Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1809

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-05-2014
Datum publicatie
24-10-2014
Zaaknummer
23-000758-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betalingsverplichting wederrechtelijk verkregen voordeel exploitatie hennepkwekerij niet gematigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-000758-13

Datum uitspraak: 16 mei 2014

TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 12 februari 2013 op de vordering van het Openbaar Ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 15-680049-11 tegen de veroordeelde:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

adres: [adres].

Procesgang

Het Openbaar Ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 26.355,60, ter terechtzitting in eerste aanleg verlaagd tot een bedrag van € 10.720,48 (zijnde de helft van € 21.440,96).

De veroordeelde is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 12 februari 2013, kort gezegd, veroordeeld ter zake van het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod alsmede de diefstal in vereniging van elektriciteit, tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 12 februari 2013 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.720,48 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.

De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 mei 2014 veroordeeld ter zake van, kort gezegd, het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 mei 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 10.468,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De advocaat-generaal is hierbij, anders dan in zijn conclusie van repliek van 16 april 2014 waarin de advocaat-generaal nog uitging van 8 geslaagde oogsten, uitgegaan van in totaal vier geslaagde oogsten.

De veroordeelde heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard, dat hij in de periode van 1 november 2010 tot en met 19 augustus 2011 een hennepkwekerij van 28 planten in zijn woning heeft gehad en dat hij in deze periode tweemaal heeft geoogst. Beide oogsten samen hebben, aldus de veroordeelde, een bedrag van € 4.600,00 opgeleverd.

De raadsman heeft aan de hand van een in zijn conclusie van antwoord van 14 april 2014 en zijn pleitnota opgestelde berekening het hof verzocht het wederechtelijk verkregen voordeel, na aftrek van kosten, te schatten op een bedrag van in totaal € 3.707,76.

Het hof overweegt en beslist als volgt.

Het hof is van oordeel, dat op grond van de stukken van het dossier, alsmede op grond van het onderzoek ter terechtzitting in beide instanties, aannemelijk is geworden dat de veroordeelde door middel van of uit baten van het hiervoor genoemde feit waarvoor hij bij voornoemd arrest is veroordeeld, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het hof ontleent de schatting van dat op na te melden geldbedrag gewaardeerde voordeel aan de inhoud van de bewijsmiddelen.

Het hof zal voor wat betreft de periode waarin gekweekt is de verklaring van de veroordeelde volgen, maar acht zijn verklaring, dat in een periode van bijna 10 maanden sprake is geweest van slechts twee oogsten, niet nader onderbouwd en evenmin aannemelijk.

Gelet op de eigen verklaring van de veroordeelde dat hij in de periode van 1 november 2010 tot en met 19 augustus 2011 een hennepkwekerij heeft gehad en de omstandigheid, dat de gemiddelde kweekcyclus van een oogst doorgaans 10 weken bedraagt, zal het hof, voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, zich baseren op drie geslaagde oogsten.

De bij onderstaande berekening gebezigde gegevens die niet voortvloeien uit de verklaring van veroordeelde, ontleent het hof, voor zover niet anders vermeld, aan het rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht. Update 1 november 2010’ van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie, dan wel aan het in deze zaak opgemaakte Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 19 september 2011.

Aldus komt het hof tot de volgende berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Bruto opbrengst per oogst:

28

planten x 32,7 gram = 0,9156 kilogram

0,9156 kilogram x € 3.306,00 = € 3.026,97

In geval van drie oogsten is de totale opbrengst:

€ 9.080,92.

Kosten:

€ 450,00 (afschrijving, 3 x € 150,00)

€ 279,72 (variabel, 3 x 28 x € 3,33)

€ 420,00 (kosten stekjes, 28 x 3 x € 5,00)

€ 819,00 (energiekosten)

Totale kosten: € 1.968,72.

Wederrechtelijk verkregen voordeel:

Opbrengst minus kosten: € 9.080,92 - € 1.968,72 = € 7.112,20.

Het hof acht aannemelijk dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten ten bedrage van

€ 7.112,20.

Verplichting tot betaling aan de Staat

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht de betalingsverplichting te matigen. Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

Veroordeelde werkt in een eigen bloemenstal, maar die levert verlies op. Daarnaast heeft de veroordeelde een betalingsachterstand op zijn hypotheek, een lening bij familieleden van € 14.000,00, een starterskrediet van € 8.000,00, een persoonlijke lening van € 24.252,68 en sinds kort is daarbij gekomen de betalingsverplichting van € 15.298,61 aan het UWV, ter terugvordering van een ten onrechte ontvangen uitkering in verband met inkomsten uit hennepteelt.

Voor zover het verweer van de raadsman inhoudt dat de veroordeelde als gevolg van de genoemde schulden over onvoldoende draagkracht beschikt om aan een betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te voldoen, overweegt het hof dat uit het bestaan van genoemde schulden niet zonder meer kan worden afgeleid dat de veroordeelde thans, noch in de toekomst, in staat zal zijn aan deze verplichting te voldoen.

Aan de veroordeelde dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van afgerond € 7.112,00..

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 7.112,00. (zevenduizend honderdtwaalf euro).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 7.112,00. (zevenduizend honderdtwaalf euro).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G. Oldekamp, mr. A.P.M. van Rijn en mr. J.W.H.G. Loyson, in tegenwoordigheid van

mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

16 mei 2014.