezenverklaring van het ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd voor de duur van 2 jaren en een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 uren, bij niet naar behoren verricht te vervangen door hechtenis voor de duur van 60 dagen, met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens creëert daarnaast het risico van gebruik van die wapens en brengt gevoelens van onveiligheid met zich.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 2 april 2014 is de verdachte eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, daarbij rekening houdend met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.A. Schimmel, mr. J.W.H.G. Loyson en mr. E. van Die, in tegenwoordigheid van mr. D. Zeiss, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 april 2014.

Mrs. Schimmel, Van Die en Zeiss zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.