Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1920

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-05-2014
Datum publicatie
11-07-2014
Zaaknummer
200.144.674-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

beëindiging schuldsaneirngsregeling, artikel 350, derde lid, Fw, niet voldaan aan informatieverplichting waardoor de bewindvoerder zijn controlerende taak niet heeft kunnen uitvoeren, laten ontstaan van bovenmatige nieuwe schulden, geen concreet haalbaar voorstel om de tekortkomingen voor het einde van de looptijd te verhelpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.144.674/01

insolventienummer rechtbank Amsterdam : C/13/12/559-R

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 mei 2014

in de zaak van

[appellant],

wonend te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. H. van Schuppen te [vestigingsplaats].

1 Het geding in hoger beroep

Appellant wordt hierna [appellant] genoemd.

[appellant] is bij op 3 april 2014 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 maart 2014, waarbij de ten aanzien van [appellant] geldende schuldsaneringsregeling tussentijds is beëindigd.

Het hoger beroep is behandeld op de zitting van het hof van 13 mei 2014. Bij die behandeling is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Van Schuppen die het verzoekschrift heeft toegelicht. Voorts is namens de bewindvoerder [A.] verschenen.

Het hof heeft kennis genomen van het verzoekschrift met de producties 1 tot en met 3, het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg en de namens [appellant] op 7 mei 2014 nader overgelegde producties 4 tot en met 6, alsmede het verslag van de bewindvoerder van 1 mei 2014. [appellant] heeft verklaard eveneens kennis te hebben genomen van de genoemde stukken.

2 Beoordeling

2.1

[appellant] heeft in het verzoekschrift verzocht om het vonnis waarin de op hem toepasselijke schuldsaneringsregeling tussentijds werd beëindigd zonder schone lei, te vernietigen en hem alsnog in staat te stellen de wettelijke schuldsaneringsregeling te voltooien. Daartoe heeft [appellant] gesteld dat hem van een eventueel tekortschieten in de nakoming van zijn verplichtingen geen verwijt kan worden gemaakt. Hij heeft daartoe – samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – het volgende aangevoerd. Hij heeft wel voldaan aan de informatieplicht. Nog voor de uitspraak in eerste aanleg heeft hij de benodigde gegevens overgelegd, zo ook op 7 mei 2014 in hoger beroep. Dat de bewindvoerder deze stukken niet zou hebben ontvangen, acht [appellant] onaannemelijk gezien de ontvangstbevestiging van de e-mail, die hij in zijn bezit heeft. Verder verkeerde [appellant] door miscommunicatie in de veronderstelling dat de schuldsaneringsregeling reeds beëindigd was. De bewindvoerder had immers laten weten dat er een boedelvoorstand was en [appellant] had zijn werkgever daarom laten weten dat er geen geld meer naar de boedel overgemaakt hoefde te worden, maar dat dit geld ter aflossing van de hypotheekschuld aangewend kon worden.

[appellant] betwist de schuld aan [B.] en komt uit op een totaal bedrag aan schulden, exclusief de hypotheekrenteschuld, van € 14.000,-. Nu het saldo van de boedelrekening € 28.000,- bedraagt en er nog een tegoed van € 2.000,- staat op een geblokkeerde rekening, is [appellant] in staat met de reguliere afdracht en die tegoeden de renteschuld en de schuldenlast af te betalen. [appellant] verzoekt derhalve de tussentijdse beëindiging te vernietigen.

2.2

De bewindvoerder heeft aangevoerd dat [appellant] tijdens de schuldsaneringsregeling een nieuwe schuld heeft laten ontstaan bij Lindorff in verband met te betalen hypotheekrente ten bedrage van € 18.908,91. Bovendien zijn er nieuwe schulden te verwachten, te weten de restschuld van de woning van ongeveer € 79.000,- - die naar de bewindvoerder verwacht binnenkort ter verificatie zal worden aangemeld - en een terugvordering van de Belastingdienst in verband met ten onrechte genoten aftrek hypotheekrente van ongeveer € 10.000,-. Omdat [appellant] niet alle benodigde gegevens, waaronder de loonstroken, heeft overgelegd, is de boedelstand een schatting. Ook bij de geschatte voorstand van de boedel van € 3.732,79 zal [appellant] niet in staat zijn de hypotheekschuld en de Belastingdienst te voldoen. De bewindvoerder heeft gesteld dat [appellant] herhaaldelijk op zijn verplichtingen is gewezen, maar dat hij deze, met name ook de informatieverplichting, niet nakomt. De bewindvoerder ziet geen aanleiding te veronderstellen dat het in de toekomst anders zal lopen.

2.3

Het hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat - zoals in het bijzonder blijkt uit artikel 350, derde lid, Fw - vergaande verplichtingen rusten op de schuldenaar op wie de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is. Deze verplichtingen vinden hun grond in de doelstelling van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Die komt erop neer, dat natuurlijke personen die in een uitzichtloze financiële situatie terecht zijn gekomen, de kans moeten krijgen weer met een schone lei verder te gaan. Daar staat echter tegenover dat van de schuldenaar een actieve medewerking wordt verwacht aan de doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling.

Op de schuldenaar rust onder meer de verplichting tot het verschaffen van die inlichtingen waarvan de schuldenaar weet of behoort te begrijpen dat zij van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het hof met de rechtbank van oordeel dat [appellant] zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieverplichting niet naar behoren is nagekomen, ook niet nadat hij herhaaldelijk door de bewindvoerder op deze verplichting was gewezen, dit ook in een verhoor bij de rechter-commissaris op 8 april 2013 was herhaald en [appellant] van de rechtbank ter zitting van 29 januari 2014 een allerlaatste kans had gekregen hieraan te voldoen. De bewindvoerder is daardoor niet in staat gesteld zijn toezichthoudende taak voldoende uit te voeren. Weliswaar heeft [appellant] alsnog een pakket aan bankafschriften overgelegd, maar de essentiële loonspecificaties ontbreken nog immer. Van de te verwachten 21 loonstroken sinds de aanvang van de schuldsanering op 22 juni 2012 is één loonspecificatie via de postblokkade ontvangen door de bewindvoerder en zijn drie loonspecificaties in hoger beroep overgelegd. In totaal heeft de bewindvoerder zeven loonstroken ontvangen. Dat volgens [appellant] zijn loon niet verandert en de bankafschriften voldoende zijn, is geen reden de door de bewindvoerder opgevraagde loonspecificaties niet te verstrekken. Het is niet aan [appellant] te beoordelen welke informatie relevant is. Het hof gaat voorbij aan het verweer van [appellant] dat hij door zijn verhuizing niet in staat was geweest de loonspecificaties te verstrekken. Van [appellant] had verwacht mogen worden dat hij de loonstroken apart hield zodat hij deze aan de bewindvoerder kon overleggen, dan wel dat hij deze bij zijn werkgever opnieuw had opgevraagd. Voorts passeert het hof het verweer van [appellant] dat hij niet wist dat de schuldsanering nog op hem van toepassing was. Dat [appellant] bij e-mail van 8 augustus 2013 aan de bewindvoerder heeft laten weten dat hij wilde dat de schuldsaneringsregeling werd beëindigd en afgerond, betekent niet dat de schuldsaneringsregeling op dat moment ook daadwerkelijk was beëindigd. Gezien de beëindigingszitting die in januari 2014 werd gehouden en pro forma werd aangehouden, is het volstrekt onbegrijpelijk dat [appellant] dit heeft gedacht.

Voorts is één van de verplichtingen van de schuldsanering dat de schuldenaar geen bovenmatige schulden doet of laat ontstaan (artikel 350, derde lid, aanhef en onder d, Fw). [appellant] heeft echter een schuld in verband met niet betaalde hypotheekrente laten ontstaan van € 18.908,91 per 17 februari 2014. Van de twintig termijnen die betaald hadden moeten worden, heeft [appellant] er zeven betaald. Dit klemt temeer nu in het vrij te laten bedrag rekening is gehouden met de te betalen hypotheekrente. Dat de werkgever van [appellant] de hypotheekrente sinds augustus 2013 zou betalen, is niet aannemelijk geworden. Naar het zich laat aanzien wordt de nieuwe schuldenlast binnenkort uitgebreid met de restschuld van circa € 79.000,-, ontstaan na de verkoop van de woning van [appellant]. En voorts valt er een terugvordering van de Belastingdienst te verwachten in verband met ten onrechte genoten hypotheekrenteaftrek van ongeveer € 10.000,-.

2.4.

Van bovengenoemde tekortkomingen valt, zoals uit bovenstaande blijkt, [appellant] een verwijt te maken, zodat deze aan hem kunnen worden toegerekend. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. [appellant] heeft voorts geen concreet plan aangedragen om de geconstateerde tekortkomingen vóór het einde van de looptijd van de schuldsaneringsregeling te verhelpen. Zo ontbreekt een concreet haalbaar voorstel tot aflossing van de nieuwe schulden. De boedelvoorstand die [appellant] voor aflossing van de schulden wil gebruiken, is door de gebrekkige informatievoorziening geschat. En voorts is niet aannemelijk dat [appellant] ook met een eventuele boedelvoorstand en geld van een geblokkeerde rekening de nieuwe schulden zal kunnen voldoen. De genoemde tekortkomingen, die niet als geringe tekortkoming buiten beschouwing kunnen blijven, zijn naar het oordeel van het hof zodanig ernstig, dat slechts de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei gerechtvaardigd is. Het vonnis van de rechtbank zal dan ook worden bekrachtigd.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.W.E. Koopmann, M.L.D. Akkaya en

E.A.G.M. Waaijers-Kaarsgare en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.