Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:189

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
05-02-2014
Zaaknummer
200.121.449-01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klagers maken bezwaar tegen de bewoordingen waarin de notaris zijn kritiek heeft geuit op de door hen opgestelde akte. Het hof is van oordeel dat het hebben – en uiten – van kritiek op (het werk van) een collega is toegestaan, mits die kritiek gefundeerd is en niet onnodig grievend is ten aanzien van de inhoud van het werk of de persoon van de collega. Het hof stelt, evenals de kamer, voorop dat er geen regel is die voorschrijft dat een notaris zich eerst tot zijn betreffende collega moet wenden voordat hij kritiek op diens akte uit. De bestreden beslissing wordt bevestigd.

Wetsverwijzingen
Wet op het notarisambt, geldigheid: 2014-02-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.121.449/01 NOT

nummer eerste aanleg : 07.831/2012/13

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 4 februari 2014

inzake

1. [klager],

2. [klager],

notarissen te [plaatsnaam], [gemeente],

appellanten,

tegen:

[notaris],

notaris te [plaatsnaam],

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. J. Schröder, advocaat te Nijmegen.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Van de zijde van appellanten, hierna verder te noemen “klagers”, is bij een op 7 februari 2013 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift - met bijlagen - tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Arnhem, hierna verder te noemen “de kamer”, van 8 januari 2013, waarbij de kamer de klacht van klagers tegen geïntimeerde, hierna verder te noemen “de notaris”, ongegrond heeft verklaard.

1.2.

Van de zijde van de notaris is op 28 maart 2013 een verweerschrift - met bijlagen - ter griffie van het hof ingekomen.

1.3.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 21 november 2013. Appellant sub 1 is - mede namens appellant sub 2 - verschenen. De notaris is eveneens verschenen, bijgestaan door mr. E.M. Mulder, advocaat te Nijmegen. Allen hebben het woord gevoerd; mr. Mulder aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2 De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

4 De standpunten van partijen

De standpunten van partijen blijken uit de beslissing waarvan beroep en het door ieder hunner gestelde in de stukken van de procedure in appel.

5 De weergave van de klachten en de beoordeling

5.1.

Het eerste klachtonderdeel betreft de opmerking “Ik denk dat Hans Kazan van deze akte nog veel kan leren” die de notaris heeft gemaakt in zijn e-mailbericht van 11 juli 2011 aan [naam], de bedrijfsjuriste van zijn cliënte, [N.V.] (hierna ook aan te duiden als “[N.V.]”). Klagers maken bezwaar tegen de bewoordingen waarin deze kritiek op de door hen opgestelde akte wordt geuit, die zij respectloos achten. Verder had de notaris zich het effect van deze opmerking op derden, onder wie de cliënten van klagers, moeten realiseren, aldus klagers in het tweede klachtonderdeel.

Het hof overweegt ten aanzien van deze klachtonderdelen als volgt.

Het hebben – en uiten – van kritiek op (het werk van) een collega is toegestaan, mits die kritiek gefundeerd is en niet onnodig grievend is ten aanzien van de inhoud van het werk of de persoon van de collega. Uit hetgeen partijen ter zitting in hoger beroep hebben verklaard, is duidelijk geworden dat met betrekking tot de juridische kwestie(s) waarop de gewraakte opmerking ziet (bij partijen) twee verschillende meningen bestaan, die beide verdedigbaar zijn. De notaris heeft met zijn opmerking willen verwoorden dat zijns inziens door de door klagers opgestelde akte rechtsverhoudingen en voorwaarden werden gecreëerd die er voorheen niet waren, zo maakt het hof op uit de context waarin die opmerking is gemaakt. Gelet op het vorenstaande is het hof van de oordeel dat de gewraakte opmerking een vlag is die de lading eigenlijk wel dekt, maar was het beter geweest als de notaris deze achterwege had gelaten vanwege de negatieve bijklank die de vergelijking met het werk van een goochelaar in dit verband heeft. Van een notaris mag worden verwacht dat hij zijn woorden zorgvuldig afweegt. Ook de notaris erkent dat hij zijn kritiek anders had moeten verwoorden en hij heeft ruim vóór het indienen van de onderhavige klacht zijn excuses aangeboden voor het maken van de gewraakte opmerking. Het hof is, anders dan klagers, van oordeel dat er geen reden is om de oprechtheid van de excuses van de notaris - die door hem ter zitting in hoger beroep zijn herhaald - in twijfel te trekken. Dat de notaris voor andere door hem gemaakte, in de ogen van klagers badinerende, opmerkingen geen excuses heeft aangeboden en dat het mogelijke effect van zijn opmerking op derden door de excuses niet wordt weggenomen, doet niet af aan de (oprechtheid van de) excuses van de notaris. Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat de gewraakte opmerking weliswaar – in de context waarin deze is gemaakt - qua vorm geen schoonheidsprijs verdient, maar niet ongefundeerd of onnodig grievend is en derhalve niet klachtwaardig. Het eerste en tweede klachtonderdeel zijn dan ook ongegrond.

5.2.

In het derde klachtonderdeel wordt erover geklaagd dat de notaris zijn kritiek aan zijn cliënte kenbaar heeft gemaakt zonder daarover eerst met klagers te overleggen. Volgens klagers hadden zij zijn kritiek (gedeeltelijk) kunnen weerleggen en had de notaris die reactie kunnen en moeten betrekken in het contact met zijn cliënte. Door dit na te laten heeft de notaris, mede gezien de complexiteit van de zaak en de ernst van zijn kritiek, naar de mening van klagers onzorgvuldig gehandeld. Het hof volgt klagers niet in dit betoog. Het hof stelt, evenals de kamer, voorop dat er geen regel is die voorschrijft dat de notaris zich eerst tot zijn collega moet wenden voordat hij kritiek op diens akte uit. Naar het oordeel van het hof heeft de notaris dit in de gegeven omstandigheden ook niet hoeven doen. Vooraf waren tussen klagers en de notaris duidelijke afspraken gemaakt over de verdeling van de werkzaamheden; de notaris zou enkel de aandeelhoudersregisters bijwerken en zo nodig [N.V.] adviseren. Gesteld noch gebleken is dat op enig moment door klagers dan wel hun cliënt aan de notaris is gevraagd om de door klagers opgestelde concept-akte(n) te beoordelen, hetgeen gelet op de complexiteit van de zaak en de onderlinge verhoudingen eigenlijk wel voor de hand had gelegen. Verder staat als onweersproken vast dat de notaris de akten pas onder ogen kreeg nadat deze waren gepasseerd, zodat hij werd geconfronteerd met een voldongen feit. Er bestond voor hem dus geen enkele aanleiding om klagers te benaderen voor een reactie of overleg, mede gelet op het feit dat hij de akte besprak in een e-mail aan zijn eigen opdrachtgeefster, die een ander was dan de vennootschap in wier opdracht klagers de akte hadden opgemaakt. Het derde klachtonderdeel is dus eveneens ongegrond.

5.3.1.

Het vierde, en laatste, klachtonderdeel houdt in dat de notaris misbruik van omstandigheden heeft gemaakt door alleen tegen betaling bereid te zijn tot het geven van een schriftelijke toelichting op zijn kritiek. De notaris heeft zich primair op het standpunt gesteld dat klagers in dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat dit een declaratiegeschil betreft dat op grond van artikel 55 lid 2 (oud) van de Wet op het notarisambt exclusief tot de bevoegdheid van de ringvoorzitter behoort. Met de kamer is het hof van oordeel dat klagers in het vierde klachtonderdeel wel kunnen worden ontvangen, nu daarin niet de hoogte van de declaratie aan de orde wordt gesteld maar de vraag of de notaris aan het verrichten van de desbetreffende werkzaamheden de voorwaarde mocht stellen dat klagers hem daarvoor zouden betalen.

5.3.2.

Naar het oordeel van het hof heeft zich geen dwangsituatie voorgedaan. In het bewuste e-mailbericht van 11 juli 2011 van de notaris heeft hij zijn kritiek al uitgebreid verwoord en gemotiveerd. Klagers hadden dan ook geen schriftelijke toelichting van de notaris op zijn kritiek nodig om aan hun eigen opdrachtgevers te kunnen uitleggen waarom naar hun mening de bezwaren van de notaris ongegrond waren. Desondanks hebben klagers de notaris bij brief van 12 augustus 2011 verzocht bondig aan te geven welke onderdelen van welke akte naar zijn mening onjuist of onvolledig zijn en waarom hij dat meent. Bovendien is de notaris bij die brief verzocht om met een voorstel te komen “over hoe de onjuistheid of onvolledigheid volgens uw inzichten kan worden weggenomen”. Zeker nu de opdracht aan de notaris ook het aandragen van mogelijke oplossingen behelsde, acht het hof het bepaald niet onredelijk dat de notaris als voorwaarde heeft gesteld dat klagers toezegden hem voor de opgedragen werkzaamheden te zullen betalen. De notaris heeft in zijn vier pagina’s tellende brief van 17 augustus 2011 ten aanzien van meerdere transacties zijn commentaar gegeven en diverse voorstellen gedaan. Nergens blijkt uit dat, zoals klagers stellen, deze in opdracht van klagers uitgevoerde werkzaamheden, in het bijzonder de bondige weergave van de complexe materie en het doen van voorstellen, door de notaris al eerder (ten behoeve van zijn eigen cliënte) zouden zijn verricht en dat hij zich dus dubbel heeft laten betalen. Dit brengt het hof tot de slotsom dat ook het vierde klachtonderdeel ongegrond is.

5.4.

Nu het hof met betrekking tot alle klachtonderdelen tot hetzelfde oordeel komt als de kamer, zal de bestreden beslissing worden bevestigd.

5.5.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend verder onbesproken blijven.

5.6.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

- bevestigt de bestreden beslissing.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, A.R. Sturhoofd en P. Blokland en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 4 februari 2014 door de rolraadsheer.