Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1796

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-05-2014
Datum publicatie
13-06-2014
Zaaknummer
23-004930-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen sprake van een ernstige inbreuk op de beginselen van behoorlijke procesorde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-004930-12

datum uitspraak: 13 mei 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, blijkens de rectificatie akte rechtsmiddel, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 8 november 2012 in de strafzaak onder parketnummer 15-700453-11, met uitzondering van de feiten die ten laste gelegd zijn onder het hoofdnummer 15-700453-11 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,

adres: [adres].

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Blijkens de akte rechtsmiddel (rectificatie) is het hoger beroep beperkt ingesteld tegen de zaak met de parketnummers 15/700453-11 (hoofdnummer, feit 1 en 2), 15-700514-10 (feit 3 en 4), 15-710264-11 (feit 5) en 15-710586-10 (feit 6), met uitzondering van de feiten zoals ten laste gelegd onder het hoofdnummer 15-700453-11 (feit 1 en 2).

De verdachte is door rechtbank Haarlem vrijgesproken van hetgeen aan haar onder 4 (parketnummer 15-700514-10) ten laste is gelegd. Het hoger beroep is, gelet op het voorgaande, mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak van het onder 4 ten laste gelegde. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte dus niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 april 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

3 (

parketnummer: 700514-10):

zij op of omstreeks 29 juni 2010 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is/heeft zij, verdachte,

- met haar auto voor het huis van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gelegen aan de [straatnaam], gereden en/of (vervolgens) vanuit die auto deze [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] aangekeken en/of

- (vervolgens) deze [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd: "Nu weet ik waar je woont", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of (vervolgens/daarbij) opzettelijk dreigend met haar, verdachtes, linkerhand een snijdende beweging langs haar/de keel gemaakt;

5 (

parketnummer: 710586-10):
zij op of omstreeks 29 mei 2010 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, in elke geval in Nederland opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 4] in het openbaar heeft beledigd door voornoemde [slachtoffer 4], in diens/dier tegenwoordigheid mondeling de woorden "Hoerenloper", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking, toe te voegen;

6 (

parketnummer: 710264-11):
zij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode 24 juni 2010 tot en met 14 oktober 2010 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, in elk geval in Nederland (meermalen) opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6], in het openbaar mondeling heeft beledigd, door voornoemde [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] de woorden "Lelijke kleine hoer, straks komen er nog veel meer Aarten. Je lijkt wel een mongool" althans woorden van gelijke strekking toe te voegen;

7 (

parketnummer: 710264-11):
zij op of omstreeks 04 oktober 2010 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, in elk geval in Nederland opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 7], in het openbaar mondeling heeft beledigd, door voornoemde [slachtoffer 7] de woorden "Vieze dronken smeerlap", althans woorden van gelijk strekking toe te voegen;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – vernietigen en in zoverre opnieuw rechtdoen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vervolging, nu er sprake is van meerdere vormverzuimen. De raadsman heeft hierbij naar voren gebracht dat verdachte niet juist geïnformeerd is omtrent haar aanhouding, het onrechtmatig gebruik van handboeien, het oneigenlijk gebruik van de inverzekeringstelling en het aanhouden van verdachte om zes uur ’s ochtends, terwijl zij gewoon bereikbaar was voor justitie. Mede in het verlengde hiervan en gelet op de beschikking van dit hof inzake een beklagprocedure d.d. 20 juli 2010 heeft de raadsman bepleit dat verdachte in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde vervolgd is, waarbij hij de nadruk heeft gelegd op schending van het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.

De verdediging heeft in dit verband gewezen op de derde alinea van de beschikking van de Beklagkamer nr. K09/0380 van 20 juli.2010 van het Gerechtshof Amsterdam waarin wordt overwogen:

‘Bij dit soort heftige burenruzies doet zich in de eerste plaats de vraag voor of er voor het strafrecht eigenlijk wel een plaats is. Daarvoor is tenminste nodig dat de vermeende strafbare feiten ook inderdaad te bewijzen zijn. In technische zin is voor de onderhavige incidenten wellicht nog enig bewijs bij te brengen, maar in gevallen als deze dringt zich in het bijzonder de vraag op of er een algemeen belang aanwezig is dat een strafvervolging rechtvaardigt. Een strafvervolging zou naar het oordeel van het hof in dit geval geen recht doen aan de werkelijkheid van het onderliggende burenconflict”

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

In het algemeen geldt dat de beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate leent voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat er slechts sprake kan zijn van een niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging, indien er sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Ten aanzien van de beslissing van het openbaar ministerie om in deze zaak de verdachte wel te vervolgen, terwijl de feiten onderdeel uitmaken van het nog steeds actueel zijnde grotere burenconflict, waarbij één van de huidige ‘aangevende partijen’ niet vervolgd is in andere zaken en de klacht hieromtrent gemotiveerd is afgewezen door dit hof, merkt het hof het volgende op.

Bovengenoemde door de verdediging aangehaalde overweging ziet, hoewel door het hof geplaatst in het licht van een burenruzie, op feiten waarover destijds door verdachte bij het hof geklaagd dat vervolging daarvan uitbleef en heeft geen betrekking op de feiten waarvoor verdachte thans wordt vervolgd. Daarom heeft deze overweging bij verdachte niet zonder meer het gerechtvaardigde vertrouwen kunnen wekken dat ook zij niet vervolgd zou kunnen worden ten aanzien van haar verweten feiten. Reeds hierom faalt het beroep op een schending van het vertrouwensbeginsel dan wel rechtszekerheidsbeginsel.

Nu het hof niet in staat is de inhoudelijke kanten van de feiten die destijds voorwerp vormden van de klacht bij het hof en de thans aan de orde zijnde feiten te vergelijken ligt het buiten het beoordelingsvermogen van het hof om vast te vaststellen of er sprake is van willekeur in de vervolging van verdachte. Het hof kan zulks niet slechts vaststellen louter op basis van de door de verdediging overgelegde beschikking d.d. 20 juli 2010.

Ook van strijd met het gelijkheidsbeginsel is gelet hierop naar het oordeel van het hof geen sprake. Ter beoordeling van het hof staan thans andere feiten dan waarop destijds de beschikking d.d. 20 juli 2010 betrekking had en deze worden thans naar de huidige nieuwe stand van zaken beoordeeld.

De raadsman heeft voorts naar voren gebracht dat er in het voorbereidend onderzoek zoals bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering vormen zijn verzuimd waarbij de rechten van de verdachte zodanig zijn geschonden dat dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging.

Met de verdediging is het hof van oordeel dat jegens verdacht soms te rigoureus dwangmiddelen zijn toegepast en zij niet ten volle haar rechten als verdachte heeft genoten.

Zulks kan evenwel niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie nu niet vastgesteld kan worden dat sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Voor zover de gang van zaken enig ander gevolg moet hebben, komt dat hieronder aan de orde.

Voorwaardelijk verzoek

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van verdachte gepersisteerd bij het – reeds door het hof toegewezen – verzoek tot het horen van getuige [getuige], indien haar verklaring voor het bewijs wordt gebezigd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 30 juli 2013 is het verzoek tot het horen van meerdere getuigen, waaronder getuige [getuige], toegewezen. Alle toegewezen getuigen, behalve getuige [getuige], zijn op 27, 28 en 29 januari 2014 gehoord bij de raadsheer-commissaris. Ten aanzien van getuige [getuige] is een doktersverklaring overgelegd waaruit blijkt dat zij verschillende klachten heeft die veroorzaakt worden door het burenconflict, dat zij hiervoor medicijnen slikt en medisch niet in staat is om een getuigenverklaring af te leggen. Het hernieuwd oproepen van de getuige zou – zo volgt naar het oordeel van het hof uit voornoemde doktersverklaring – de gezondheid of het welzijn van de getuige in gevaar kunnen brengen. Niet is gebleken dat die situatie thans anders is dan in juli 2013.

Daarnaast dient de verklaring van getuige [getuige] als steunbewijs voor de aangifte. Dat brengt mee dat de verklaring van [getuige] niet het enige of doorslaggevende bewijs is dat op het ten laste gelegde feit betrekking heeft. Het verwijt dat volgt uit de aangifte past tenslotte in de sfeer van het dossier als geheel.

Gelet enerzijds op het geringe gewicht dat, in samenhang met de overige bewijsmiddelen bezien, toegekend moet worden aan de verklaring van [getuige] en de mogelijke gevolgen voor de gezondheid van deze getuige anderzijds, ziet het hof reden om het (gehandhaafde) verzoek tot het horen van getuige [getuige] af te wijzen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3, 5, 6 en 7 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

3 (

parketnummer: 700514-10):

zij op 29 juni 2010 te Volendam, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers is/heeft zij, verdachte,

- met haar auto voor het huis van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], gelegen aan de [straatnaam], gereden en vervolgens vanuit die auto deze [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] aangekeken en

- daarbij opzettelijk dreigend met haar, verdachtes, linkerhand een snijdende beweging langs haar keel gemaakt;

5 (

parketnummer: 710586-10):
zij op 29 mei 2010 te Volendam, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 4] in het openbaar heeft beledigd door voornoemde [slachtoffer 4], in diens tegenwoordigheid mondeling de woorden "Hoerenloper" toe te voegen;

6 (

parketnummer: 710264-11):
zij op tijdstippen gelegen in de periode 24 juni 2010 tot en met 14 oktober 2010 te Volendam, meermalen opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6], in het openbaar mondeling heeft beledigd, door voornoemde [slachtoffer 6] de woorden "Lelijke kleine hoer, straks komen er nog veel meer Aarten. Je lijkt wel een mongool" althans woorden van gelijke strekking toe te voegen;

7 (

parketnummer: 710264-11):
zij op 4 oktober 2010 te Volendam, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 7], in het openbaar mondeling heeft beledigd, door voornoemde [slachtoffer 7] de woorden "Vieze dronken smeerlap".

Hetgeen onder 3, 5, 6 en 7 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Het hof heeft geen redenen gevonden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. De verdachte heeft haar ontkenningen niet kunnen onderbouwen en aannemelijk kunnen maken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 3, 5, 6 en 7 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het onder 5 en 7 bewezen verklaarde levert telkens op:

eenvoudige belediging.

Het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

eenvoudige belediging, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 3, 5, 6 en 7 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het onder 3, 5, 6 en 7 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij de reclassering.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van twee buurtgenoten en belediging van meerdere andere buurtgenoten. Door haar buurtgenoten te bedreigen heeft verdachte gevoelens van angst en onveiligheid bij de desbetreffende buren teweeggebracht. De beledigingen in de richting andere buurtbewoners, waaronder een dreumes, getuigen van een gebrek aan respect jegens deze personen. De verdachte heeft geen overtuigende redenen kunnen geven die haar tot de bewezen verklaarde feiten hebben gebracht.

Hoewel het hof – evenals de rechtbank – rekening houdt met het achterliggende burenconflict, dat al geruime tijd speelt heeft het hof wel moeten constateren dat in ieder geval deze verdachte weinig inzet heeft getoond bij het vinden van een structurele oplossing van het conflict, hetgeen toch de enige uitweg lijkt te zijn om een voor alle partijen leefbare omgeving te creëren.

Deze overwegingen sluiten het toepassen van de mogelijkheid om de verdachte wel schuldig te verklaren maar geen straf op te leggen, zoals door de verdediging bepleit, uit.

Het hof zich bij de bepaling van de zwaarte van de op te leggen straf aan bij de navolgende overweging van de rechtbank:

Voorts houdt de rechtbank in het voordeel van de verdachte rekening met een aantal klachten

van de verdediging over de wijze waarop politie en Openbaar Ministerie deze strafzaak hebben aangepakt. (…) Een aantal van deze klachten van de verdediging geeft echter wel aanleiding om de straf te matigen.

Het gaat daarbij met name om de gang van zaken rond de aanhouding van verdachte op 12 juni 2011, waarover uit het dossier de volgende gang van zaken blijkt. Verdachte werd per brief door de politie uitgenodigd om op zaterdag 11juni 2011 op het politiebureau te Hoofddorp te verschijnen. Zij zou daar worden gehoord ter zake van een aantal in die brief genoemde strafbare feiten. Verdachte heeft tevoren haar (vaste) advocaat bezocht, die haar (correct) heeft voorgelicht dat voor de in de brief genoemde feiten geen voorlopige hechtenis kan worden toegepast. Verdachte heeft vervolgens de afspraak met de politie verzet naar zondag 12 juni 2011 en is die dag naar het politiebureau gegaan. Daar is zij om 10.05u aangehouden en om 11.00u is zij overgebracht naar het hoofdbureau in Haarlem. Daarbij zijn haar transporthandboeien aangelegd omdat de onderzoeksleider aan de desbetreffende agente had medegedeeld dat verdachte aan ‘het syndroom van borderline’ zou lijden. Op het hoofdbureau is zij verhoord en vervolgens om 16.00u in verzekering gesteld ter zake van belaging (thans tenlastegelegd als feit 1); een delict dat in de uitnodigingsbrief niet was vermeld. Verdachte heeft daarbij verklaard dat zij wilde worden bijgestaan door haar vaste (gekozen) raadsman, mr. Appel. Eerst om 16.20u is de piketcentrale van deze wens in kennis gesteld. Mr. Appel bleek echter niet bereikbaar. Verdachte is vervolgens op 13 juni 2011 bezocht door de piketadvocaat. Deze gang van zaken getuigt naar het oordeel van de rechtbank van een onzorgvuldige omgang met verdachte en haar verdedigingsrechten door de politie. De raadsman heeft terecht geklaagd dat verdachte ten onrechte niet is bijgestaan door een advocaat tijdens de inverzekeringstelling en voorafgaand aan haar eerste verhoor. Daarbij merkt de rechtbank op dat het bij de politie bekend was dat verdachte een goede band had met mr. Appel. Zo heeft de aangever (wijkagent [verbalisant]) in de aangifte waar verdachte op 12 juni 2011 over verhoord werd, nog vermeld dat hij enige tijd tevoren een brief had ontvangen van mr. Appel waarin die laatste de politie verzocht om contact met zijn cliënte voortaan via hem te doen verlopen. Het bevreemdt de rechtbank dan ook dat verdachte in een weekend op het bureau is ontboden, aangezien te voorspellen valt dat mr. Appel dan niet op stel en sprong bereikbaar zal zijn, terwijl bij de politie kennelijk tevoren al het voornemen bestond om verdachte direct aan te houden. Zeker bij een verdachte waarvan de politie vermoedt dat zij aan een psychiatrische stoornis lijdt, zou een sensitiever optreden van de politie verwacht mogen worden. De rechtbank zet bovendien vraagtekens bij de noodzaak om verdachte, een dan 55-jarige vrouw, bij de destijds aan de orde zijnde verdenkingen zo hard aan te pakken als hiervoor is beschreven (inverzekeringstelling, transportboeien). Verdachte heeft voorstelbaar geleden onder deze onnodig harde aanpak en het buitenspel zetten daarbij van de haar vertrouwde raadsman.

Evenals de rechtbank, zal het hof met voornoemde gang van zaken rekening houden bij de oplegging van de straf.

Het hof heeft voorts in aanmerking genomen dat op het de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 april 2014 verdachte slechts één – andersoortig – feit staat vermeld, waarvoor een transactie is aangeboden en voldaan.

Gelet op het thans nog voortdurende conflict acht het hof enige vorm van hulpverlening aangewezen. Blijkens het reclasseringsadvies d.d. 16 januari 2012 is de reclassering bereid om uitvoering te geven aan een verplicht reclasseringscontact. De reclassering zou, aldus het advies, door de begeleiding een vermindering van escalaties kunnen hebben en zou kunnen fungeren als instantie waar verdachte zich gehoord voelt. Uit het dossier, alsmede ter terechtzitting in hoger beroep, heeft het hof de indruk gekregen dat verdachte meent dat iedereen tegen haar is. Een organisatie die zich anders kan opstellen in het conflict, zou voor verdachte – en de buurtbewoners – wellicht een opening in het conflict met zich mee kunnen brengen.

Het hof acht, alles afwegende, – met de rechtbank – een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij de reclassering en de daarbij horende algemene voorwaarde van reclasseringstoezicht, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.200,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 200,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 6 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot een bedrag van € 400,- zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2010.

Voor het overige is onvoldoende gebleken dat de gestelde schade door het bewezen verklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom voor het overige in haar vordering niet worden ontvangen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 280,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep afgewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 7 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2010.

Voor het overige is onvoldoende gebleken dat de gestelde schade door het bewezen verklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 100,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep afgewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 5 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering geheel zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2010.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 266 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 3, 5, 6 en 7 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 3, 5, 6 en 7 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de proeftijd te melden bij de reclassering Nederland, regio Alkmaar-Haarlem, Unit Zaandam, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 5] ter zake van het onder 6 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 5], een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 7] ter zake van het onder 7 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 200,00 (tweehonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 7], een bedrag te betalen van € 200,00 (tweehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 100,00 (honderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4], een bedrag te betalen van € 100,00 (honderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.W.J. de Groot, mr. H.J. Bronkhorst en mr. J.H. de Graaf, in tegenwoordigheid van mr. J.E. van der Ploeg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 mei 2014.

Mr. J.H. de Graaf en mr. H.J. Bronkhorst zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.