Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1776

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-05-2014
Datum publicatie
23-05-2014
Zaaknummer
200.135.449-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Advocaat hield deel voorschotten ter zake van schadevergoeding in voor zijn kosten van rechtsbijstand, hoewel cliënt een voorwaardelijke toevoeging had.

Advocaat gebonden aan zijn toezegging tijdens mondelinge behandeling bij Hof van Discipline dat hij het ingehouden bedrag zal betalen aan zijn voormalige cliënt, indien hij in het ongelijk wordt gesteld. Hiermee heeft de advocaat geen afstand gedaan van zijn recht op honorarium en onkosten. Zijn cliënt zou niet in aanmerking zijn gekomen voor een definitieve toevoeging wegens de toegekende schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.135.449/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : CV 12-5269

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 mei 2014

inzake

[appellant],

wonend te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,

tegen:

[geïntimeerde],

wonend te [woonplaats],

niet verschenen.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 3 oktober 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 17 juli 2013, gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser in conventie, tevens verweerder in (voorwaardelijke) reconventie en [appellant] als gedaagde in conventie tevens eiser in (voorwaardelijke) reconventie.

[geïntimeerde] is niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend.

[appellant] heeft een memorie van grieven genomen, waarna arrest is gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, de in eerste aanleg in conventie ingestelde vorderingen van [geïntimeerde] af te wijzen en de in eerste aanleg ingestelde vorderingen toe te wijzen, met beslissing over de proceskosten, met nakosten.

[appellant] heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.9 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten, met uitzondering van het onder 1.5 eerste zin genoemde feit waartegen grief I zich richt, zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen in zoverre derhalve ook het hof als uitgangspunt.

Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ter ondersteuning van zijn eerste grief, zal het hof hieronder bij zijn overwegingen betrekken.

3 Beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.1.

[appellant] was advocaat. Hij heeft vanaf april 1999 tot in april 2005 rechtsbijstand verleend aan [geïntimeerde]. Daarna is de rechtsbijstand voortgezet door een medewerker van Letsel.nl.
[appellant] heeft voor zijn werkzaamheden en de ten behoeve van [geïntimeerde] gemaakte kosten in mei 2005 een bedrag groot € 11.914,33 bij [geïntimeerde] gedeclareerd. [geïntimeerde] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij die declaratie niet hoeft te betalen.

3.1.2

De verleende rechtsbijstand hield verband met de schade die [geïntimeerde] had geleden als gevolg van een ongeval. Daarover is geprocedeerd. Uiteindelijk is aan [geïntimeerde] bij vonnis van 19 november 2008 schadevergoeding toegekend.
Een deel van de toegekende schadevergoeding heeft betrekking op de gemaakte kosten van rechtsbijstand.

3.1.3

De aansprakelijke partijen hadden eerder voorschotten uitgekeerd aan [geïntimeerde] op de derdenrekening van [appellant]. Een gedeelte van deze voorschotten groot

€ 4.268,90 heeft [appellant] aangemerkt als betaling voor zijn werkzaamheden.

3.1.4

Ten behoeve van [geïntimeerde] werd een zogenoemde voorwaardelijke toevoeging afgegeven. Deze is nimmer omgezet in een definitieve toevoeging. [appellant] heeft daartoe geen pogingen in het werk gesteld, omdat een dergelijk verzoek volgens hem gelet op de geldende maatstaven toch niet zou worden gehonoreerd.

3.1.5

[geïntimeerde] heeft over de handelwijze van [appellant] geklaagd bij de tuchtrechter. Onder meer kwam in dat verband aan de orde dat [appellant] het bedrag groot € 4.268,90 niet aan hem had doorbetaald.

3.1.6

[geïntimeerde] heeft [appellant] in rechte betrokken en betaling door [appellant] aan hem van € 4.268,90 gevorderd. [appellant] heeft daartegenover gevorderd dat [geïntimeerde] alsnog zijn gehele declaratie groot € 11.914,33.

3.1.7

De kantonrechter heeft de stelling van [geïntimeerde] dat [appellant] ten overstaan van de tuchtrechter heeft toegezegd hem € 4.268,90 te betalen aanvaard en zijn vordering toegewezen. Dat betekent, aldus de kantonrechter, dat de vordering van [appellant] moet worden afgewezen.

3.2.

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis [appellant] in conventie veroordeeld tot betaling van € 4.268,90, met rente, en in reconventie zijn vordering tot betaling van zijn buitengerechtelijke verrichtingen ad € 6.944,73, althans € 11.194,33 afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure in conventie en in reconventie.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zijn grieven op.

3.3.

[appellant] stelt in grief II dat [geïntimeerde] geen beroep meer kan doen op een gebrekkige prestatie van [appellant], omdat hij niet binnen bekwame tijd heeft geprotesteerd (artikel 6:89 BW). Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] meer dan drie jaar met protesteren gewacht.

Nog daargelaten of artikel 6:89 BW hier van toepassing is, brengt de enkele omstandigheid dat het lang heeft geduurd voordat [geïntimeerde] heeft geklaagd, nog geen geslaagd beroep op artikel 6:89 BW mee. Bijkomende omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, zoals benadeling aan de zijde van [appellant] in bijvoorbeeld zijn bewijspositie door het tijdsverloop, zijn niet gesteld. Grief II slaagt derhalve niet.

3.4.

In de grieven III tot en met VI werpt [appellant], kort samengevat, het volgende op. Hij heeft tijdens de mondelinge behandeling voorafgaand aan de beslissing van het Hof van Discipline van 9 februari 2009 toegezegd de ingehouden voorschotten ad in totaal € 4.268,90 door te betalen aan [geïntimeerde], indien het Hof van Discipline zijn uitvoerige betoog dat de verrekening met inachtneming van de daarvoor geldende regels was geschied, zou verwerpen. Het Hof van Discipline heeft echter niet op zijn betoog gereageerd, zodat aan de voorwaarde waaronder hij zijn toezegging aan het Hof van Discipline deed niet is voldaan. De vordering in conventie in eerste aanleg had daarom niet op grond van de toezegging in eerste aanleg kunnen worden toegewezen. Verder is [appellant] van mening dat hij recht heeft op betaling van zijn kosten, zoals in eerste aanleg in reconventie gevorderd. Ook al zou hem een beroepsfout kunnen worden verweten doordat hij de voorwaardelijke toevoeging niet heeft geretourneerd aan de Raad voor Rechtsbijstand, dan heeft dat niet geleid tot schade voor [geïntimeerde]. [geïntimeerde] ontving immers een schadebedrag dat dusdanig was dat zijn verzoek om een onvoorwaardelijke toevoeging de toentertijd geldende vermogenstoets niet had kunnen doorstaan. Dat in de schadestaatprocedure geen integrale vergoeding van de buitengerechtelijke kosten werd verkregen, kan [appellant] niet worden verweten, nu hij niet bij die procedure was betrokken.

3.5.

Het hof overweegt als volgt. In zijn beslissing van 18 juni 2010 naar aanleiding van een latere klacht van [geïntimeerde] heeft het Hof van Discipline vermeld dat [geïntimeerde] onbetwist heeft gesteld dat [appellant] heeft toegezegd te zullen betalen indien hij daartoe mocht worden veroordeeld. Aan dit onderdeel van deze beslissing van het Hof van Discipline kan een sterke aanwijzing worden ontleend dat [appellant] door middel van deze uitlatingen en het latere uitblijven van betwisting van [geïntimeerde] het vertrouwen heeft gewekt dat hij bedoeld heeft om aan [geïntimeerde] restitutie van

€ 4.268,90 toe te zeggen. De stellingen van [appellant] houden onvoldoende in om te oordelen dat [geïntimeerde] niet erop mocht vertrouwen dat [appellant] bedoelde hem restitutie toe te zeggen. In dit verband is in het bijzonder van betekenis dat [geïntimeerde] zijn uitlatingen deed ten overstaan van de tuchtrechter tijdens een zitting die was gewijd aan klachten van [geïntimeerde] over de handelwijze van [appellant]. Voor de stelling dat [geïntimeerde] had moeten begrijpen dat [appellant] bedoelde een voorwaarde aan zijn toezegging te verbinden, heeft [appellant] onvoldoende aanknopingspunt aangedragen.

Die toezegging impliceerde echter niet dat [appellant] afstand heeft gedaan van zijn recht op honorarium en vergoeding van onkosten (artikelen 7:405 en 406 lid 1 BW). [geïntimeerde] heeft ook geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit hij dat redelijkerwijs heeft mogen afleiden. De brief van 24 juni 2005 van [appellant] aan Letsel.nl, waarop [geïntimeerde] zich heeft beroepen, kan hem ook niet baten. Daarin schrijft [appellant] onder meer: “De Heer [geïntimeerde] zelf heeft mij geen cent betaald en ik maak jegens hem ook geen aanspraak op voldoening van mijn declaratie. Deze zal moeten worden voldaan door Short Track Uitzendbureau en de gemeente Amsterdam.” Uit deze brief volgt niet dat [appellant] voor [geïntimeerde] “gratis” heeft gewerkt, maar enkel dat de in opdracht van [geïntimeerde] gemaakte kosten van rechtsbijstand voor rekening komen van de tot schadevergoeding veroordeelde partijen. Dat betekent dat moet worden onderzocht of anderszins grond bestaat voor het oordeel dat [geïntimeerde] de declaratie van [appellant] niet hoeft te betalen.

3.6.

In de eerste plaats verdient hier vermelding dat de afwikkeling van de voorwaardelijke toevoeging door [appellant] geen schoonheidsprijs verdient.

[geïntimeerde] heeft echter de stelling van [appellant] niet betwist dat hij geen definitieve toevoeging zou hebben verkregen in verband met de hoogte van de toegekende schadevergoeding. Die omstandigheid kan daarom op zichzelf niet in de weg staan aan de betalingsverplichting van [geïntimeerde] jegens [appellant].

3.7.

[geïntimeerde] en [appellant] lijken er vanuit te zijn gegaan dat de kosten van rechtsbijstand zouden worden vergoed door de jegens [geïntimeerde] aansprakelijke partijen, met als gevolg dat de betalingsverplichting van [geïntimeerde] jegens [appellant] op de achtergrond is geraakt. Dit gedeelde uitgangspunt van [geïntimeerde] en [appellant] bracht evenwel mee dat op [appellant] jegens [geïntimeerde] de plicht kwam te rusten om toereikend inzicht te geven in de aard en omvang van de gemaakte kosten van rechtsbijstand, teneinde de kans op vergoeding door de aansprakelijke partijen op de voet van het bepaalde in artikel 6:96 BW te optimaliseren. In dit opzicht is [appellant] jegens [geïntimeerde] toerekenbaar tekortgeschoten, hetgeen eraan in de weg staat dat [appellant] [geïntimeerde] onverkort kan houden aan zijn betalingsverplichting jegens hem.

Het hof overweegt daarover nog als volgt.

3.8.

Uit het vonnis van de kantonrechter te Amsterdam in de schadestaatprocedure van 19 november 2008 blijkt dat € 1.090,00 is toegekend voor salaris gemachtigde in de hoofdzaak. Nu [appellant] in de hoofdzaak als gemachtigde van [geïntimeerde] is opgetreden, dient dit bedrag aan [appellant] toe te komen. Voorts is in dat vonnis een bedrag van € 6.000,00 aan kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte toegekend. In dat vonnis is overwogen dat uit de rekening van [appellant] van € 11.213,63 niet kan worden opgemaakt of en zo welke kosten door [appellant] zijn gemaakt ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Dat betekent dat [appellant] in zoverre is tekortgeschoten. Verder overwoog de kantonrechter dat van april tot eind oktober 2005 overleg tussen de raadslieden van partijen, in die periode aan de kant van [geïntimeerde] Letsel.nl, heeft plaatsgevonden. Uit de inleidende dagvaarding tot de schadestaatprocedure volgt dat Letsel.nl € 4.696,87 hiervoor in rekening heeft gebracht. Nu [geïntimeerde] niet heeft betwist dat [appellant] buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht, acht het hof het redelijk dat de helft van het toegekende bedrag van € 6.000,00, zijnde € 3.000,00, aan [appellant] toekomt. Het betoog van [appellant] dat dit hele bedrag hem toekomt, omdat Letsel.nl alleen verrichtingen heeft gedaan die hij al had uitgevoerd en dat de dagvaarding in de schadestaatprocedure is gebaseerd op informatie die door hem was verzameld, gaat niet op. Een dergelijke verdeling, waarbij Letsel.nl niets zou toekomen, druist in tegen de strekking van het vonnis in de schadestaatprocedure op dit punt.

3.9.

[appellant] kan zich er niet met succes op beroepen dat hij niet meer de beschikking heeft over zijn dossier en het zich volgens hem daarin bevindende tijdschrijfformulier. [appellant] heeft bij brief van 12 mei 2005 zijn dossier met zijn declaratie van 12 mei 2005 aan Letsel.nl gezonden. Hij had dus zijn dossier tot zijn beschikking toen hij de declaratie opmaakte. Dat hij geen kopie heeft gemaakt van zijn dossier en het daarin volgens hem bevindende tijdschrijfformulier, waarvan Letsel.nl overigens stelt dat zij deze niet heeft aangetroffen in het dossier, komt voor zijn eigen rekening. Dit brengt tevens met zich dat het hof geen aanleiding ziet boven op het in de schadestaatprocedure toegekende bedrag voor zijn buitengerechtelijke werkzaamheden toegekende bedrag nog enig bedrag toe te kennen, zoals verlangd door [appellant].

3.10.

De slotsom is dat de grieven III tot en met VI deels slagen en grief II faalt. De grieven I, VII en VIII behoeven verder geen afzonderlijke bespreking meer. Bewijslevering kan bij gebreke van terzake dienende stellingen achterwege blijven. Het bestreden vonnis kan niet in stand blijven. Het zal worden bekrachtigd voor zover het betreft de beslissingen onder het kopje “in conventie”. Het bestreden vonnis zal voor het overige worden vernietigd. De vordering van [appellant] zal tot een bedrag van

€ 4.090,00 (€ 1.090,00 + € 3.000,00) worden toegewezen. De gevorderde rente hierover zal worden toegewezen vanaf 19 november 2009, daar [geïntimeerde] zich hiertegen niet heeft verweerd. Nu partijen over en weer in reconventie in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten in eerste aanleg in reconventie worden gecompenseerd. De proceskosten in eerste aanleg in conventie komen voor rekening van [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij. De proceskosten in hoger beroep zullen worden gecompenseerd.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover gewezen in reconventie en

voor zover inhoudende de proceskostenveroordeling in conventie en in reconventie

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van € 4.090,00, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 19 november 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

compenseert de proceskosten in eerste aanleg in reconventie in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het geding in eerste aanleg in conventie en begroot deze kosten op € 306,17 voor verschotten en op € 300,00 voor salaris van de gemachtigde;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

compenseert de kosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.B.C.M. van der Reep, J.W.M. Tromp en J. Blokland en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2014.