Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1960

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-04-2014
Datum publicatie
20-06-2014
Zaaknummer
23-001763-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontnemingsvordering in kader van hennepteelt - zie ook arrest 23-001762-13.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-001763-13

datum uitspraak: 15 april 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 26 maart 2013 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 15-710330-11 tegen de veroordeelde

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951,

adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 241.465,00.

De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 26 maart 2013 -kort gezegd- veroordeeld ter zake van telen van hennep en diefstal van elektriciteit.

Voorts heeft de rechtbank Noord-Holland bij beslissing van 26 maart 2013 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 173.080,82 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen zowel het vonnis als de beslissing.

De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 15 april 2014 veroordeeld ter zake van -kort gezegd- het telen van hennep en diefstal van elektriciteit.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

1 april 2014, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Beslissing waarvan beroep

De beslissing waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Het hof is van oordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel, geschat op een bedrag van

€ 97.691,12, heeft verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten ter zake waarvan hij bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 15 april 2014 is veroordeeld.

Het hof ontleent deze schatting aan de inhoud van de bewijsmiddelen.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 133.191,06 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De verdediging heeft het hof verzocht om bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel rekening te houden met de omstandigheid dat veroordeelde het pand aanvankelijk heeft betrokken om werkzaamheden uit te kunnen voeren aan zijn boot. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat de veroordeelde gedurende een periode van 20 augustus 2010 tot en met 25 oktober 2010 onder behandeling was bij de oncoloog en om die reden geen werkzaamheden heeft kunnen verrichten ten behoeve van de kwekerij. De verdediging verzoekt deze periode af te trekken bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Verder is nog aangevoerd dat een deel van de planten is gestolen, vandaar ook het gat in het dak van de bedrijfsruimte. Ook hier moet rekening mee worden gehouden.

Het hof gaat in zijn berekening uit van de voordeelsberekening zoals opgenomen in de beslissing van de rechtbank Noord-Holland van 26 maart 2013, met dien verstande dat het hof in de berekening uit gaat van een aangetroffen hoeveelheid van 556 hennepplanten nu dit het aantal planten is dat volgens de advocaat-generaal in de voordeelsberekening moet worden betrokken. Daarnaast gaat het hof uit van de omstandigheid dat de veroordeelde, wegens medische behandeling, gedurende een periode van twee maanden niet in staat is geweest om ten behoeve van de kwekerij werkzaamheden te verrichten waardoor het totaal aantal geslaagde oogsten vastgesteld dient te worden op drie.

Het hof acht het standpunt van de verdediging dat het pand aanvankelijk deels is gebruikt voor werkzaamheden aan de boot van de verdachte, en dat in deze periode geen hennep gekweekt werd, onvoldoende onderbouwd en ook verder niet aannemelijk.

Dat bij een diefstal een deel van de planten is verdwenen acht het hof evenmin voldoende onderbouwd, zodat ook hieraan voorbij zal worden gegaan.

Het hof gaat uit van de volgende voordeelsberekening:

Berekening opbrengst

556 planten x 23 gram = 12.788 gram / oogst

Waarde oogst: 12.788 x € 3,28 = € 41.944,64

Totale opbrengst 3 oogsten: 3 * € 41.944,64= € 125.833,92

Berekening kosten

Per oogst

Afschrijvingen € 450,00

Inkoop stekken 556 * € 2,85 € 1.584,60

Kweekmedium 556 * € 3,33 € 1.851,48

Canacutter € 58,75

Huisvesting € 1.251,97 * 10 / 3 € 4.173,23

Totaal per oogst: € 8.118,06

Totale kosten 3 oogsten € 3 * 8.118,06 € 24.354,18

Elektriciteit: € 3.788,54

Wederrechtelijk verkregen vermogen: € 125.833,92 – (€ 24.354,18 + € 3.788,54) = € 97.691,12.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Aan de veroordeelde dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 97.691,12.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt de beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 97.691,12 (zevenennegentig duizend zeshonderd éénennegentig euro en twaalf eurocent).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van 97.691,12 (zevenennegentig duizend zeshonderd éénennegentig euro en twaalf eurocent).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.L. Bruinsma, mr. D. Radder, en mr. J.G.W. Willems-Morsink, in tegenwoordigheid van

mr. A.J. Meyer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

15 april 2014.

Mr. Willems-Morsink is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...]

[...][...][...]

[...]

[...][...]

[...][...][...][...]

[...]