Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1921

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-01-2014
Datum publicatie
05-08-2014
Zaaknummer
200.138.212
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schuldsanering afwijzing. Terugvordering van de uitkering is niet te goeder trouw. Betrokkene heeft de ontvangen gelden niet teruggestort of gereserveerd. Geen hardheidsclausule. De wijzigingen in de leef- en zorgsituatie zijn nog onvoldoende. Onduidelijk is of de begelieding door een psycholoog tot stabiliteit heeft geleid.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.138.212/01

rekestnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/206846/Ft RK 13.1613

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 januari 2014

in de zaak van:

[X]

wonend te [--]

advocaat: mr. E. Akopova te Purmerend.

1 Het geding in hoger beroep

Verzoekster wordt hierna [X]genoemd.

[X]is bij op 4 december 2013 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 26 november 2013, waarbij haar verzoek tot toelating tot de schuldsanering is afgewezen.

Het hoger beroep is behandeld op de zitting van 14 januari 2014. Bij die behandeling is [X]verschenen, bijgestaan door mr. Akopova die het verzoekschrift heeft toegelicht aan de hand van een pleitnotitie die aan het hof is overgelegd.

Het hof heeft kennis genomen van het verzoekschrift, van het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg. [X]heeft verklaard eveneens kennis te hebben genomen van de genoemde stukken.

2 Beoordeling

2.1.

[X]heeft in het verzoekschrift verzocht om alsnog tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. [X]heeft gesteld dat zij ten aanzien van het ontstaan van haar schulden wel te goeder trouw is en dat bovendien haar (persoonlijke) omstandigheden zijn gewijzigd. Daartoe heeft [X]– samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – het volgende aangevoerd. De (financiële) problemen zijn begonnen na de scheiding van haar ouders. Haar vader liet het gezin, waartoe [X]ook behoort, met schulden achter. [X]heeft geprobeerd haar moeder te helpen door te gaan werken. Toen haar arbeidscontract niet werd verlengd, vroeg [X]een uitkering aan. Voordat een beslissing op haar aanvraag was genomen, had zij echter weer werk gevonden. Zij heeft dit doorgegeven aan haar casemanager en heeft - naar eigen zeggen - tweemaal de bijstandsuitkering teruggestort. [X]bleef echter de bijstandsuitkering maandelijks ontvangen. Toen de uitkering uiteindelijk werd teruggevorderd heeft [X]geen bezwaar gemaakt omdat zij niet goed van de regels op de hoogte was en niet het idee had dat zij bezwaar kon maken.

[X]probeert thans haar leven op de rails te krijgen. Zij heeft zich een jaar geleden aangemeld bij de schuldhulpverlening, zij werkt thans 10 uur per week en wil graag meer uren werken. Voorts heeft zij verschillende schulden afgelost. Verder krijgt zij hulp van een psycholoog en wordt zij verder ondersteund door familie en vrienden.

[X]realiseert zich dat zij in het verleden niet adequaat heeft gehandeld, maar zegt de situatie thans onder controle te hebben en verzoekt het hof haar een kans te geven teneinde een nieuwe start te maken.

2.2.

Uit artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Faillissementswet (Fw) vloeit voort dat een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling alleen wordt toegewezen als de schuldenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Het hof is van oordeel dat [X]daarin niet is geslaagd.

2.3.

[X]heeft in de vijf jaar voorafgaande aan de dag van indiening van het inleidende verzoekschrift (onder andere) een schuld aan de DWI ad € 6.763,77 over de periode 4 september 2010 tot en met 31 maart 2011 laten ontstaan en (gedeeltelijk) onbetaald gelaten.

Hoewel zij wist dat zij op de desbetreffende betalingen geen recht had en er ernstig rekening mee moest houden dat een terugvordering zou volgen - in 2006 verkeerde [X]in een soortgelijke situatie welke tot een terugvordering van een bedrag van € 7.719,52 had geleid - heeft [X]de ontvangen bedragen niet teruggestort dan wel gereserveerd om deze desgevraagd terug te betalen. Gelet op de verklaring van [X]dat zij ten tijde van het ontstaan van de schuld aan de DWI wel ervan uitging dat zij de uitkering ten onrechte ontving maar desondanks de ontvangen gelden heeft aangewend om andere schulden te voldoen, kan niet anders worden geoordeeld dan dat [X]ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de schuld aan de DWI niet te goeder trouw is geweest. Voornoemde wetenschap bij [X]maakt dat niet aannemelijk is geworden dat zij voor een en ander geen verwijt kan worden gemaakt. In dit verband is voorts van belang dat [X]de mogelijkheid had bezwaar te maken tegen het besluit, van welke mogelijkheid zij geen gebruik heeft gemaakt. Het besluit tot terugvordering is in rechte dan ook komen vast te staan, zodat het hof van de juistheid daarvan uitgaat. Gelet op het voorgaande staat de schuld aan de DWI aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg.

2.4.

[X]heeft daarnaast aangevoerd dat zij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden, onder controle heeft gekregen, zoals bedoeld in artikel 288, derde lid, Fw. Naar het oordeel van het hof is hiervan vooralsnog onvoldoende gebleken. De wijzigingen in de leef- en zorgsituatie (en de begeleiding die [X]daarbij ontvangt, ook in financiële zin) zijn nog niet afdoende om een beroep op voormelde bepaling te honoreren. [X]loopt thans bij een psycholoog in verband met depressiviteit. Onduidelijk is vooralsnog of de begeleiding van de psycholoog in dit opzicht tot een zekere mate van stabiliteit heeft geleid. Een verklaring of rapport van de psycholoog waaruit zulks zou kunnen blijken ontbreekt immers. Voorts is van belang dat [X]– naar het zich laat aanzien - binnenkort waarschijnlijk wederom in een situatie terechtkomt dat zij inkomsten naast een bijstandsuitkering zal hebben. Zonder bijstand van een budgetbeheerder of beschermingsbewindvoerder is het hof er niet van overtuigd dat [X]zich in een dergelijke situatie zelfstandig zal kunnen redden. Al het voorgaande leidt ertoe dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

2.5.

Het hof geeft [X]in overweging dat zij een nieuw verzoek kan indienen om toegelaten te worden tot de schuldsanering wanneer zij kan aantonen dat haar leven een stabiele wending heeft genomen en zij zodanige hulp ontvangt bij haar financiën waardoor de kans op het vervallen in oude fouten tot een minimum is beperkt.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, F.J.P.M. Haas en G.H. Lankhorst en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.