Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1959

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-04-2014
Datum publicatie
20-06-2014
Zaaknummer
23-001762-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanleiding binnentreden woning met vermoedelijk hennepplantage.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-001762-13

datum uitspraak: 15 april 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 26 maart 2013 in de strafzaak onder parketnummer 15-710330-11 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 april 2014, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2009 tot en met 11 mei 2011 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, (in een pand aan de [adres 2]) (telkens) een (grote) hoeveelheid (van ongeveer 700) hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2010 tot en met 11 mei 2011 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een hoeveelheid stroom, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander, in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft weggenomen, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof de voorkeur geeft aan een andere bewijsconstructie dan de door de eerste rechter gebezigde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij in de periode van 1 mei 2010 tot en met 11 mei 2011 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, telkens opzettelijk heeft geteeld en bewerkt en verwerkt, in een pand aan de [adres 2], een grote hoeveelheid (van 556 hennepplanten) van een materiaal bevattende hennep;

2:
hij in de periode van 1 maart 2011 tot en met 11 mei 2011 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een hoeveelheid stroom, toebehorende aan Liander, heeft weggenomen, waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsoverweging

Bewijsuitsluiting

De verdediging heeft gesteld dat de binnentreding van het door de verdachte gehuurde bedrijfspand, gelegen aan de [adres 2] te Hoofddorp, onrechtmatig is, waardoor alles wat als een gevolg van dit binnentreden is aangetroffen van het bewijs dient te worden uitgesloten. Verdachte moet dan ook, bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs, worden vrijgesproken. De raadsman voert hiertoe aan dat er geen sprake was van een redelijk vermoeden in de zin van artikel 9 lid 1, aanhef en onder b van de Opiumwet. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 11 februari 2012 zijn verbalisanten naar aanleiding van een Meld Misdaad Anoniem-melding, waarin de naam van de verdachte werd genoemd, het belendende perceel, [adres 2] binnengetreden. Nu deze MMA-melding niet is opgenomen in de processtukken, en verdere inhoudelijke onderbouwing ervan ontbreekt, stelt de raadsman zich op het standpunt dat ervan uit gegaan moet worden dat deze melding er niet is. Het enkele feit dat verbalisanten vervolgens ‘een zoemend geluid’ hebben gehoord komende vanuit het bedrijfspand van verdachte, is onvoldoende om een redelijk vermoeden van schuld aan te ontlenen.

Voorts stelt de verdediging dat het binnentreden als onrechtmatig zal moeten worden beschouwd, nu er, in strijd met de verbaliseringsplicht, van dit binnentreden geen proces-verbaal bij de processtukken is gevoegd.

Het hof is van oordeel dat, in zoverre het verweer van de verdediging zich richt op de (on)rechtmatigheid van het binnentreden in het pand aan de [adres 2], dit reeds niet kan slagen omdat dit pand niet bij verdachte in gebruik was, maar bij een derde. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan desalniettemin zou moeten worden aangenomen dat de verdachte door een onrechtmatigheid ten aanzien van het binnentreden in pand [adres 2] – wat daar verder ook van zij – in een hem betreffend belang is geschaad.

Het hof overweegt voorts als volgt. In het proces-verbaal van bevindingen van 11 februari 2012 wordt melding gemaakt van een Misdaad Anoniem-melding van 18 maart 2011. Hierin is onder meer vermeld dat er op het adres [adres 2] te Hoofddorp honderden hennepplanten worden verbouwd. Eigenaar is [medeverdachte 1]. Erik werkt samen met [medeverdachte 2], die een hennepplantage zou hebben in de omgeving van het pand van Erik. Verder blijkt uit dit proces-verbaal dat de verbalisant zich op 11 mei 2011 in het pand aan de [adres 2] bevond, alwaar een hennepplantage was aangetroffen. Verdachte [medeverdachte 1] verklaarde bij die gelegenheid desgevraagd dat hij het naastgelegen pand, [adres 2], aan [medeverdachte 2] verhuurde. Verbalisant verklaart, nog steeds in het zelfde proces-verbaal, dat hij, nadat de stroom in het pand aan de [adres 2]was uitgeschakeld, een zoemend geluid hoorde uit de richting van het belendende perceel, de [adres 2]. Vervolgens is hij het dak van dit pand op gegaan alwaar een beschadiging op het dak was te zien, vermoedelijk om een uitgang te creëren voor een afzuiging. Tevens werd geconstateerd dat er lucht werd aangezogen middels de brievenbus. Ook was dit pand zodanig geblindeerd dat er niet in het pand gekeken kon worden. Gelet op deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verbalisanten in redelijkheid hadden kunnen vermoeden dat in de [adres 2] een hennepkwekerij was gevestigd.

Naar het oordeel van het hof geeft voornoemd proces-verbaal van bevindingen een duidelijk en voldoende gedetailleerd beeld van de door de politie gevolgde gang van zaken en biedt het geen houvast voor de door de verdediging geschetste onrechtmatigheden. Ook het binnentreden in het door de verdachte gehuurde pand acht het hof voldoende duidelijk weergegeven in de stukken die zich in het dossier bevinden. De verweren worden dan ook verworpen evenals het voorwaardelijk verzoek, gedaan bij pleidooi, tot het horen van de desbetreffende verbalisant, nu het hof gelet op wat hiervoor is overwogen hiertoe geen noodzaak aanwezig acht.

Overige bewijsverweren.

Door de verdediging is subsidiair gesteld dat bij het vaststellen van de pleegperiode rekening gehouden moet worden met de omstandigheid dat de verdachte het pand aanvankelijk heeft betrokken om werkzaamheden uit te kunnen voeren aan zijn boot.

Blijkens een bij de processtukken gevoegde onderhuurovereenkomst huurde de verdachte het pand aan de [adres 2] in Hoofddorp sinds 3 november 2009. In het vonnis heeft de rechtbank rekening gehouden met een opbouwperiode van de kwekerij. Het hof acht het standpunt van de verdediging dat het pand in die periode deels is gebruikt voor werkzaamheden aan de boot van verdachte, en dat in deze periode geen hennep gekweekt werd, onvoldoende onderbouwd en ook verder niet aannemelijk.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel,

meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes weken met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Het gebruik van hennep heeft grote schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid. Daarnaast worden met het kweken van hennep grote illegale winsten behaald. Daarmee heeft dit een sterk corrumperende werking op de samenleving. Verdachte heeft met voorbijzien aan de gezondheidsrisico’s en kennelijk uit louter financieel gewin en gedeeltelijk met gebruikmaking van gestolen elektriciteit, zich over een langere periode schuldig gemaakt aan het medeplegen van telen van en bewerken van grote hoeveelheden hennep.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 13 maart 2014 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden en zal daarnaast een taakstraf van na te noemen duur opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 140 (honderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door hechtenis voor de duur van 70 dagen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.L. Bruinsma, mr. D. Radder, en mr. J.G.W. Willems-Morsink, in tegenwoordigheid van

mr. A.J. Meyer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

15 april 2014.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...]

[...][...][...]

[...]

[...][...]

[...][...][...][...]

[...]