Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1755

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-05-2014
Datum publicatie
19-05-2014
Zaaknummer
200.119.549-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep van incident in Yukos-zaak. In hoofdzaak vordering op Yukos Oil (tegen wie verstek is verleend) van crediteuren die vóór haar faillietverklaring beslag hebben gelegd op door Yukos Oil gehouden aandelen in Yukos Finance. Yukos Oil is na einde faillissement naar Russisch recht opgehouden te bestaan. Tussenkomende partij Promneftstroy (inmiddels eigenares van aandelen Yukos Finance) betoogt in incident dat procedure in hoofdzaak niet kan worden voortgezet omdat Yukos Oil niet meer bestaat. Hof oordeelt op grond van territorialiteitsbeginsel (HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5668) dat voormelde crediteuren van Yukos Oil hun verhaal moeten kunnen voortzetten en dat Yukos Oil met het oog daarop geacht moet worden (nog) te bestaan. In hoofdzaak kan Yukos Oil desgewenst verstek zuiveren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 700
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2014-0222 met annotatie van C.G. van der Plas
JOR 2015/49 met annotatie van mr. C.G. van der Plas
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummers: 200.119.549/01 en

200.119.551/01

zaak- en rolnummers rechtbank (Amsterdam): 419369/HA ZA 09-449 en 415603/HA ZA 08-3565

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 mei 2014

inzake

(zaaknummer 200.119.549/01):

de rechtspersoon naar buitenlands recht OOO PROMNEFTSTROY,

gevestigd te Moskou (Russische Federatie),

appellante,

advocaat: mr. J.F. Ouwehand, te Heerhugowaard,

t e g e n

de rechtspersoon naar buitenlands recht YUKOS CAPITAL S.à.R.L.,

gevestigd te Luxemburg (Luxemburg),

geïntimeerde,

advocaat: mr. E.R. Meerdink, te Amsterdam,

en

(zaaknummer 200.119.551/01):

de rechtspersoon naar buitenlands recht OOO PROMNEFTSTROY,

gevestigd te Moskou (Russische Federatie),

appellante,

advocaat: mr. J.F. Ouwehand, te Heerhugowaard,

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht GLENDALE GROUP LIMITED,
gevestigd te Road Town, Tortola (Britse Maagdeneilanden),

geïntimeerde,

advocaat: mr. E.R. Meerdink, te Amsterdam.

1 De gedingen in hoger beroep

in de zaak met zaaknummer 200.119.549/01:

Partijen worden hierna Promneftstroy en Yukos Capital genoemd.

Promneftstroy is bij dagvaarding van 20 september 2012 in hoger beroep gekomen van het tussenvonnis/vonnis in incident van 4 juli 2012 van de rechtbank Amsterdam, onder zaak- en rolnummer 419369/HA ZA 09-449 gewezen tussen haar als eiseres in het incident en (onder meer) Yukos Capital als verweerster in het incident.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben hun zaak ter terechtzitting van het hof van 29 januari 2014 aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities doen bepleiten, Promneftstroy door mr. M.E. Koppenol-Laforce, advocaat te Rotterdam, alsmede door mr. S.M. Peek, advocaat te Amsterdam, Yukos Capital door haar in de kop van dit arrest genoemde advocaat. Yukos Capital heeft bij deze gelegenheid nog een akte overlegging producties genomen.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Promneftstroy heeft onder verwijzing naar de appeldagvaarding geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar verklaard arrest het bestreden vonnis zal vernietigen en haar incidentele vordering alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Yukos Capital in de kosten van het geding in beide instanties.

Yukos Capital heeft geconcludeerd tot, kort gezegd, bekrachtiging van het bestreden vonnis en verwijzing van Promneftstroy in de kosten van het hoger beroep, met wettelijke rente.

Partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

in de zaak met zaaknummer 200.119.551/01:

Partijen worden hierna Promneftstroy en Glendale genoemd.

Promneftstroy is bij dagvaarding van 20 september 2012 in hoger beroep gekomen van het tussenvonnis/vonnis in incident van 4 juli 2012 van de rechtbank Amsterdam, onder zaak- en rolnummer 415603/HA ZA 08-3565 gewezen tussen haar als eiseres in het incident en (onder meer) Glendale als verweerster in het incident.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben hun zaak ter terechtzitting van het hof van 29 januari 2014 aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities doen bepleiten, Promneftstroy door mr. M.E. Koppenol-Laforce, advocaat te Rotterdam, alsmede door mr. S.M. Peek, advocaat te Amsterdam, Glendale door haar in de kop van dit arrest genoemde advocaat. Gendale heeft bij deze gelegenheid nog een akte overlegging producties genomen.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Promneftstroy heeft onder verwijzing naar de appeldagvaarding geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar verklaard arrest het bestreden vonnis zal vernietigen en haar incidentele vordering alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Glendale in de kosten van het geding in beide instanties.

Glendale heeft geconcludeerd tot, kort gezegd, bekrachtiging van het bestreden vonnis en verwijzing van Promneftstroy in de kosten van het hoger beroep, met wettelijke rente.

Partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

in de zaak met zaaknummer 200.119.549/01:

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder het kopje “Inleiding”, a tot en met n, een aantal feiten vastgesteld. Met grief 1 komt Promneftstroy op tegen de vaststelling onder m. Voor het overige zijn de vastgestelde feiten niet in geschil en dienen zij derhalve ook het hof als uitgangspunt.

in de zaak met zaaknummer 200.119.551/01:

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder het kopje “Inleiding”, a tot en met o, een aantal feiten vastgesteld. Met grief 1 komt Promneftstroy op tegen de vaststellingen onder f, n en o. Voor het overige zijn de vastgestelde feiten niet in geschil en dienen zij derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

in beide zaken:

3.1.

In deze zaken gaat het, kort gezegd, om het volgende.

( a) Bij vonnis van 1 augustus 2006 heeft de rechtbank te Moskou de rechtspersoon naar Russisch recht Yukos Oil Corporation (verder: Yukos Oil) in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van [X] tot curator.

( b) Bij verzoekschrift van 9 augustus 2007 heeft Yukos Capital de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam verzocht haar verlof te verlenen om ten laste van Yukos Oil beslag te leggen op de door deze gehouden aandelen in het kapitaal van Yukos Finance B.V. te Amsterdam (verder: Yukos Finance). Bij verzoekschrift van 13 augustus 2007 heeft ook Glendale dat gedaan, met dien verstande dat zij tevens verlof vroeg om ten laste van Yukos Oil beslag te leggen op, kort gezegd, vorderingen van Yukos Oil op Yukos Finance, alsmede op aan Yukos Oil toebehorende roerende zaken (niet registergoederen) die onder Yukos Finance mochten berusten. De voorzieningenrechter heeft het gevraagde verlof op 9 augustus 2007 respectievelijk 14 augustus 2007 verleend.

( c) Op 10 augustus 2007 respectievelijk 14 augustus 2007 hebben Yukos Capital en Glendale voormelde beslagen gelegd. Op 17 augustus 2007 hebben zij (ieder afzonder-lijk) deze beslagen aan Yukos Oil doen overbetekenen althans getracht dat te doen.

( d) Op 20 augustus 2007 heeft [X]de door Yukos Oil gehouden aandelen in Yukos Finance verkocht aan Promneftstroy. De tot levering van deze aandelen strekkende nota-riële akte is op 10 september 2007 verleden ten overstaan van een notaris te Amsterdam.

( e) Bij vonnis van 15 november 2007 heeft de rechtbank te Moskou beslist dat het faillissement van Yukos Oil is geëindigd. Dat vonnis is door de curator op 21 november 2007 ingeschreven in het daartoe bestemde Russische register.

( f) Bij door de rechtbank kennelijk als geldig aangemerkte dagvaarding van 24 januari 2008 is Glendale bij de rechtbank Amsterdam een procedure tegen Yukos Oil gestart. Yukos Capital heeft dat bij eveneens gedaan en wel bij door de rechtbank kennelijk als geldig aangemerkte dagvaarding van 30 juni 2008. Glendale vordert van Yukos Oil de betaling van (afgerond) RUR 46,3 miljard. Yukos Capital vordert van Yukos Oil de betaling van (afgerond) $ 355 miljoen en RUR 79,3 miljard. In beide procedures heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 9 juni 2010 Promneftstroy als tussenkomende partij toegelaten.

3.2.1.

Bij als tussenkomende partij op 1 februari 2012 in de procedure tussen Glendale en Yukos Oil genomen incidentele conclusie heeft Promneftstroy het volgende gevorderd:

“Dat het uw rechtbank moge behagen

IN HET INCIDENT

PRIMAIR,

1. 1. voor recht te verklaren dat de door Glendale ten laste van Yukos Oil gelegde conservatoire beslagen van rechtswege zijn vervallen; althans

2. 2. de door Glendale ten laste van Yukos Oil gelegde conservatoire beslagen met onmiddellijke ingang per datum vonnis op te heffen, en

3. 3. zich mitsdien onbevoegd te verklaren tot kennisneming van de door Glendale ingestelde vorderingen jegens Yukos Oil.

SUBSIDIAIR, indien en voor zover de niet-ontvankelijkheid in het incident wordt afgedaan,

4. 4. Glendale niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen jegens Yukos Oil, en

5. 5. voor recht te verklaren dat de door Glendale ten laste van Yukos Oil gelegde conservatoire beslagen van rechtswege zijn vervallen; althans

6. 6. de door Glendale ten laste van Yukos Oil gelegde conservatoire beslagen met onmiddellijke ingang per datum vonnis op te heffen;

althans, indien de niet-ontvankelijkheid in het incident wordt afgewezen,

7. 7. Promneftstroy een nadere termijn te gunnen van 12 weken voor het nemen van een conclusie van eis met daarin een nadere toelichting als aanvulling op haar voorwaardelijke/voorlopige conclusie van eis ter zake van haar stellingen dat de vorderingen van Glendale afgewezen dienen te worden.

(…)”

Na verweer van Glendale heeft de rechtbank bij het bestreden vonnis de incidentele vorderingen afgewezen en de zaak (in de hoofdzaak) naar de rol verwezen voor (nadere) conclusie aan de zijde van Promneftstroy als tussenkomende partij. De rechtbank overwoog daartoe, zeer kort samengevat, dat de omstandigheid dat Yukos Oil naar Russisch recht op 21 november 2007 definitief heeft opgehouden te bestaan niet in de weg staat aan behandeling door de rechtbank van door Glendale tegen Yukos Oil ingestel-de vorderingen, dit op grond van het zogeheten (aanstonds nader te bespreken) territoriali-teitsbeginsel. De rechtbank heeft in dat verband belang gehecht aan een aantal door haar in overweging 4.6 van het bestreden vonnis opgesomde bijzondere omstandigheden.

3.2.2.

In de procedure tussen Yukos Capital en Yukos Oil heeft Promneftstroy als tussenkomende partij op 1 februari 2012 een incidentele conclusie genomen met een, afgezien van de naam van de wederpartij, identiek petitum als in de zaak tegen Glendale. Na verweer van Promneftstroy heeft de rechtbank bij het bestreden vonnis op dezelfde wijze en met (mutatis mutandis) dezelfde motivering beslist als in die andere zaak.

3.3.

Met haar grieven komt Promneftstroy tegen voormelde beslissingen - en de gronden waarop deze berusten - op. Omdat de grieven in beide zaken grotendeels gelijkluidend zijn, zullen de zaken tegelijk worden besproken. Ook de grieven kunnen gezamenlijk worden behandeld.

3.4.

De centrale stelling van Promneftstroy houdt, kort gezegd, in dat in Nederland tegen een niet bestaande rechtspersoon (in casu Yukos Oil) niet kan worden geprocedeerd noch een executoriale titel kan worden verkregen en dat het faillissementsrechtelijke territorialiteitsbeginsel, zo al van toepassing, daaraan niet kan afdoen. Dit betekent dat de door Glendale en Yukos Capital gelegde beslagen zijn vervallen en de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft. Verder betoogt Promneftstroy dat de door de rechtbank genoemde bijzondere omstandigheden, voor zover al feitelijk juist, niet tot een andere conclusie kunnen leiden. Het hof oordeelt als volgt.

3.5.

In zijn arrest van 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5668, heeft de Hoge Raad der Nederlanden als volgt overwogen:

“3.2.1 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008: BG3573, NJ 2009/456, geoordeeld dat, voor zover niet bij een Nederland bindende internationale regeling anders is bepaald, een in een ander land uitgesproken faillissement territoriale werking heeft, niet alleen in die zin (a) dat het daar op het vermogen van de gefailleerde rustende faillissementsbeslag niet mede omvat zijn in Nederland aanwezige baten, maar ook in dier voege (b) dat de rechtsgevolgen die door het faillissementsrecht van dat andere land aan een faillissement worden verbonden, in Nederland niet kunnen worden ingeroepen voor zover zij ertoe zouden leiden dat onvoldane crediteuren zich niet meer kunnen verhalen op – tijdens of na afloop van het faillissement – in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen van de (voormalige) gefailleerde. (c) Aan de werking in Nederland van andere gevolgen van een in het buitenland uitgesproken faillissement staat dit territorialiteitsbeginsel niet in de weg.

3.2.2

Deze regels (…) brengen ten aanzien van een in het buitenland uitgesproken faillissement mee (…) dat de curator in dat faillissement in beginsel ook met betrekking tot in Nederland aanwezig vermogen dat tot de failliete boedel behoort – maar waarop het faillissementsbeslag niet rust -, beheers- en beschikkingshandelingen kan verrichten, mits de curator daartoe naar het recht van dat andere land (de lex concursus) bevoegd is (regel (c)). De buitenlandse curator kan derhalve, indien hij de bevoegdheid daartoe aan de lex concursus ontleent, de zich in Nederland bevindende vermogensbestanddelen vervreemden en de opbrengst daarvan ten goede laten komen aan de faillissementsboedel, met dien verstande dat ingevolge regel (a) tot aan het moment van levering gelegde beslagen moeten worden gerespecteerd, aangezien die vermogensbestanddelen niet onder het faillissementsbeslag vallen. Regel (b) staat aan het vorenstaande niet in de weg. Om die regel tot zijn recht te laten komen is voldoende dat, zolang tijdens of na afloop van het faillissement vermogensbestanddelen toebehorend aan de (voormalige) gefailleerde in Nederland aanwezig zijn, onvoldane schuldeisers zich daarop kunnen verhalen. (…)”

3.6.

Hebben de zojuist geciteerde passages een algemeen karakter, het hof wijst er tot goed begrip op dat het arrest van de Hoge Raad concreet betrekking heeft op de verkoop door de curator in het faillissement van Yukos Oil van de door Yukos Oil gehouden aandelen in Yukos Finance aan Promneftstroy. Waar de Hoge Raad (in overweging 3.3.2) opmerkt dat “twee andere tot het Yukos-concern behorende vennootschappen (bekend zijn), die beide al voor de levering door de curator van de aandelen in Yukos Finance (aan Promneftstroy; toevoeging hof) conservatoir beslag op die aandelen hebben gelegd”, heeft hij - naar tussen partijen op zichzelf niet ter discussie staat - het oog op Glendale en Yukos Capital. In het arrest gaat de Hoge Raad er, voorts, van uit dat Yukos Oil naar Russisch recht op 21 november 2007 is opgehouden te bestaan als gevolg van de inschrijving van de beëindiging van haar faillissement in het daartoe bestemde Russische register. In overweging 2.1 van het arrest verwijst de Hoge Raad immers naar overweging 3.1 van zijn arrest van 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012: BU5630, NJ 2012/424, waarop dit arrest voortbouwt en waarin dat als feitelijk uitgangspunt is vermeld.

3.7.

Hoewel zij (met grief 9) opkomt tegen het oordeel van de rechtbank (in overweging 4.6 onder e van de bestreden vonnissen) dat de inschrijving in het daartoe bestemde register van het Russische vonnis van 15 november 2007 waarbij het faillissement van Yukos Oil werd beëindigd “niets anders (is) dan de min of meer automatische administra-tieve afronding van de Russische faillissementsprocedure”, heeft Promneftstroy niet weten duidelijk te maken dat en waarom dat oordeel onjuist is. De enkele omstandigheid dat de verplichting tot inschrijving in het register van het vonnis tot beëindiging van het faillissement - welke inschrijving leidt tot de uitschrijving van de rechtspersoon en daarmee tot het ophouden te bestaan daarvan - is neergelegd in het Russische Burgerlijk Wetboek - is in dit verband onvoldoende, omdat het berust op de onjuiste veronderstelling dat de vraag of een regel behoort tot het faillissementsrecht afhangt van (de naam van) de wet waarin die regel is neergelegd. Waar het om gaat is dat Promneftstroy niet heeft betwist dat naar Russisch recht het vonnis waarbij het faillissement van een rechtspersoon wordt beëindigd noopt tot inschrijving door de curator van dat vonnis in het daartoe bestemde register en dat als gevolg daarvan die rechtspersoon ophoudt te bestaan. Daarmee is het ophouden te bestaan van Yukos Oil een rechtsgevolg van het Russische faillissementsrecht.

3.8.

Met haar betoog dat het al dan niet bestaan van Yukos Oil een vraag is van corporatierecht, dat op grond van zowel Nederlands internationaal privaatrecht als Europese verwijzingsregels te dezen het Russische corporatierecht toepasselijk is, dat daarmee vaststaat dat Yukos Oil is opgehouden te bestaan en dat tegen een niet bestaande rechtspersoon niet kan worden geprocedeerd noch daartegen een executoriale titel kan worden verkregen, beoogt Promneftstroy te bewerkstelligen dat de door Glendale en Yukos Capital gelegde beslagen als vervallen worden beschouwd, althans worden opgeheven, en daarmee tevens dat Glendale en Yukos Capital zich niet meer kunnen verhalen op vermogensbestanddelen van Yukos Oil. Nu echter - als onder 3.7 gezegd - ervan moet worden uitgegaan dat het niet meer bestaan van Yukos Oil een rechtsgevolg is van het Russische faillissementsrecht, beroept Promneftstroy zich aldus op rechtsgevol-gen die door het faillissementsrecht van de Russische Federatie aan een faillissement worden verbonden. Op grond van het onder 3.5 geciteerde arrest van de Hoge Raad is dat niet mogelijk (toegestaan), omdat dit ertoe zou leiden dat onvoldane crediteuren, Glendale en Yukos Capital, zich niet meer kunnen verhalen op in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen van Yukos Oil. Dit betekent dat Yukos Oil (in ieder geval) met het oog op (het verhaal voor) de onderhavige vorderingen van Glendale en Yukos Capital geacht moet worden (nog) te bestaan.

3.9.

Promneftstroy, die in dit geding als tussenkomende partij opkomt voor haar eigen belangen, kan zich er niet met vrucht op beroepen dat Yukos Oil niet de mogelijkheid heeft zich tegen de vorderingen van Glendale en Yukos Capital te verweren. Dat is immers een omstandigheid die haar niet regardeert, nog daargelaten dat deze stelling zich niet verdraagt met haar verweer dat Yukos Oil niet bestaat. Overigens kan Yukos Oil zich desgewenst, gezien de laatste volzin van overweging 3.8, wel tegen de vorderingen verweren, indien zij het door de rechtbank in de hoofdzaak tegen haar verleende verstek zuivert.

3.10.

Op grond van al het voorgaande heeft de rechtbank terecht de incidentele vorderin-gen van Promneftstroy afgewezen, reden waarom de bestreden vonnissen zullen worden bekrachtigd. De tegen de feiten gerichte grieven, als onder 2 vermeld, zullen bij gebrek aan belang onbesproken blijven. Dit geldt ook ten aanzien van de door de rechtbank besproken bijzondere omstandigheden: deze zijn niet redengevend voor de beslissing. Het bewijsaanbod van Promneftstroy wordt als niet ter zake dienend van de hand gewezen.

3.11.

Promneftstroy zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in beide zaken worden verwezen in de kosten van het hoger beroep.

3.12.

Omdat het hier om het hoger beroep van een tussenvonnis gaat, is dit arrest als een tussenarrest te beschouwen. Vanwege het principiële karakter van de zaak zal het hof bepalen dat van dit arrest reeds nu beroep in cassatie kan worden ingesteld.

4 Beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.119.549/01:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

verwijst Promneftstroy in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Yukos Capital gevallen en tot op heden begroot op € 683,= wegens vast recht en € 2.682,= wegens salaris van de advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de vijftiende dag na betekening van dit arrest;

bepaalt dat van dit arrest reeds nu beroep in cassatie kan worden ingesteld;

in de zaak met zaaknummer 200.119.551/01:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

verwijst Promneftstroy in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Glendale gevallen en tot op heden begroot op € 683,= wegens vast recht en € 2.682,= wegens salaris van de advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de vijftiende dag na betekening van dit arrest;

bepaalt dat van dit arrest reeds nu beroep in cassatie kan worden ingesteld.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, J.E. Molenaar en R.Tj. Terpstra en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 13 mei 2014.