Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1917

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
200.090.740
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet bescherming persoonsgegevens

Welke stukken vallen onder de uitzonderingsbepaling in artikel 2 en/of artikel 43 Wbp?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2014-0227
NJF 2012/111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

nevenzittingsplaats Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.090.740

(zaaknummer rechtbank Utrecht 294465)

beschikking van de eerste civiele kamer van 20 mei 2014

inzake

[appellant]

wonende te Amsterdam,

appellant,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J. van de Laar,

tegen:

de onderlinge waarborgmaatschappij voor instellingen in de gezondheidszorg

Medirisk B.A.,

gevestigd te Utrecht,

verweerster,

hierna: Medirisk,

advocaat: mr. E.J.C. de Jong.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof verwijst naar zijn tussenbeschikkingen van 31 januari 2012 en 4 maart 2014.

1.2

Medirisk heeft bij akte van 1 april 2014 gereageerd op het in de beschikking van 4 maart 2014 onder 2.14 vermelde.

1.3

[appellant] heeft op 24 april 2014 een antwoordakte genomen.

1.4

Ten slotte heeft het hof wederom beschikking bepaald.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1

Het hof blijft bij zijn beschikking van en 4 maart 2014 en hetgeen het daarin heeft overwogen en beslist.

2.2

Het hof heeft in zijn beschikking van 4 maart 2014 overwogen dat Medirisk (nader) gemotiveerd dient uiteen te zetten hoe te verklaren valt dat zij in haar eerdere processtukken lijkt te citeren uit een rapport van een door haar genoemde dr. [X], terwijl dit citaat niet terug te vinden is in de bij brief van 17 mei 2013 door haar overgelegde (en gelet op de kwaliteit van de kopie zeer slecht leesbare) rapporten van de heer [W]. Verder diende Medirisk een verklaring te geven voor het feit dat haar directeur ter zitting bij het hof heeft verklaard dat dr. [X] de enige medisch adviseur is geweest die bij deze zaak betrokken was, dat vervolgens in de brief van 13 juni 2013 is vermeld dat niet dr. [X], maar de heer [W] bij het dossier van [appellant] betrokken is geweest en dat vervolgens uit de brief van 13 augustus 2013 lijkt te volgen dat zowel dr. [X] en de heer [W] bij dit dossier betrokken zijn geweest. Voorts diende Medirisk uiteen te zetten waarom zij niet eerder melding heeft gemaakt van het feit dat begin 2007 slechts mondeling overleg is geweest tussen haar advocaat en de medisch adviseur.

2.3

Het hof heeft daarnaast bepaald dat Medirisk reeds de stukken aan [appellant] diende te verstrekken waarvan zij zelf in haar overzicht van 13 juni 2013 heeft aangegeven dat zij bereid is ze aan [appellant] te verstrekken, én de stukken die het hof onder 2.5 van zijn beschikking van 4 maart 2014 heeft opgesomd.

2.4

Medirisk heeft in haar akte van 1 april 2014 uiteengezet dat in het jaar 2000 de medisch adviseur [W] twee maal een rapport heeft geschreven naar aanleiding van de aansprakelijkstelling van [appellant] en dat er naar aanleiding van een memo van haar toenmalige zaaksbehandelaar, [R], (slechts) mondeling overleg heeft plaatsgevonden met dr. [X]. Voorts heeft Medirisk opgemerkt dat in haar processtukken slechts de inhoud van de brief van [R] d.d. 2 februari 2007 aan (de advocaat van) [appellant] is geciteerd.

Daarnaast heeft Medirisk vermeld dat de directeur van Medirisk tijdens het pleidooi bij het hof slechts heeft bedoeld te betogen dat dr. [X] onder meer bij deze zaak betrokken is geweest, hetgeen niet betekent dat dr. [X] de enige medisch adviseur was die bij de zaak betrokken is geweest.

2.5

In verband met deze opmerkingen van Medirisk, moet ervan uitgegaan worden dat er geen rapport van dr. [X] is, zodat Medirisk ook niet kan worden bevolen een dergelijk rapport te overleggen. Het hof komt in zoverre terug op zijn beslissing in de beschikking van 31 januari 2012.

2.6

Medirisk heeft het hof nog verzocht om terug te komen op het oordeel dat zij onvoldoende heeft onderbouwd waarom bepaalde stukken niet aan [appellant] zouden moeten worden verstrekt. Medirisk heeft in haar akte echter evenmin een nadere onderbouwing gegeven voor haar betoog dat de uitzondering van artikel 2 en/of artikel 43 Wbp van toepassing zou zijn op de stukken die zij niet aan [appellant] wenste te verstrekken. Reeds om die reden komt het hof niet op zijn beslissing in de beschikking van 4 maart 2014 en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen terug.

Ook voor het overige ziet het hof geen aanleiding om op deze beslissing terug te komen, nu het Medirisk genoegzaam duidelijk kon zijn dat het op haar weg lag om deugdelijk te onderbouwen waarom zij de verzochte stukken niet aan [appellant] wenste te verstrekken en meer in het bijzonder waarom op die stukken de uitzonderingsbepaling van artikel 43 sub 3 van de Wbp van toepassing zou zijn.

2.7

[appellant] heeft in zijn antwoordakte van 24 april 2014 vermeld dat het op 7 mei 2013 gedateerde stuk niet door Medirisk is overgelegd, omdat het daarbij slechts ging om een ter kennisname aan de advocaat van Medirisk doorgezonden mail. [appellant] heeft verklaard deze uitleg te accepteren en ermee in te stemmen dat dit stuk geacht moet worden onder de advocaten-exceptie te vallen. Medirisk behoeft dit stuk daarom niet (meer) te overleggen.

3 Slotsom

3.1

Het hof komt tot de slotsom dat de beschikking van de rechtbank Utrecht van 11 mei 2011 vernietigd moet worden. Het hof blijft bij zijn beslissing in de beschikking van 4 maart 2014 dat Medirisk aan [appellant] de stukken dient te verstrekken waarvan zij zelf in haar overzicht van 13 juni 2013 heeft aangegeven dat zij bereid is ze aan [appellant] te verstrekken én de stukken die het hof onder 2.5 van de beschikking van 4 maart 2014 heeft vermeld, met uitzondering van het stuk van 7 mei 2013 van OLVG aan Medirisk.

Nu het hof reeds in zijn beschikking van 4 maart 2014 Medirisk opdracht heeft gegeven de in die beschikking vermelde gegevens te verstrekken en Medirisk in haar akte van 1 april 2014 heeft vermeld dat deze stukken inmiddels aan [appellant] zijn verstrekt, hetgeen [appellant] niet heeft weersproken, zal het hof het verzoek van [appellant] om te bepalen dat Medirisk een dwangsom zal verbeuren afwijzen.

3.2

Het hof ziet in de omstandigheid dat [appellant] in de onderhavige procedure grotendeels in het gelijk is gesteld aanleiding om Medirisk te veroordelen in de proceskosten die [appellant] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft moeten maken. |
De kosten van de procedure in eerste aanleg worden begroot op:

griffierecht: € 263,-

salaris advocaat: € 904,- (2 punten x € 452,-).

De kosten van de procedure in hoger beroep worden begroot op:

salaris advocaat: € 2.682,- (3 punten x € 894,-).

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 11 mei 2011;

bepaalt dat Medirisk aan [appellant] de stukken dient te verstrekken waarvan zij in haar overzicht van 13 juni 2013 heeft aangegeven dat zij bereid is ze aan [appellant] te verstrekken én de stukken die het hof onder 2.5 van zijn beschikking van 4 maart 2014 heeft opgesomd, met uitzondering van het stuk van 7 mei 2013 van OLVG aan Medirisk;

veroordeelt Medirisk in de proceskosten aan de zijde van [appellant], in eerste aanleg begroot op € 1.167,- en in hoger beroep begroot op € 2.682,-;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders door [appellant] verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. S.B. Boorsma, C.J.H.G. Bronzwaer en L.J. de Kerpel-van de Poel en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 mei 2014.