Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1804

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-05-2014
Datum publicatie
03-10-2014
Zaaknummer
23-004224-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betalingsverplichting inzake vekregen wederrechtelijk voordeel op nihil gesteld gelet op draagkracht van veroordeelde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-004224-12

Datum uitspraak: 16 mei 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 24 september 2012 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-656323-10 tegen de veroordeelde:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947,

adres: [adres].

Procesgang

Het Openbaar Ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 22.026,24.

De veroordeelde is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 24 september 2012

-kort gezegd- veroordeeld ter zake van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B en onder C van de Opiumwet gegeven verbod tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, vervangende hechtenis voor de duur van 20 dagen, waarvan 20 uren, vervangende hechtenis voor de duur van 10 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Amsterdam een bedrag van € 22.026,24 als wederechtelijk verkregen voordeel vastgesteld en heeft bij vonnis van 24 september 2012 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 11.000,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.

De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 mei 2014 veroordeeld terzake van

-kort gezegd- opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 20 uren, met een proeftijd van twee jaren.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 mei 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de veroordeelde en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld dient te worden op € 22.026,24. De advocaat-generaal heeft zich bij de berekening aan de hand van zijn conclusie van repliek van 29 april 2014 gebaseerd op drie geslaagde oogsten. Wat de betalingsverplichting betreft vordert de advocaat-generaal dat deze, gelet op de gezondheidstoestand van de veroordeelde, gematigd dient te worden tot € 10.000.

De raadsvrouw heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van haar conclusie van antwoord van 28 april 2014 verzocht de vordering tot ontneming af te wijzen. Zij heeft hiertoe onder meer aangevoerd, dat de enige objectieve aanwijzing voor het veronderstelde bestaan van meerdere oogsten het hoge stroomverbruik is en dat er onvoldoende verband is tussen dit stroomverbruik en de vermeende oogsten. Bovendien zijn er contra indicaties voor het bestaan van wederrechtelijk verkregen voordeel, die aannemelijk maken dat de veroordeelde geen voordeel heeft genoten.

Het hof overweegt en beslist als volgt.

Het hof is van oordeel, dat op grond van de stukken van het straf- en ontnemingsdossier, alsmede op grond van het onderzoek ter terechtzitting in beide instanties, aannemelijk is geworden dat de veroordeelde door middel van of uit baten van de hiervoor genoemde feiten waarvoor hij bij voornoemd arrest is veroordeeld, alsmede door middel van of uit baten van soortgelijke feiten dan het feit waarvoor hij bij voormeld arrest is veroordeeld, te weten het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het hof ontleent de schatting van dat op na te melden geldbedrag gewaardeerde voordeel aan de inhoud van de bewijsmiddelen.

Aangezien het dossier naar het oordeel van het hof onvoldoende aanwijzingen bevat dat sprake is geweest van meerdere oogsten, zal het hof zich bij de berekening van het voordeel baseren op één geslaagde oogst van 120 planten.

De bij onderstaande berekening gebezigde gegevens die niet voortvloeien uit de verklaring van veroordeelde, ontleent het hof, voor zover niet anders vermeld, aan het rapport “Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnen teelt onder kunstlicht 1 november 2010” van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie dan wel aan het in deze zaak opgemaakte Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 3 maart 2011.

Aldus komt het hof tot de volgende berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Bruto opbrengst per oogst:

120 planten x 28,2 gram = 3,384 kilogram

3,384 kilogram x € 2.370,00 = € 8.020,08

Kosten:

€ 150,00 (afschrijving)

€ 295,20 (variabel, 120 x € 2,46)

€ 232,80 (kosten stekjes, 120 x € 1,94)

Totale kosten: € 678,00.

Wederrechtelijk verkregen voordeel:

Opbrengst minus kosten: € 8.020,08 – € 678,00 = € 7.342,08.

Het hof acht het aldus aannemelijk geworden, dat de veroordeelde wederechtelijk verkregen voordeel heeft genoten ten bedrage van € € 7.342,08.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Het hof ziet in hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd met betrekking tot de draagkracht van de veroordeelde nu en in de toekomst en gelet op de persoon van de veroordeelde zoals die ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen, aanleiding de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op nihil.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 7.342,08 (zevenduizend driehonderdtweeënveertig euro en acht cent).

Stelt de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op nihil.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G. Oldekamp, mr. A.P.M. van Rijn en mr. J.W.H.G. Loyson, in tegenwoordigheid van

mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

16 mei 2014.