Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1790

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-05-2014
Datum publicatie
24-10-2014
Zaaknummer
23-002733-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alternatief scenario bewijsvoering niet aannemelijk geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002733-12 en 13-464362-09 (TUL)

datum uitspraak: 13 mei 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 21 juni 2012 in de strafzaak onder de parketnummers 15-130570-11 en 13-464362-09 (TUL) tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 april 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 januari 2011 te Wormer, gemeente Wormerland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (personen)auto (Volkswagen Touareg) ([kenteken]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan De Saenkanter Holding BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel (te weten, een (auto)sleutel die hem verdachte en/of zijn mededader(s) niet rechtmatig toebehoorde(n).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof de voorkeur geeft aan een andere bewezenverklaring en een andere straf oplegt dan de eerste rechter.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman van verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Hij heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat verdachtes (alternatieve) verklaring niet weersproken wordt door de voor handen zijnde bewijsmiddelen; in tegendeel, de aangifte laat qua tijdsspanne juist voldoende ruimte voor verdachtes verklaring. De overige bewijsmiddelen zijn – aldus de raadsman – onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde te komen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 12 januari 2011, PL11WE 2011002751-5 blijkt dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] om 17.51 uur van die dag de melding kregen dat zojuist een Volkswagen Touareg was gestolen in Wormer.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 12 januari 2011, PL11SU 2011002751-9 blijkt dat de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] omstreeks 18.07 uur van die dag via de mobilofoon horen dat de hiervoor genoemde collega’s achter de gestolen auto reden op de A8 richting Coentunnel.

De aangever verklaart blijkens het proces-verbaal van aangifte van 13 januari 2011 dat hij op 12 januari 2011 om 17.50 uur melding maakt van de diefstal van de auto, kort nadat zijn vrouw ontdekt dat de auto verdwenen is. De aangever verklaart de auto zo’n vijf minuten daarvoor nog te hebben gezien. Hij vermoedt dat hij bij thuiskomst rond 15.00 uur de huissleutels samen met de autosleutels in de voordeur heeft laten zitten.

De conclusie moet zijn dat de auto rond 17.45 uur moet zijn gestolen, waarna hij omstreeks 18.07 uur op de A8 richting Coentunnel werd gezien.

De verdachte heeft verklaard dat hij samen met [persoon] in de buurt van het station van Wormerveer drie jongemannen in een Volkswagen Touareg aantrof, die hem en [persoon], na wat te hebben gerookt, aanboden om hen naar Amsterdam te brengen. De verdachte en [persoon] hebben toen plaatsgenomen op de achterbank terwijl zij niet wisten dat de auto gestolen was.

Het hof passeert dit verweer als onaannemelijk omdat het tijdsverloop tussen het moment van de diefstal van de auto en het moment van aantreffen op de A8 een toedracht als door de verdachte voorgesteld niet toelaat.

Op basis van het voorgaande berust de lezing van de raadsman, dat de auto reeds om 17.05 is gestolen, op een onjuiste lezing van de aangifte in samenhang met het geciteerde proces-verbaal van bevindingen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte nog verklaard dat hij weliswaar op de stoel van de bestuurder is aangetroffen maar dat dat niet wil zeggen dat hij de auto had bestuurd. Hij was toen de auto door de politie werd stilgezet en de overige inzittenden vluchtten in paniek vanaf de achterbank naar de bestuurdersplaats geklommen om door het linker voorportier te vluchten.

Het hof acht ook deze lezing der gebeurtenissen onaannemelijk, omdat uit het hiervoor genoemde proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] blijkt dat de bestuurder van de auto, verdachte, op de bestuurdersstoel zat en op dat moment het portier opende, waarbij zijn linkerarm verstrikt raakte in de gordel. De verbalisant die zich ter hoogte van het linker achterportier bevond, verklaart in een aanvullend proces-verbaal geen bewegingen van de achterbank naar de voorbank te hebben gezien. Wel heeft hij gezien dat terwijl hij de auto naderde er drie portieren opengingen waaruit meerdere personen wegvluchtten. Het linker voorportier bleef echter eerst nog gesloten en ging pas open toen hij vlak bij de auto was gekomen.

Deze beschrijvingen laten geen ruimte voor de toedracht die door de verdachte is voorgesteld. Het verweer wordt verworpen.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 12 januari 2011, PL11MK 2011002751-7 blijkt dat de verbalisant van Exter in de politieauto waarin [persoon] na zijn aanhouding is vervoerd de sleutelbos van de aangever is gevonden.

Uit deze mededeling concludeert het hof dat de verdachte en [persoon] de diefstal hebben gepleegd, waarbij nog een rol speelt dat de verdachte en de medeverdachte hebben verklaard de hele middag rond 16.00 uur samen met de trein naar Wormerveer te zijn gegaan en daar samen op stap te zijn geweest.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 12 januari 2011 te Wormer, gemeente Wormerland tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (Volkswagen Touareg, [kenteken]), toebehorende aan De Saenkanter Holding BV, waarbij verdachte en zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten, een autosleutel die hem, verdachte, en zijn mededader niet rechtmatig toebehoorden;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich, samen met zijn mededader(s), op 12 januari 2011 schuldig gemaakt aan diefstal van een auto. Dergelijke feiten veroorzaken hinder, schade en ergernis voor de desbetreffende eigenaar van het goed. Door aldus te handelen heeft verdachte er voorts blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendomsrechten van een ander.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 april 2014 is de verdachte eerder ter zake van strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld.

Het hof heeft tevens gelet op hetgeen door de verdachte ter terechtzitting van het hof naar voren is gebracht. Verdachte heeft met stukken onderbouwd verklaard dat hij “gekapt is met hangen” en momenteel zijn geld verdient met zowel het – overdag – werken bij een pizzeria, als ’s nachts werkzaam is in de nachtploeg bij een fabriek van Albert Heijn in Warmenhuizen. Een gevangenisstraf zou het behouden van deze banen ernstig in gevaar brengen, aldus de verdachte.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat er noch in eerste aanleg, noch in tweede aanleg of in zijn geheel sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van vijftig uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering heeft doorgebracht, passend en geboden. Hierbij zijn in het bijzonder voornoemde persoonlijke omstandigheden van verdachte in aanmerking genomen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter te Amsterdam van 15 januari 2010 opgelegde voorwaardelijke werkstraf 30 uur, subsidiair 15 dagen jeugddetentie. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter te Amsterdam van 15 januari 2010, parketnummer 13-464362-09, te weten een:

taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 15 (vijftien) dagen jeugddetentie.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.W.J. de Groot, mr. F.A. Hartsuiker en mr. J.H. de Graaf, in tegenwoordigheid van mr. J.E. van der Ploeg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 mei 2014.

Mr. J.H. de Graaf is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.