Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1891

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-05-2014
Datum publicatie
13-10-2014
Zaaknummer
200.128.847-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Derdenbeslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.128.847/01

zaaknummer rechtbank (Noord-Holland): C/14/132688 / HA ZA 11-619

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 mei 2014

inzake

[APPELLANT],

wonend te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. A.A.C. Guillaume te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

REMARK RECHTSPRAKTIJK BEHEER B.V.,

gevestigd te Graft-De Rijp,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M. Verhoog te Bergen (N-H).

Partijen worden hierna [appellant] en Remark genoemd.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 11 juni 2013 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 13 maart 2013, in deze zaak onder bovengenoemd zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en Remark als gedaagde.

Ter rolzitting van het hof van 25 juni 2013 heeft [appellant] overeenkomstig de appeldagvaarding van grieven gediend, een productie in het geding gebracht, zijn eis gewijzigd en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, Remark zal veroordelen aan de executerende deurwaarder ten minste een bedrag van € 5.435,50 per maand, althans een zodanig bedrag als het hof juist acht, te betalen – met terugwerkende kracht met ingang van 10 augustus 2011 – met wettelijke rente, met veroordeling van Remark in de proceskosten van beide instanties.

Remark is verschenen, maar heeft geen verweer gevoerd.

Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties.

2 De feiten

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep onder 2.1 en 2.2 enkele feiten vermeld en tot uitgangspunt genomen. Omdat die feiten tussen partijen niet in geschil zijn, zal ook het hof daarvan uitgaan.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

(i) Bij deurwaardersexploot van 10 augustus 2011 heeft [appellant] onder Remark ten laste van [X], enig aandeelhouder en bestuurder van Remark (verder: [X]), executoriaal derdenbeslag doen leggen voor een bedrag van (in hoofdsom) € 3.000.000,=.

(ii) Op 7 september 2011 heeft Remark een verklaring derdenbeslag afgelegd. Hierin is vermeld dat Remark aan [X] per maand aan bruto loon/uitkering een bedrag van € 13.333,37 is verschuldigd. Als in te houden belasting en sociale lasten is een bedrag vermeld van € 6.643,=. Verder is een maandelijkse premie Zorgverzekeringswet van € 157,= vermeld.

3.2.

[appellant] heeft in eerste aanleg veroordeling gevorderd van Remark tot betaling aan hem van € 5.435,50 per maand, met ingang van de maand augustus 2011, te vermeerderen met rente en kosten. Hij heeft daartoe gesteld, kort gezegd, dat de derde-beslagene op grond van artikel 477 Rv verplicht is de volgens zijn verklaring verschuldigde geldsommen aan de deurwaarder te voldoen, dat het, gelet op de inhoud van de door Remark afgelegde verklaring, gaat om een bedrag van (€ 13.333,37 -/- € 6.643,= -/- € 157,=, dus) € 6.533,37 per maand, te verminderen met de beslagvrije voet (€ 1.187,87), dat Remark derhalve maandelijks een bedrag van (€ 6.533,37 -/- € 1.87,87, dus) € 5.345,50 dient af te dragen, en dat [appellant], nu Remark deze verplichting niet is nagekomen, nakoming daarvan vordert krachtens artikel 477a lid 4 Rv. Remark heeft hiertegen verweer gevoerd.

3.3.

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep overwogen, kort samengevat en voor zover thans relevant, dat gelet op het bepaalde in artikel 477a lid 4 Rv j▫ artikel 477 Rv aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering niet kan worden toegekomen, nu [appellant] heeft gevorderd dat Remark het volgens haar verklaring verschuldigde aan hem afdraagt en niet heeft gevorderd dit aan zijn deurwaarder af te dragen. Op grond hiervan heeft de rechtbank [appellant] niet ontvankelijk verklaard in zijn vordering en hem veroordeeld in de proceskosten.

3.4.

De grief strekt ten betoge dat de rechtbank [appellant] ten onrechte niet ontvankelijk heeft verklaard in zijn vordering en zijn vordering ten onrechte niet heeft toegewezen. Deze grief slaagt, reeds omdat [appellant] zijn eis in hoger beroep bij memorie van grieven in die zin heeft gewijzigd – waartoe hij overigens ook bevoegd was – dat hij niet langer afdracht van het onder het beslag verschuldigde aan de eiser, tevens de beslaglegger, vordert, maar afdracht daarvan vordert aan de executerende deurwaarder. Daaraan voegt het hof ten overvloede toe dat de vordering van [appellant] in eerste aanleg om, kort samengevat, Remark te veroordelen tot betaling van het bedoelde maandelijkse bedrag aan [appellant], gelet op de kennelijke strekking van deze vordering en de tekst van artikel 477 lid 1 Rv niet anders kon worden begrepen dan om een veroordeling te verkrijgen tot betaling van het bedoelde maandelijkse bedrag aan de deurwaarder van [appellant].

3.5.

Volgens de eigen, onder 3.1 sub (ii) genoemde verklaring derdenbeslag als bedoeld in artikel 476a Rv is Remark maandelijks een bedrag van (per saldo) € 6.533,37 aan (de deurwaarder van) [appellant] verschuldigd. In dat bedrag is echter nog geen rekening gehouden met de zogenoemde beslagvrije voet, die door (de deurwaarder van) [appellant] is berekend op een bedrag van € 1.187,87, zodat volgens diens berekening per saldo aanspraak kan worden gemaakt op betaling van een bedrag van € 5.345,50 per maand.

3.6.

Remark heeft hiertegen in eerste aanleg verweer gevoerd, stellende dat uit de bijlage bij de aangifte Inkomstenbelasting 2011 volgt dat [X] jaarlijks een bedrag van € 84.798,= betaalt aan rentelasten voor de eigen woning, wat neerkomt op een bedrag van € 7.066,05 per maand, welk bedrag per saldo dus meer beloopt dan het netto inkomen dat hem maandelijks door Remark wordt betaald. Dit verweer wordt verworpen, reeds omdat Remark daarmee het bepaalde in artikel 475d lid 5 aanhef en sub b Rv miskent, waarop de onder 3.5 genoemde berekening van (de deurwaarder van) [appellant], naar hij onweersproken heeft gesteld, is gebaseerd. Nu die berekening op zichzelf niet gemotiveerd door Remark is weersproken, gaat het hof van de juistheid daarvan uit. Voor zover Remark in dit verband heeft aangevoerd dat (de deurwaarder van) [appellant] hem niet of onvoldoende omtrent de beslagvrije voet heeft ingelicht, kan het hof haar hierin evenmin volgen, nu artikel 475 Rv niet de verplichting kent dat de beslagvrije voet in het exploot van derdenbeslag wordt vermeld maar een verplichting hieromtrent krachtens artikel 475g lid 1 Rv oplegt aan de deurwaarder die beslag heeft gelegd en de deurwaarder in het onderhavige geval bij brief van 21 september 2011 aan Remark een daarop betrekking hebbend overzicht – waaruit Remark de voor [X] geldende beslagvrije voet heeft moeten kunnen opmaken – heeft doen toekomen.

3.7.

Voor zover Remark heeft betoogd dat hij sinds 1 juni 2012 geen inkomsten meer ontvangt van Remark, passeert het hof dit verweer, omdat dit onvoldoende concreet is onderbouwd en toegelicht.

3.8.

De slotsom luidt als volgt. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. De vordering van [appellant] zal alsnog worden toegewezen. Omdat de verplichting tot betaling of afgifte van het beslagene ingevolge (het dwingendrechtelijke) artikel 477 lid 1 Rv eerst ontstaat indien de derde-beslagene verklaring heeft gedaan en Remark dit laatste op 7 september 2011 heeft gedaan, zal het hof de vordering van [appellant] – anders dan hij heeft gevorderd – toewijzen met ingang van 8 september 2011. Remark zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in beide instanties.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, en, opnieuw recht doende:

veroordeelt Remark tot betaling aan de deurwaarder van [appellant] van een bedrag van € 5.345,50 per maand met ingang van 8 september 2011, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de respectievelijke maandelijkse vervaldata;

verwijst Remark in de proceskosten van het geding in eerste aanleg en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [appellant] gevallen, op € 361,81 aan verschotten en € 904,= aan salaris advocaat;

verwijst Remark in de proceskosten van het geding in hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [appellant] gevallen, op € 403,= aan verschotten en € 894,= aan salaris advocaat;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. D. Kingma, D.J. van der Kwaak en S.F. Schütz, en is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2014 door de rolraadsheer.