Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1835

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-05-2014
Datum publicatie
23-05-2014
Zaaknummer
23-000039-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderzoek Warnow II. Gewoontewitwassen. Telefoonbedrijf als dekmantel. Verwerping verweer n.a.v. ongeldigverklaring EU-Richtlijn Gegevensbewaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000039-13

datum uitspraak: 9 mei 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 14 december 2012 in de strafzaak onder parketnummer 15-973035-11 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

adres: [adres 1].

1 Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 september 2013, 4 februari 2014, 8 april 2014, 11 april 2014 en 25 april 2014, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

2 Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 augustus 2008 tot en met 04 oktober 2011, te Amsterdam en/of Nieuwegein en/of Leiderdorp en/of Den Haag en/of Rotterdam, althans (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich (meermalen althans eenmaal) schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans schuldwitwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s) in of omstreeks de navolgende periode en/of op of omstreeks (één of meer van) de navolgende tijdstippen (telkens) één of meer hierna te noemen geldbedragen, althans enig geldbedrag, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen, te weten:

l. een (aanzienlijk) aantal (contante) geldbedragen van (ongeveer) in totaal 5.030.092 euro in of omstreeks de periode van 1 augustus 2008 tot en met 4 oktober 2011 en/of

2. een (contant) geldbedrag van (ongeveer) 90.000 euro (op of omstreeks 9 september 2011) en/of

3. een (contant) geldbedrag van (ongeveer) 189.900 euro (op of omstreeks 29 september 2011), en/of

4. een (contant) geldbedrag van (ongeveer) 23.000 euro (op of omstreeks 03 oktober 2011), en/of

5. een (contant) geldbedrag van (ongeveer) 10.000 euro (op of omstreeks 03 oktober 2011), en/of

6. een (contant) geldbedrag van (ongeveer) 1655 euro (op of omstreeks 03 oktober 2011), en/of

7. een (contant) geldbedrag van (ongeveer) 1800 euro (op of omstreeks 03 oktober 2011 ), zulks (telkens) terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat/die geldbedrag( en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;



2. primair
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 maart 2007 tot en met 04 oktober 2011 te Breda en/of Den Haag en/of Rotterdam, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse of vervalste factuur op naam van [bedrijf 1], met de vermelding "verkoper [initialen verdachte]", ziende op de verkoop van meer dan 5000 mobiele telefoons, met de koopsom 371.593,00 euro - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – en/of opzettelijk die valse of vervalste factuur heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijnde mededader(s) wist(en) dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst, bestaande de valsheid of vervalsing van die factuur hierin dat zij in strijd met de waarheid was gedateerd op 18 maart 2007, immers waren de op die factuur genoemde telefoontoestellen toen nog niet op de markt en/of bestond het bedrijf [bedrijf 1] toen niet en/of bestaande dat gebruik maken en/of afleveren hierin dat hij en/of één of meer van zijn mededader(s) die factuur aan een derde heeft gegeven of doen toekomen;

2. subsidiair
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 maart 2007 tot en met 04 oktober 2011 te Breda en/of Den Haag en/of Rotterdam, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse of vervalste factuur op naam van [bedrijf 1], met de vermelding "verkoper [initialen verdachte]", ziende op de verkoop van meer dan 5000 mobiele telefoons, met de koopsom 371.593,00 euro - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - en/of opzettelijk die valse of vervalste factuur heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst,

bestaande de valsheid of vervalsing van die factuur hierin dat zij in strijd met de waarheid was gedateerd op 18 maart 2007, immers waren de op die factuur genoemde telefoontoestellen toen nog niet op de markt en/of bestond het bedrijf [bedrijf 1] toen niet en/of

bestaande dat gebruik maken en/of afleveren hierin dat hij en/of één of meer van zijn mededader(s) die factuur aan een derde heeft gegeven of doen toekomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

3 Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot andere beslissingen dan de rechtbank komt ten aanzien van de bewijsvraag en de strafoplegging.

4 Vrijspraken

4.1

partiële vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde witwassen van geldbedragen van € 10.000,00 en € 1.800,00

Het hof is met de advocaat-generaal en de verdediging en evenals de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat op grond waarvan kan worden vastgesteld dat het in de kluis van de winkel van de verdachte aangetroffen geldbedrag van € 10.000,- en het onder de echtgenote van de verdachte aangetroffen geldbedrag van € 1.800,- van misdrijf afkomstig zijn, zodat het hof de verdachte vrij zal spreken van de hem tenlastegelegde witwashandelingen die betrekking hebben op deze geldbedragen.

4.2.

Partiële vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde witwassen van een geldbedrag van € 189.900,00

4.2.1.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich in navolging van het requisitoir van de officier van justitie in eerste aanleg op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden geacht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen van een geldbedrag van € 189.900,-.

4.2.2.

Standpunt van de verdediging

Namens de verdediging is vrijspraak bepleit.

4.2.3.

Het oordeel van het hof

Het hof stelt op grond van de inhoud van het dossier het volgende vast.

De medeverdachte [medeverdachte 1] en een persoon in Marokko, genoemd [betrokkene 1], hebben op 26 september 2011 telefonisch contact gehad in verband met de overdracht van het bedrag van € 189.900,- en hebben daarbij op verhullende wijze met elkaar gecommuniceerd over de overdacht van een geldbedrag in euro’s in Nederland en de gelijktijdige uitkering van het equivalent daarvan in dirhams in Marokko. Uit deze contacten blijkt dat [medeverdachte 1] en deze [betrokkene 1] afspreken dat [medeverdachte 1] het geld aan ‘de man met nummer [telefoonnummer]’ moet overhandigen. Uit het dossier blijkt voorts dat het telefoonnummer [telefoonnummer] in gebruik was bij de verdachte. Voorts is uit afgeluisterde telefoongesprekken gebleken dat de verdachte en [betrokkene 2] hebben afgesproken om elkaar de volgende dag in Amsterdam te ontmoeten. [medeverdachte 1] heeft deze afspraak ook doorgegeven aan [betrokkene 1]. Uit de afgeluisterde gesprekken volgt echter ook dat [betrokkene 2] kort nadat hij met de verdachte had afgesproken telefonisch een afspraak heeft gemaakt met [medeverdachte 2] en dat hij de verdachte daarop heeft medegedeeld dat alles al geregeld was. Uit de inhoud van het dossier volgt voorts dat [medeverdachte 2] uiteindelijk het geldbedrag van € 189.900,- op 29 september 2011 in ontvangst heeft genomen, waarna hij is aangehouden door de politie. [medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard dat hij het geld in Amsterdam moest ophalen en aan ‘[alias verdachte]’ van [bedrijf 1] (het bedrijf van de verdachte) moest geven.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Hoewel het hof er op grond van het voorgaande van uitgaat dat de verdachte op de hoogte is geweest van de geplande overdracht en dat de verdachte ook de persoon was die aanvankelijk het geld in ontvangst zou nemen, lijkt hij uiteindelijk geen aandeel te hebben gehad in de verdere gang van zaken. In elk geval biedt het dossier geen aanknopingspunten voor een verdere betrokkenheid van de verdachte bij de uiteindelijke overdracht van het geld. Niet is gebleken dat de verdachte enige uitvoeringshandeling heeft verricht noch dat hij op enige ander wijze nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen bij de totstandkoming van de overdracht zoals die uiteindelijk heeft plaatsgevonden. Dat de medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij het ontvangen geld aan een zekere ‘[alias verdachte]’ (met welke naam de verdachte wel wordt aangeduid) moest overhandigen, maakt dit oordeel niet anders, nu voor het bestaan van een afspraak hiertoe met de verdachte geen bevestiging kan worden gevonden in het dossier en hiervan ook anderszins niet is gebleken.

Gelet op het hiervoor overwogene, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte strafbaar betrokken is geweest bij het witwassen van een geldbedrag van € 189.900,-.

4.3.

Vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde

4.3.1.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich overeenkomstig het requisitoir van de officier van justitie in eerste aanleg op het standpunt gesteld dat op grond van de inhoud van het dossier wettig en overtuigend kan is bewezen dat de verdachte een verkoopfactuur op naam van [bedrijf 1] valselijk heeft opgemaakt of vervalst met het oogmerk om die factuur als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

4.3.2.

Standpunt van de verdediging

Namens de verdediging is vrijspraak bepleit.

4.3.3.

Het oordeel van het hof

Op 29 september 2011 is bij gelegenheid van een doorzoeking in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 2] onder meer een factuur aangetroffen van [bedrijf 1], gedateerd 18 maart 2007, met factuurnummer 29 en met daarop de vermelding ‘verkoper [initialen verdachte]’, ziende op de verkoop van meer dan 5.000 mobiele telefoons, waaronder 2.701 telefoons van het type Nokia C3 voor een bedrag van € 371.593,-.

De verdachte wordt verweten dat hij opzettelijk in strijd met de waarheid een factuur gedateerd heeft op 18 maart 2007. Uit het dossier blijkt dat op dat tijdstip niet alleen het bedrijf [bedrijf 1] van de verdachte nog niet bestond, maar ook dat de in de factuur vermelde telefoons toen nog niet bestonden. Het hof acht de verklaring van de verdachte, die erop neerkomt dat de onjuiste vermelding van het jaartal in het geschrift berust op een verschrijving, echter niet zonder meer onaannemelijk.

De verklaring van verdachte wordt voorts niet weerlegd door de inhoud van bewijsmiddelen. Het hof zal de verdachte derhalve vrijspreken van het hem onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde.

5 Het bewijs

5.1.

Bespreking van in hoger beroep gevoerde verweren strekkende tot bewijsuitsluiting

5.1.1.

ongeldige Richtlijn

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) dat ertoe dient te leiden dat alle gegevens die zijn verkregen uit geautomatiseerde databanken van telecomproviders moeten worden uitgesloten van het bewijs. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. Op 4 april 2014 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie een arrest gewezen (in gevoegde zaken C-293/12 en C-594/12 Digital Rights Ireland en Seitlinger e.a.) waarbij Richtlijn 2006/24/EG betreffende de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in verband met het aanbieden van openbaar beschikbare elektronische communicatiediensten of van openbare communicatienetwerken en tot wijziging van Richtlijn 2002/58/EG ongeldig/onrechtmatig verklaard. Deze Richtlijn is met ingang van 1 september 2009 geïmplementeerd in de nationale wetgeving middels wijziging van diverse wetten, waaronder de Telecommunicatiewet. In de zaak tegen de verdachte zijn zendmastgegevens en historische gegevens (histo’s) opgevraagd en gebruikt in het kader van het bewijs. Aangezien de Richtlijn ongeldig is verklaard, onder andere wegens strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is de implementatiewet in Nederland eveneens onrechtmatig/ongeldig. Dit betekent dat er zonder geldige wettelijke grondslag gegevens van onder meer de verdachte en de medeverdachten zijn opgeslagen en opgevraagd, waarbij het recht op privacy van de betrokkenen is geschonden. Nu alle histo’s, zendmastgegevens en processen-verbaal, die middels het opvragen van gegevens van telecomproviders zijn verkregen dienen te worden uitgesloten van het bewijs, moet de verdachte bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Vooropgesteld wordt dat artikel 359a Sv uitsluitend ziet op vormverzuimen die zijn begaan in het voorbereidend onderzoek, dat wil zeggen het (opsporings)onderzoek voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting, in de zaak tegen de verdachte ter zake het aan hem tenlastegelegde. Dat brengt met zich mee dat, wat er ook zij van het verweer van de raadsman dat uit het onderhavige arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie zou voortvloeien dat gegevens van de verdachte en medeverdachten zonder geldige wettelijke grondslag zijn opgeslagen omdat de Telecommunicatiewet ongeldig/onrechtmatig zou zijn, dit onderdeel van het verweer niet kan slagen nu vaststaat dat het opslaan van gegevens niet heeft plaatsgevonden in het kader van het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte in de onderhavige strafzaak. In zoverre wordt het verweer reeds op die grond verworpen.

Waar het verweer van de raadsman ziet op het opvragen van historische gegevens, zendmastgegevens e.d. met betrekking tot de verdachte, hetgeen blijkens de stukken in het dossier heeft plaatsgevonden op grond van de toepasselijke bepalingen van Sv (artikelen 126nd e.v.), is niet aannemelijk geworden dat sprake is van enig vormverzuim.

Nu het hof overigens de op de door de raadsman betwiste wijze verkregen gegevens niet voor het bewijs zal gebruiken, kan het beroep van de raadsman op artikel 359a Sv ook daarom niet slagen en wordt het verweer op alle onderdelen verworpen. Voor zover de raadsman nog heeft betoogd dat ook buiten toepassing van artikel 359a Sv sprake is van een schending van artikel 8 EVRM die tot uitsluiting van genoemde gegevens dient te leiden, brengt dit het hof niet tot een ander oordeel.

5.1.2.

Ondervragingsrecht geschonden

De raadsman van de verdachte heeft voorts betoogd dat de verklaringen die de medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) en [medeverdachte 2] als verdachten in hun eigen zaak hebben afgelegd niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, omdat het bewijs tegen de verdachte enkel en alleen, althans in doorslaggevende mate, is gebaseerd op deze verklaringen en de verdediging in strijd met het ondervragingsrecht als bedoeld in artikel 6, derde lid van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet in staat is geweest deze verklaringen te toetsen, nu [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich bij hun ondervraging als getuige op hun verschoningsrecht hebben beroepen.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Vooropgesteld wordt dat het hof de verklaringen die de medeverdachte [medeverdachte 2] heeft afgelegd niet voor het bewijs gebruikt. In zoverre behoeft het verweer van de raadsman dus geen bespreking.

Het hof heeft wel ten nadele van de verdachte acht geslagen op de verklaring die de medeverdachte [medeverdachte 1] bij gelegenheid van zijn verhoor als verdachte in zijn “eigen” strafzaak in eerste aanleg heeft afgelegd. Ten aanzien daarvan overweegt het hof als volgt.

De medeverdachte [medeverdachte 1] is na het afleggen van zijn verklaring als verdachte in de hem betreffende strafzaak door de rechtbank als getuige in de onderhavige zaak gehoord, waarbij hij zich bij die gelegenheid op zijn verschoningsrecht heeft beroepen. In hoger beroep is [medeverdachte 1] andermaal als getuige in de zaak van de verdachte gehoord. Ook bij die gelegenheid heeft hij geen vragen van de verdediging willen beantwoorden.

Uit het dossier komt naar voren dat een (extract) proces-verbaal is opgemaakt, houdende de door [medeverdachte 1] als verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring met betrekking zaaksdossier B-14. Hoewel dit proces-verbaal van de verklaring van [medeverdachte 1] door de rechtbank voor het bewijs is gebezigd, heeft het hof in de processen-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg niet kunnen teruglezen dat deze verklaring ook daadwerkelijk in de zaak van de verdachte is gevoegd. Het hof heeft dit in hoger beroep alsnog ambtshalve gedaan.

Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat een proces-verbaal, houdende de verklaring van een medeverdachte, afgelegd als verdachte bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting in diens eigen strafzaak, op de hiervoor beschreven wijze in de strafzaak van de verdachte wordt ingebracht. Het enkele feit dat die verklaring als de verdachte belastend kan worden aangemerkt doet daaraan niet af.

Het hof overweegt dat de verdediging meermalen de gelegenheid is geboden om de medeverdachte [medeverdachte 1] in diens hoedanigheid van getuige te doen ondervragen ter terechtzitting in hoger beroep. Het hof onderkent evenwel dat de verdediging haar ondervragingsrecht materieel gezien niet heeft kunnen effectueren, doordat de medeverdachte zich telkens op zijn verschoningsrecht heeft beroepen.

Het hof is niettemin van oordeel dat de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaring gebruikt kan worden voor het bewijs, nu die verklaring - blijkens hetgeen hierna bij de bespreking van het bewijs terzake het witwassen van het geldbedrag van € 90.000,00 - naar zijn inhoud bezien niet op zichzelf staat en voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal, waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij het witwassen van dit bedrag blijkt. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

5 2. Bespreking van in hoger beroep gevoerde bewijsverweren

5.2.1.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde gewoontewitwassen. Daartoe is door hem – in de kern en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

De contante geldstortingen en de onder de verdachte aangetroffen contante geldbedragen van € 23.000,00 en € 1.655,00 kunnen niet in verband worden gebracht met enig concreet gepleegd strafbaar feit. Het openbaar ministerie heeft evenmin aangetoond dat het onder de gegeven omstandigheden, zoals die uit de inhoud van het dossier blijken, niet anders kan dan dat de geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn. De verdachte heeft ten aanzien van de herkomst van het geld een concrete, verifieerbare en niet op voorhand volstrekt onaannemelijke verklaring afgelegd. Het Openbaar Ministerie heeft verzuimd om nader onderzoek te verrichten naar de mogelijke alternatieve herkomst van het geld. Derhalve kan niet met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat de geldbedragen een legale herkomst hebben en dient de verdachte te worden vrijgesproken van de hem verweten gedragingen, aldus de raadsman.

De inhoud van het voorhanden zijnde materiaal is voorts niet toereikend voor een bewezenverklaring van medeplegen van witwassen van een bedrag van € 90.000,00. De verdachte verkeerde in de veronderstelling dat zijn ontmoeting met [medeverdachte 2] op 9 september 2011 betrekking had op zijn handel in mobiele telefoons. De verdachte kende [medeverdachte 1] niet en was evenmin op de hoogte van diens plannen om via een systeem van underground banking geld te transfereren naar Marokko Verdachte heeft op 9 september 2011 geen geld in ontvangst genomen van [medeverdachte 2]. Concreet bewijs hiervoor ontbreekt in het dossier, aldus de raadsman.

5.2.2.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verweren dienen te worden verworpen. Zij heeft in haar betoog voorts gewezen op de resultaten van het onderhavige opsporingsonderzoek en dat van het opsporingsonderzoek Warnow I, dat vooraf is gegaan aan en het vertrekpunt heeft gevormd van het onderhavige onderzoek, op grond waarvan een sterk vermoeden is gerezen dat de verdachte en zijn medeverdachten op grote schaal opbrengsten uit de georganiseerde handel in verdovende middelen, waarbij onder meer de medeverdachte [medeverdachte 1] is betrokken, doelbewust aan het zicht van justitie hebben onttrokken met behulp van het bedrijf van de verdachte en/of een systeem van hawala-bankieren. Voorts is door de advocaat-generaal er in dit verband nog op gewezen dat de bedrijfsvoering van de verdachte voldoet aan de kenmerken van zogenoemde carrouselfraude.

5.2.3.

Het oordeel van het hof

Het hof verwerpt de verweren van de raadsman en overweegt dienaangaande als volgt.

Vooropgesteld wordt dat de geldbedragen waarop de verdenkingen zien niet in verband zijn te brengen met enig concreet gepleegd strafbaar feit. Uit de inhoud van het dossier noch het uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de onder de verdachte aangetroffen gelden van door een of meer medeverdachten gepleegde strafbare feiten met betrekking tot softdrugs, dan wel anderszins uit de georganiseerde handel in softdrugs afkomstig zouden zijn. Evenmin is daaruit gebleken dat sprake is van carrouselfraude. Dat, zoals de advocaat-generaal heeft gesteld, terzake (ernstige) vermoedens zouden bestaan is op zichzelf onvoldoende om tot bewezenverklaring van het bestanddeel ‘uit misdrijf afkomstig’ te kunnen komen. Voor zover de advocaat-generaal heeft bedoeld te betogen dat het aangetroffen geldbedrag opbrengsten uit de handel in verdovende middelen dan wel uit carrouselfraude betreft gaat het hof hieraan dan ook voorbij.

Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan, in een geval zoals dat zich hier voordoet, witwassen bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat - zoals door de advocaat-generaal is gerekwireerd - het geld uit enig misdrijf afkomstig is.

De toetsing door de zittingsrechter dient daarbij de volgende stappen te doorlopen.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulk een geval zich voordoet mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Een dergelijke verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Tegen de achtergrond van dit kader wordt het navolgende overwogen en opgemerkt.

Ten aanzien van de verdenking van witwassen van € 5.030.092,00

De verdachte heeft in de periode augustus 2008 - september 2011 met grote regelmaat grote sommen contant geld op zijn privérekeningen en zakelijke rekening ([bedrijf 1]) gestort of laten storten. In totaal gaat het om een bedrag van € 5.030.092,00 in een periode van ruim 3 jaar, waarvan het overgrote deel, te weten ruim 4,2 miljoen euro in de periode van januari tot en met september 2011. De administratie van [bedrijf 1], het bedrijf van de verdachte, behelst geen deugdelijke verantwoording van deze stortingen. Zo ontbreekt een kasadministratie van na 2009. Evenmin kunnen in de administratie opgenomen facturen zonder meer in verband worden gebracht met de bedragen die op de rekeningen van de verdachte werden gestort. Het hof is gelet hierop van oordeel dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen.

Gelet hierop mag van de verdachte verwacht worden dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring aflegt over de herkomst van de door en/of namens hem gestorte contante geldbedragen.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaringen afgelegd over de herkomst van de contante stortingen. Die verklaringen komen – in de kern en zakelijk weergegeven – hierop neer dat:

  • -

    hij een bedrijf heeft dat in mobiele telefoons handelt, te weten [bedrijf 1], en dat de gestorte bedragen afkomstig zijn uit de verkoop van mobiele telefoons;

  • -

    de bedrijven [bedrijf 2] uit Kameroen, [bedrijf 3] uit Servië en [bedrijf 4] uit Marokko zijn grootste afnemers zijn;

  • -

    de bedrijven [bedrijf 2] en [bedrijf 3] met grote regelmaat mensen naar zijn bedrijf stuurden om gekochte telefoons op te halen en om contant af te rekenen;

  • -

    hij niet over persoonsgegevens van deze mensen beschikt;

  • -

    het overgrote deel van zijn verkopen contant werden voldaan;

  • -

    zijn contactpersoon bij [bedrijf 2] is genaamd ‘[naam 1]’ en die bij [bedrijf 3] ‘[naam 2]’;

  • -

    hij het geld dat hij contant ontving op zijn bankrekeningen liet storten door zijn vrouw, maar dat hij dit soms ook zelf deed;

  • -

    dat hij de betreffende bedragen meestal niet direct op zijn bankrekening stortte;

  • -

    het regelmatig voorkwam dat een deel van het ontvangen geld direct werd aangewend voor de inkoop van nieuwe partijen telefoons;

Het hof is van oordeel dat de verdachte aldus geen concrete gegevens heeft verstrekt omtrent de herkomst van de door hem gestorte gelden. In het bijzonder heeft hij geen concrete gegevens verstrekt omtrent de personen die hem het geld brachten, noch omtrent zijn contactpersonen. Evenmin heeft hij nadere gegevens verstrekt omtrent de bedrijven waarmee hij zaken deed. Zijn verklaring is daardoor niet verifieerbaar. Dit geldt temeer nu uit onderzoek is gebleken dat de bedrijven [bedrijf 2] en [bedrijf 4] niet voorkomen in de internationale bedrijvendatabases Lexis Nexis en Dun & Brad Street. Hiermee ter terechtzitting geconfronteerd heeft de verdachte slechts verklaard dat die informatie niet kan kloppen. Het hof leidt hieruit af dat bepaald onzeker is of deze bedrijven werkelijk bestaan.

De verdachte heeft evenmin een bevredigende verklaring weten te geven voor het grote verschil tussen de omzet zoals die uit de in zijn administratie aangetroffen facturen blijkt en de omvang van de contante stortingen en girale overboekingen tezamen. Evenmin heeft hij naar het oordeel van het hof afdoende verklaard waarom geen van de in de administratie aangetroffen facturen kan worden herleid tot een specifieke contante storting.

De vermeende verkopen van mobiele telefoons en de daarmee samenhangende geldstromen zijn voorts niet nader onderbouwd of geconcretiseerd door middel van aanvullende stukken. Het hof stelt voorts vast dat een kasadministratie ook in hoger beroep niet is overgelegd. De verdachte heeft in dit verband ter terechtzitting in hoger beroep nog aangevoerd dat zijn kasadministratie over de jaren 2009-2011 terug te vinden zou zijn op één van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geheugenkaarten. Het hof hecht hieraan echter geen geloof nu deze bewering niet nader is onderbouwd en de verdachte dit niet eerder heeft verklaard, terwijl daarvoor ruimschoots de gelegenheid heeft bestaan.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verklaring die de verdachte heeft afgelegd niet voldoet aan de vereisten dat deze concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk moet zijn.

Bij deze stand van zaken hoeft van het openbaar ministerie niet te worden verwacht dat het nader onderzoek doet naar de, door de verdachte gestelde, alternatieve herkomst van het geld.

Alles afwegende, mede bezien in het licht van de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot een vermoeden van witwassen, komt het hof dan ook tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat (een groot deel van) de contante geldstortingen - middellijk of onmiddellijk - van enig misdrijf afkomstig waren en dat de verdachte hiervan ook op de hoogte was.

Evenals de rechtbank acht het hof het niet uitgesloten dat een (beperkt) deel van de contante stortingen op de rekeningen van de verdachte daadwerkelijk ziet op de legale handel in mobiele telefoons. Dit doet echter niet af aan het oordeel dat ten aanzien van het gehele tenlastegelegde bedrag sprake is van witwassen, nu uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat, wanneer van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn vermengd met vermogensbestanddelen uit legale activiteiten, het aldus vermengde vermogen kan worden aangemerkt als uit misdrijf afkomstig.

ten aanzien van de verdenking van witwassen van € 90.000,00

Uit de inhoud van de door de medeverdachte [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] gevoerde gesprekken en de daarop door [medeverdachte 1] gegeven toelichting ter terechtzitting in eerste aanleg volgt dat [medeverdachte 1] in overleg met [betrokkene 1] en met behulp van zijn neef [neef medeverdachte 1] een bedrag van € 90.000,00 heeft overgedragen aan een persoon die hij ‘de Joegoslaaf’ noemt en die gebruik maakt van een telefoonnummer waarin de cijfercombinatie ‘[telefoonnummer]’ voorkomt. Uit de inhoud van de gesprekken vloeit voorts voor dat [betrokkene 1] - nadat het geld hier in Nederland zou zijn overgedragen aan de juiste persoon – het equivalent daarvan in Dirhams zou uitkeren aan een persoon in Marokko. De verdachte, in Joegoslavië geboren, heeft verklaard dat hij gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer]. Uit de inhoud van de afgeluisterde telefoongesprekken volgt voorts dat [neef medeverdachte 1] op 9 september 2011 een ontmoeting in Amsterdam heeft geregeld met de gebruiker van dit telefoonnummer dat het ook daadwerkelijk tot een ontmoeting is gekomen. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt voorts dat [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] na deze ontmoeting een gesprek met elkaar hebben gevoerd en waarin [medeverdachte 1] aan [betrokkene 1] bevestigt dat hij ‘die Joegoslaaf’ ‘90’ heeft gegeven. Op grond van deze feiten, in onderling verband en samenhang bezien acht het hof – anders dan door de verdediging is betoogd – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte € 90.000,00 overgedragen heeft gekregen en dit bedrag voorhanden heeft gehad.

Gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, is het hof van oordeel dat met betrekking tot dit geld zonder meer sprake is van een witwasvermoeden.

Gezien het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, mag van de verdachte verwacht worden dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring aflegt omtrent de herkomst van het geld.

Die verklaring is door de verdachte, die steeds heeft verklaard dat de afspraak niet is doorgegaan en dat hij geen geld overgedragen heeft gekregen, niet gegeven. Dat de betreffende afspraak zag op de verkoop van een telefoon acht het hof onaannemelijk, nu dit niet uit de inhoud van de telefoongesprekken blijkt en dit geen steun vindt in de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1].

Bij deze stand van zaken hoeft van het openbaar ministerie niet te worden verwacht dat het nader onderzoek doet naar de, door de verdachte gestelde, alternatieve herkomst van het geld.

Alles afwegende, mede bezien in het licht van de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot een vermoeden van witwassen, komt het hof dan ook tot de conclusie dat het betreffende bedrag van € 90.000 - middellijk of onmiddellijk - van enig misdrijf afkomstig was, alsmede dat de verdachte hiervan op de hoogte was.

ten aanzien van de verdenking van witwassen van € 23.000,00 en € 1.655,00

Het hof is van oordeel dat gelet op de omvang van het onder de verdachte aangetroffen contante geldbedrag en de wijze waarop hij dit heeft vervoerd, mede gelet op hetgeen het hof hiervoor omtrent de overige bewezen geachte gevallen van witwassen heeft vastgesteld en overwogen, zonder meer sprake is van een witwasvermoeden.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, mag van de verdachte verwacht worden dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring aflegt over de herkomst van het bij hem aangetroffen geld.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het geld afkomstig is uit de verkoop van mobiele telefoons aan het bedrijf [bedrijf 5] te Amsterdam Zuid.

Daarnaar gevraagd door achtereenvolgens de politie, de rechtbank en het hof heeft de verdachte geen gegevens verstrekt omtrent de persoon aan wie hij de telefoons zou hebben verkocht, aan de hand waarvan zijn stelling zou kunnen worden geverifieerd

De directeur en eigenaar van [bedrijf 5], de heer [getuige], heeft verklaard dat zijn bedrijf niet in telefoons handelt en dat hij geen partij telefoons van de verdachte heeft gekocht.1 Uit de inhoud van het dossier volgt voorts dat de directeur van [bedrijf 5] op verzoek van verbalisanten een uitdraai uit zijn bedrijfsadministratie van 3 oktober 2011 aan hen heeft overhandigd en dat daarin niet is gebleken van een bedrijfshandeling die in verband kan worden gebracht met de verkoop van telefoons door de verdachte.2 Het hof overweegt ten slotte dat de verdachte geen verkoopfactuur heeft weten te overleggen waaruit de verkoop van de telefoons blijkt.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verklaring die de verdachte heeft afgelegd niet voldoet aan de vereisten dat deze concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk moet zijn. Dat de verdachte gelet op de gegevens uit zijn navigatiesysteem en zendmastgegevens die dag hoogstwaarschijnlijk bij of in de buurt van Vincom is geweest en daar mogelijk iemand heeft ontmoet, maakt dit oordeel niet anders. Uit dat enkele feit volgt immers zonder meer niet dat zijn verklaring met betrekking tot de verkoop van telefoons juist is.

Bij deze stand van zaken hoeft van het openbaar ministerie niet te worden verwacht dat het nader onderzoek doet naar de, door de verdachte gestelde, alternatieve herkomst van het geld.

Alles afwegende, mede bezien in het licht van de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot een vermoeden van witwassen, komt het hof dan ook tot de conclusie dat het onder de verdachte aangetroffen geld - middellijk of onmiddellijk - van enig misdrijf afkomstig was en dat de verdachte hiervan ook op de hoogte was.

Het hof overweegt ten slotte dat het er, gelet op hetgeen met betrekking tot feit 1, sub 1 is gebleken, van uitgaat dat de betreffende bedragen niet afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf gepleegd misdrijf of door hem zelf gepleegde misdrijven.

5.3.

De bewijsmiddelen

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

Ten aanzien van het witwassen van een contant geldbedrag van € 5.030.092,-:

1. Een geschrift, te weten een kopie van het proces-verbaal van bevindingen van 7 september 2012 met nummer 30087323, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar UMN17-141 (eerste aanvulling Warnow II, bijlage 003, doorgenummerde dossierpagina’s 1-13). Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisant:

In aanvulling op eerdere processen-verbaal met betrekking tot de administratie van de van [verdachte] handelend onder de naam [bedrijf 1] worden onderstaande bevindingen geverbaliseerd.

(…)

1. Kasadminstratie

Zoals eerder geverbaliseerd heeft [boekhouder verdachte], de boekhouder van [verdachte], onder meer een digitale versie van het Kasboek 2009 met betrekking tot [bedrijf 1] uitgeleverd. Een versie van dit digitale kasboek is ook aangetroffen op de USB-stick die [verdachte] tijdens zijn aanhouding onder zich had. Het kasboek is bijgewerkt tot 12 augustus 2009.

2. Administratie [bedrijf 1] per kalenderjaar

Hieronder wordt een analyse van de administratie van [bedrijf 1] per kalenderjaar weergegeven. De administratie die hierbij betrokken is, zijn de drie ordners met in- en verkoopfacturen en digitale bestanden die bij de boekhouder in beslag zijn genomen, de door de banken op vordering uitgeleverde bankafschriften en de digitale versies van de verkoopfacturen zoals deze zijn aangetroffen op de onder [verdachte] in beslag genomen USB-Stick.

Uit de analyse volgt onder meer dat de verdachte in de periode 2008-2011 regelmatig contante stortingen heeft verricht op zijn privé- en zakelijke bankrekeningen.

2.1.

Administratie over 2008

Totale omzet 2008 volgens facturen € 9.621,87

Stortingen op eigen bankrekeningen in 2008

(waarvan € 1.200,- op bankrekening t.n.v. [verdachte]) € 62.615,00

De verkoopfacturen over 2008 vermelden geen geadresseerde. Hierdoor is niet na te gaan of en aan wie deze leveringen hebben plaatsgevonden.

2.2.

Administratie over 2009

Totale omzet 2009 volgens facturen: € 786.284,80

Omzet met betrekking tot [bedrijf 3] € 157.845,80

Omzet met betrekking tot [bedrijf 4] € 492.070,00

Omzet met betrekking tot Al Yafeie € 135.000,00

Omzet met betrekking tot overige debiteuren € 1.369,00

Stortingen op eigen bankrekening € 126.120,00

Girale omzet € 48.407,81

Alle facturen aan [bedrijf 4] zijn volgens de kasadministratie contant voldaan. Hierdoor

biedt dit ook geen aanknopingspunt naar het bestaan van deze onderneming. De contante

stortingen die [verdachte] doet op zijn privé- en zakelijke-bankrekening bieden ook geen

aanknopingspunt naar de factuurbedragen zoals deze staan vermeld op de facturen gericht

aan NOTAS San;

2.3

Administratie over 2010

Totale omzet 2010 volgens facturen € 1.689.852,50

Omzet met betrekking tot [bedrijf 3] € 1.238.237,25

Omzet met betrekking tot overige debiteuren € 451.615,25

Stortingen op eigen bankrekening € 557.190,00

Girale omzet € 380.363,81

De totale omzet van [bedrijf 1] bedraagt in 2010 bijna 1,7 miljoen euro, terwijl de contante stortingen en de girale omzet gezamenlijk nog geen 1 miljoen euro bedraagt. Het verschil tussen ontvangsten en omzet/ stortingen van ruim € 750.000 wordt vanuit de administratie niet duidelijk.

2.4.

Administratie over 2011

Totale omzet 1 januari 2011 tot en met 30 juni 2011 volgens facturen € 4.761.225,44

Omzet met betrekking tot [bedrijf 2] € 4. 653.183.30

Omzet met betrekking tot [bedrijf 4] € 70.240,00

Omzet met betrekking tot overige debiteuren € 37.802, 14

Stortingen op eigen bankrekening tot 30 juni 2011 € 2.698.367,00

Stortingen op eigen bankrekening tot september 2011 € 4.284.16700 (het hof begrijpt: vanaf 1 januari)

Met betrekking tot de administratie over 2011 tot 30 juni 2011 wordt onder meer opgemerkt dat [verdachte] volgens zijn administratie in deze periode ruim € 4,7 miljoen ontvangt van [bedrijf 4] en [bedrijf 2]. Deze omzet zou dan (het hof begrijpt: volgens de verklaring van de verdachte) contant aan [verdachte] zijn voldaan. Opmerkelijk is dat [verdachte] in dezelfde periode bijna € 2,7 miljoen op zijn bankrekeningen stort. De contante stortingen zijn niet te herleiden naar omzet die volgens de facturen in de administratie is gegenereerd. Voor het verschil van € 2 miljoen tussen omzet en contante stortingen (het hof begrijpt: tot 30 juni 2011) is geen verklaring in de administratie van [bedrijf 1] te vinden.

2. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 11 april 2014. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik ben eigenaar van het bedrijf [bedrijf 1]. Het klopt dat ik in de periode augustus 2008 - oktober 2011 met grote regelmaat grote sommen contant geld voorhanden heb gehad. Ik nam dit geld in ontvangst van personen die mij slechts bij hun voornaam bekend waren. Ik beschik niet over nadere gegevens van deze personen. Ik liet mijn vrouw dit geld op mijn zakelijke en/of mijn privérekeningen storten. Zelf stortte ik ook wel eens geld op één van de rekeningen. Ik betwist de totale omvang van de contante stortingen niet.

Ten aanzien van het witwassen van een contant geldbedrag van € 90.000,-

3. Een geschrift, te weten een kopie van het proces-verbaal van verhoor verdachte van 10 oktober 2011 met nummer 29842589, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren UMN17-105 en UMN17-141 (zaaksdossier B21, doorgenummerde dossierpagina’s 17-33). Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 10 oktober 2011 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte:

Jullie hebben twee telefoons van mij. De ene telefoon betreft een Dell, de andere telefoon een HTC Chacha. Bij de HTC hoort het telefoonnummer [telefoonnummer].

4. Een (extract) proces-verbaal van de terechtzitting met parketnummer 15-973009-11 van 19 november 2012 in de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] (ter terechtzitting in hoger beroep gevoegd in de onderhavige strafzaak). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op de terechtzitting in zijn eigen zaak afgelegde verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1]:

U houdt mij het tapgesprek op dossierpagina B14-0053 voor. Ik herinner mij dat gesprek. Met 100 Dirham wordt in dit gesprek 1.000.000 Dirham bedoeld. [naam 3] betekent boter. Zodra iemand zich bij [betrokkene 1] meldt dan zegt deze persoon: Ik kom 1.000.000 ophalen vanuit Nederland. Vanuit [naam 3] betekent dus: vanuit Nederland. Het geld dat ik moest overhandigen kreeg ik van [naam 3] in de buurt van de coffeeshop. Dan geef ik het aan [neef medeverdachte 1] (het hof begrijpt: de medeverdachte [neef medeverdachte 1]). [neef medeverdachte 1] geeft het vervolgens aan de persoon af. Er zat één dag tussen. Dat geld heeft bij [neef medeverdachte 1] thuis gelegen. U houdt mij het tapgesprek op dossierpagina B14-0061 (het hof begrijpt: het tapgesprek in bewijsmiddel 12 voor. Het klopt dat ik het over een Joegoslaaf heb.

5. Een geschrift, te weten de schriftelijke weergave van een afgeluisterd telefoongesprek van 8 september 2011 (zaaksdossier B14, doorgenummerde dossierpagina 51). Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

8 september 2011 om 18:26 uur, NNman1 (het hof begrijpt hier en verder: de medeverdachte [medeverdachte 1]) belt uit naar NNman2 (het hof begrijpt hier en verder: [betrokkene 1]):

(…)

[medeverdachte 1]: Ik ga morgen die persoon bellen en ik ga die naar je toe sturen. We gaan hem

een negentig geven.. ..we gaan hem morgen wat overhandigen...en zaterdag

of zondag word je door iemand gebeld en die gaat zich aan jou voorstellen met:

“Ik kom namens “[naam 3]”. En je gaat hem een honderd geven. Een honderd Dirham!

[betrokkene 1]: Oke, is goed. Is goed, met behulp van Allah.

[medeverdachte 1]: Ik ga hem morgen hier een negentig geven en jij moet maar noteren wat er overblijft. Jij moet maar kijken wat overblijft en we rekenen later met elkaar af, als het goed is. Afgesproken?

[betrokkene 1]: Ja, is goed. Bel mij, bel mij.

[medeverdachte 1]: Ja, is goed. Moet ik dat nummer [telefoonnummer] bellen toch?

[betrokkene 1]: Wat zegt je?

[medeverdachte 1]: Ik zei tegen je!!! Moet ik het nummer [telefoonnummer] bellen toch?

[betrokkene 1]: Euhhh....ja, is goed. Bel hem.

[medeverdachte 1]: Ja, moet ik dat nummer bellen of moet ik een ander nummer bellen.

[betrokkene 1]: Bel die ene die daar bij je is, dat is veel beter, bel hem maar.

[medeverdachte 1]: Oke, is goed. Is goed.

[betrokkene 1]: Oke, is goed.

6. Een geschrift, te weten de schriftelijke weergave van een afgeluisterd telefoongesprek van 9 september 2011 (zaaksdossier B14, doorgenummerde dossierpagina 52). Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

9 september 2011 om 13:52 uur, NNman8417 (het hof begrijpt hier en verder: de medeverdachte [neef medeverdachte 1]) belt uit naar NNman1888 (het hof begrijpt hier en verder: de verdachte [verdachte]):

[medeverdachte 2]: Ik ben die jongen van Amsterdam, ha?

[verdachte]: Sorry?

[medeverdachte 2]: Ik ben die jongen van Amsterdam.

[verdachte]: Ik hoor je niet.

[medeverdachte 2]: Die jongen, die je laatst, laatst zag in Amsterdam.

[verdachte]: Ja.

[medeverdachte 2]: Ja, weet je nog? Met die buitenlandse telefoon.

[verdachte]: Jajajaja weet ik, weet ik.

[medeverdachte 2]: Ehm, kun je vanavond komen?

[verdachte]: Vanavond? Ehh denk ik wel ja, denk ik wel.

[medeverdachte 2]: Ja? Doe maar kijk maar vanavond laat. Vanavond negen uur, tien uur.

[verdachte]: Oo, rond misschien rond negen uur.

[medeverdachte 2]: Rond negen uur?

[verdachte]: Ja rond negen uur.

[medeverdachte 2]: Is goed. Moet ik adres sms-en?

[verdachte]: Ja doe maar, doe maar, doe maar.

[medeverdachte 2]: Ik ga je nu adres sms-en, om 9 uur moet je gewoon hier zijn.

[verdachte]: Okay, is goed.

7. Een geschrift, te weten de schriftelijke weergave van een afgeluisterd telefoongesprek van 9 september 2011 (zaaksdossier B14, doorgenummerde dossierpagina 53). Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

9 september 2011 om 16.36 uur, NNman1 (het hof begrijpt hier en verder: de medeverdachte [medeverdachte 1]) belt uit naar NNman2 (het hof begrijpt hier en verder: [betrokkene 1]):

[medeverdachte 1] zegt: ‘[betrokkene 1], wat ik je wilde zeggen, ik heb voor vanmiddag met die

ene persoon afgesproken en moet ik tegen hem zeggen: ‘Namens [naam 3] toch??’.

[betrokkene 1] zegt dat het goed is.

[medeverdachte 1] zegt: “Oke, is goed, ik ga vanmiddag bij hem langs en morgen gaat een

persoon jou bellen en tegen jou zeggen: “Ik kom namens, “[naam 3]” en 100 dirham en je moet hem vervolgens 100 dirham geven”.

[betrokkene 1] zegt dat het goed is en dat het goed komt.

8. Een geschrift, te weten de schriftelijke weergave van een afgeluisterd telefoongesprek van 9 september 2011 (zaaksdossier B14, doorgenummerde dossierpagina 54). Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

9 september 2011 om 17:48 uur, NNman8417 (het hof begrijpt hier en verder: de medeverdachte [neef medeverdachte 1]) wordt gebeld door NNman1888 (het hof begrijpt hier en verder: de verdachte [verdachte]):

(…)

[verdachte]: Ga je me nog een SMS sturen, of?

[medeverdachte 2]: Ik heb je een SMS gestuurd.

[verdachte]: Dat heb ik niet gekregen, hè.

[medeverdachte 2]: Hè.

[verdachte]: Dat heb ik niet gekregen.

[medeverdachte 2]: Niet gekregen? Weet je nog waar ik was gister?

[verdachte]: Nou beter, beter, dan doe ik gewoon in de navigatie, beter stuur een SMS.

[medeverdachte 2]: Ik stuur een SMS. Hoe laat ben je hier ongeveer.

[verdachte]: Rond acht(8) uur, misschien een kwartiertje over acht(8).

[medeverdachte 2] : Oké is goed ik wacht op je.

9. Een geschrift, te weten de schriftelijke weergave van een sms-bericht van 9 september 2011 (zaaksdossier B14, doorgenummerde dossierpagina 55). Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

9 september 2011, 17:50 uur, de verdachte ontvangt een sms van [neef medeverdachte 1]::

[adres 2].’

10. Een geschrift, te weten de schriftelijke weergave van een sms-bericht van 9 september 2011 (zaaksdossier B14, doorgenummerde dossierpagina 57). Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

9 september 2011 om 19.58 uur, NNman8417 (het hof begrijpt hier en verder: de medeverdachte [neef medeverdachte 1]) belt uit naar NNman1888 (het hof begrijpt hier en verder: de verdachte [verdachte]):

[neef medeverdachte 1] vraagt of [verdachte] er bijna is. [verdachte] zegt nog 20 minuten.

11. Een geschrift, te weten de schriftelijke weergave van een sms-bericht van 9 september 2011 (zaaksdossier B14, doorgenummerde dossierpagina 58). Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

9 september 2011 om 20.22 uur, NNman8417 (het hof begrijpt hier en verder: de medeverdachte [neef medeverdachte 1]) wordt gebeld door NNman1888 (het hof begrijpt hier en verder: de verdachte [verdachte]):

[verdachte]: Ja broer, ik ben daar hè

[neef medeverdachte 1]: Oké, één minuut.

12. Een geschrift, te weten de schriftelijke weergave van een afgeluisterd telefoongesprek van 9 september 2011 (bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen van 4 april 2014, opgemaakt door de bevoegde verbalisant [verbalisant], los ingevoegd). Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

9 september 2011 om 22:56 uur, NNman 1 (het hof begrijpt hier en verder: de medeverdachte [medeverdachte 1]) belt uit naar NNman2 (het hof begrijpt hier en verder: [betrokkene 1]):

(…)

[medeverdachte 1]: Ben jij degene geweest die mij een boodschap heeft gestuurd?

[betrokkene 1]: Ja, ik heb je een boodschap gestuurd om je door te geven dat je het aan die jongen moet geven (…)

[medeverdachte 1]: Ik heb het aan zijn vriend die hem vergezelt, die Joegoslaaf (het hof begrijpt: de verdachte) gegeven.

[betrokkene 1]: Hoeveel?

[medeverdachte 1]: 90.

[betrokkene 1]: Hoeveel heb je hem gegeven?

[medeverdachte 1]: 90 ja.

[betrokkene 1]: Ok.

(…)

[betrokkene 1]: Hoeveel moet ik hem geven?

[medeverdachte 1]: Geef hem 100 alsjeblieft. We gaan kijken hoeveel daar is zodat we alles gaan afrekenen.

(…)

[medeverdachte 1]: Neem de tijd, doe rustig aan. Die man gaat jou morgen bellen, hij gaat zeggen: het is van de kant van “[naam 3]”. Hij gaat jou 100 Dirham vragen, geef het hem.

[betrokkene 1]: Oke, is goed.

[medeverdachte 1]: Ik heb hem 90 gegeven.

(…)

Ten aanzien van het witwassen van een contant geldbedrag van € 23.000,- en € 1.655,-

13. Een geschrift, te weten een kopie van het proces-verbaal van aanhouding buiten heterdaad van 3 oktober 2011 met nummer 29842589, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren UMN17-99 en UMN17-104 (persoonsdossier C35, doorgenummerde dossierpagina’s 05-06). Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisanten:

Op 3 oktober 2011 hielden wij op de rijksweg A4 te Leiden, als verdachte van witwassen aan: [verdachte], geboren op 14 december 1966 te Tuzla (Joegoslavië). De verdachte reed op dat moment in Mercedes-Benz type Vito met kenteken [kenteken]. De verdachte werd tijdens zijn aanhouding aan zijn kleding onderzocht. Daarbij werd een bedrag van € 1655,- aangetroffen.

14. Een geschrift, te weten een kopie van het proces-verbaal van bevindingen aantreffen geld 6 oktober 2011 met nummer 29844568, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren UMN17-99, UMN17-104 en UMN17-104 (zaaksdossier B21, doorgenummerde dossierpagina’s 13-17). Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisanten:

Op 3 oktober 2011 hielden wij de verdachte [verdachte] aan in zijn auto. Wij zagen dat op de vloer voor de passagiersstoel een plastic tas stond met het opdruk van T-mobile. In de tas bevond zich een tweede plastic tas met het opschrift van GT Mobile. In deze tas troffen wij vier stapeltjes bankbiljetten van € 20,00 en € 10,00 aan. Wij, verbalisanten UMN 17-144 en UMN17-104, hebben het geld geteld. In de tas bleek € 23.000,- aan contant geld te zitten.

5.4

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op tijdstippen in de periode van 1 augustus 2008 tot en met 4 oktober 2011 in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) omstreeks de navolgende tijdstippen telkens hierna te noemen geldbedragen verworven en voorhanden gehad en/of overgedragen, te weten:

l. een aantal contante geldbedragen van ongeveer in totaal 5.030.092 euro in de periode van 1 augustus 2008 tot en met 4 oktober 2011 en

2. een contant geldbedrag van ongeveer 90.000 euro (op 9 september 2011) en

4. een contant geldbedrag van ongeveer 23.000 euro (op 3 oktober 2011),

6. een contant geldbedrag van ongeveer 1.655 euro (op 03 oktober 2011),

zulks terwijl hij, verdachte en zijn mededader(s) telkens wisten dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

6 Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat onaannemelijk is dat de betreffende gelden afkomstig zijn van een of meer door de verdachte zelf begaan misdrijf of misdrijven.

het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

van het medeplegen van witwassen een gewoonte maken.

7 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

8 Oplegging van straffen en maatregel

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte vrijgesproken van het (gewoonte)witwassen van de geldbedragen van € 10.000 en € 1.800,-. De rechtbank heeft de verdachte ter zake van de overige tenlastegelegde gevallen van medeplegen van gewoontewitwassen en ter zake van het onder 2 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft voorts een aantal onder de verdachte in beslag genomen voorwerpen verbeurd verklaard en onttrokken aan het verkeer. Ook heeft de rechtbank ten aanzien van een aantal voorwerpen de teruggave daarvan gelast aan de verdachte.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna drie jaren schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen van aanzienlijke contante geldbedragen. De verdachte heeft daarbij onder meer zijn telefoonbedrijf als dekmantel gebruikt. Door aldus te handelen heeft de verdachte eraan meegewerkt dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie werden onttrokken. Witwassen kan de integriteit van het financiële en economische verkeer in ernstige mate aantasten. De ervaring leert bovendien dat witwassen dikwijls gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit. De hoeveelheid witgewassen geld waar het in het onderhavige geval om is gegaan, was zodanig dat die bedreiging ook in de onderhavige zaak reëel moet worden genoemd. De ernst van de onderhavige misdrijven wordt bovendien gekleurd door het daaraan verbonden grensoverschrijdende aspect. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij zich ten tijde van zijn handelen hiervan kennelijk geen rekenschap heeft gegeven en zich mede heeft laten leiden door eigen belang in de vorm van de zucht naar financieel gewin. Gelet op het voorgaande ligt een gevangenisstraf van aanzienlijke duur in de rede.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 26 maart 2014 is de verdachte niet eerder onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 42 maanden passend en geboden. De op te leggen straf is lager dan die door de advocaat-generaal is geëist, hetgeen zich laat verklaren doordat het hof ter zake van het gewoontewitwassen minder gevallen bewezen acht dan de advocaat-generaal en doordat het hof de verdachte vrijspreekt van het onder 2 tenlastegelegde.

Overwegingen met betrekking tot het beslag

Geldbedrag van € 23.000,00

Het onder 1 bewezen verklaarde is onder meer met betrekking tot het in beslag genomen geldbedrag van € 23.000,00 begaan. Dit geld behoort de verdachte toe en zal daarom worden verbeurd verklaard.

Geldbedrag van € 44.275,24

Niet is gebleken dat de onder de verdachte in beslag genomen telefoons, die bij verkoop dit geldbedrag hebben opgebracht, voorwerpen zijn die ingevolgde de wet voor verbeurdverklaring vatbaar zijn. Het hof zal de teruggave van dit bedrag aan de verdachte gelasten.

Stortingsbewijzen en bankbescheiden

De onder de verdachte inbeslaggenomen en niet teruggeven zak met stortingsbewijzen, diverse andere stortingsbewijzen en drie ordners met bankbescheiden dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 1 bewezen verklaarde feit met behulp van die voorwerpen, die aan de verdachte toebehoren, is begaan of voorbereid, dan wel dat deze voorwerpen tot het begaan van het onder 1 bewezen verklaarde feit zijn vervaardigd of bestemd.

Drugspers, drugspersmal en versnijdingspoeder

Het hof stelt met betrekking tot de hierna te noemen, onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen vast dat zowel de aard als het ongecontroleerd bezit daarvan zich niet althans niet zonder meer verdraagt met de teruggave daarvan aan de rechthebbende. Echter, in het bestek van de ter berechting voorliggende strafzaak en de in die zaak ten laste gelegde feiten is het voor het hof, gelet op de wettelijke regeling van de bijkomende straf van verbeurdverklaring c.q. de maatregel van onttrekking aan het verkeer niet mogelijk om te beslissen tot oplegging van die straf c.q. maatregel, zodat de daartoe strekkende vordering dient te worden afgewezen. Bij die stand van zaken rest het hof geen andere beslissing dan te bepalen dat deze voorwerpen dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende. Daarbij betrekt het hof dat de verdachte heeft verklaard dat deze voorwerpen niet van hem zijn, maar toebehoren aan een persoon genaamd [naam 4].

Overige in beslaggenomen voorwerpen

Met betrekking tot de overige in beslag genomen voorwerpen overweegt het hof dat die voorwerpen terug dienen te worden gegeven aan de verdachte, nu niet is gebleken dat deze voorwerpen in verband kunnen worden gebracht met het bewezen verklaarde feit.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 47 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een geldbedrag van € 23.000,- (beslagnummer 61);

- drie ordners met administratie/bankbescheiden (beslagnummer 37);

- een zak met stortingsbewijzen (beslagnummer 38);

- diverse stortingsbewijzen (beslagnummers 54 en 55).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een drugspers (beslagnummer 52);

- een drugspersmal (beslagnummer 53);

- een zak versnijdingspoeder (beslagnummer 27).

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een geldbedrag van € 1.800,- (beslagnummer 1);

- een geldbedrag van € 265,- (beslagnummer 2);

- een geldbedrag van € 10.000,- (beslagnummer 60);

- een bestelauto Mercedes Vito [kenteken] (beslagnummer 3);

- autopapieren Mercedes Vito [kenteken] (beslagnummer 4);

- autosleutels Mercedes Vito [kenteken] (beslagnummer 5);

- diverse Gsm-toestellen (beslagnummers 6 t/m 16, 18, 19, 42, 43 en 47);

- twee simkaarten (beslagnummers 21 en 24);

- twee simkaarthouders (beslagnummers 22 en 23);

- een laptop (beslagnummer 28);

- een stempel (beslagnummer 29);

- twaalf horloges (beslagnummer 30);

- drie harde schijven (beslagnummers 31, 34 en 46);

- een iPod (beslagnummer 32);

- drie geheugenkaarten (beslagnummers 17, 20 en 33);

- een visitekaartje (beslagnummer 35);

- een brief (beslagnummer 36);

- een stapel visitekaartjes (beslagnummer 39);

- een telefoondoosje (beslagnummer 40);

- een geprinte e-mail (beslagnummer 41);

- een stuk papier (beslagnummer 44);

- een mapje met visitekaartjes (beslagnummer 45);

- een factuur Arabisch (beslagnummer 48);

- twee pasfoto’s (beslagnummer 49);

- een identiteitskaart (beslagnummer 50);

- twee USB-sticks (beslagnummers 25 en 51);

- diverse bescheiden (beslagnummer 56);

- een notitieboekje (beslagnummer 57);

- een TomTom (beslagnummer 58);

- een geldbedrag van € 44.275,24 (beslagnummer 64).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E.M. Röttgering, mr. P.A.M. Hoek en mr. H.S.G. Verhoeff, in tegenwoordigheid van

mr. J.K.D. Bakker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

9 mei 2014.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...]

[...][...][...]

[...]

[...][...]

[...][...][...][...]

[...]

1 [...]

2 [...]