Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1743

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
16-05-2014
Zaaknummer
200.139.385/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artikel 350, derde lid, Faillissementswet (Fw), controlerende taak bewindvoerder, niet opgeven van inkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrest

________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.139.385/01

insolventienummer rechtbank Amsterdam : C/13/10/652-R

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 februari 2014

in de zaak van:

[appellant],

wonend te [woonplaats],

advocaat: mr. J.A. van Gemeren te [vestigingsplaats].

1 Het geding in hoger beroep

Verzoeker wordt hierna [appellant] genoemd.

[appellant] is bij per fax op 24 december 2013 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2013, waarin de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] heeft beëindigd zonder hem de zogenoemde schone lei te verlenen.

Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 11 februari 2014. Bij die behandeling is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Van Gemeren voornoemd, die het verzoekschrift heeft toegelicht. Voorts is namens de bewindvoerder, mevrouw [Y.], verschenen.

Het hof heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, het verslag van de bewindvoerder van 4 februari 2014 en van de namens [appellant] op 7 februari 2014 nader overgelegde stukken. [appellant] heeft verklaard eveneens kennis te hebben genomen van de genoemde stukken.

2 Beoordeling

2.1.

[appellant], op wie vanaf 10 september 2010 de wettelijke schuldsanering van toepassing is, heeft in het verzoekschrift verzocht om het vonnis waarin de op hem toepasselijke schuldsaneringsregeling werd beëindigd zonder schone lei, te vernietigen en hem alsnog een schone lei te verlenen dan wel de termijn van de schuldsaneringsregeling te verlengen. Daartoe heeft [appellant] – samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – het volgende aangevoerd. [appellant] is van mening dat de gestelde tekortkomingen hem niet kunnen worden toegerekend. Ten aanzien van het niet voldoen aan zijn informatieverplichting heeft [appellant] ter zitting in hoger beroep aangegeven dat hij inmiddels de ontbrekende inkomensspecificaties over de maanden juni 2013 tot en met augustus 2013 aan de bewindvoerder heeft overgelegd. Verder betwist [appellant] dat hij bij restaurant [X.] zwart heeft gewerkt. Ten bewijze van zijn stelling heeft hij de bewindvoerder voorzien van de door [X.] verstrekte loonstroken betreffende het jaar 2013 en de jaaropgave 2012. Volgens [appellant] verricht hij sinds ongeveer twee á drie jaren op afroep werkzaamheden bij een kennis. Het aantal dagen dat hij werkt, fluctueert, maar veelal is dit slechts één keer per maand. Hij verdient hiermee een klein bedrag van ongeveer € 50,-- per maand. [appellant] heeft nooit de intentie gehad informatie achter te houden. Hij heeft de inkomsten niet gemeld, omdat het slechts om een geringe tegemoetkoming gaat, aldus steeds [appellant]. [appellant] maakt daarnaast bezwaar tegen de hoogte van de nieuw ontstane schuld aan het LBIO. [appellant] had geen draagkracht om aan zijn alimentatieverplichting te kunnen voldoen. [appellant] is van mening dat het ‘vrij te laten bedrag’ verhoogd had moeten worden als gevolg van zijn verplichting tot het betalen van alimentatie voor zijn twee minderjarige kinderen. Ten slotte vraagt [appellant] hem nog een laatste kans te geven. Daartoe verzoekt hij, voor het geval het hof hem niet aanstonds de schone lei verleent, de termijn van de schuldsaneringsregeling te verlengen. Nu [appellant] sinds augustus 2013 een contract voor onbepaalde tijd heeft voor tweeëndertig uur per week, zal hij zodoende een groter bedrag voor zijn schuldeisers kunnen sparen, aldus [appellant].

2.2.

Ter zitting in hoger beroep heeft de bewindvoerder in aanvulling op het verslag van 4 februari 2014 het volgende verklaard. De bewindvoerder heeft bevestigd dat [appellant] inmiddels, na de zitting in eerste aanleg, de ontbrekende inkomensspecificaties over de maanden juni 2013 tot en met augustus 2013 aan haar heeft doen toekomen. Verder heeft de bewindvoerder gesteld dat [appellant] daadwerkelijk werkt/heeft gewerkt en inkomen heeft genoten, waarvan [appellant] haar niet tijdig en niet uit eigener beweging in kennis heeft gesteld. Daarnaast is er volgens de bewindvoerder een nieuwe schuld aan het LBIO ontstaan van circa € 12.440,--. De bewindvoerder adviseert het vonnis van de rechtbank te bekrachtigen.

2.3.

Het hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat - zoals in het bijzonder blijkt uit artikel

350, derde lid, Fw - vergaande verplichtingen rusten op de schuldenaar op wie de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is. Deze verplichtingen vinden hun grond in de doelstelling van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Die komt erop neer dat natuurlijke personen die in een uitzichtloze financiële situatie terecht zijn gekomen, de kans moeten krijgen weer met een schone lei verder te gaan. Daar staat echter tegenover dat van de schuldenaar een actieve medewerking wordt verwacht aan de doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling.

2.4.

Het hof is van oordeel dat [appellant] verwijtbaar is tekort geschoten in de nakoming van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. [appellant] heeft de bewindvoerder niet van toereikende informatie voorzien omtrent zijn (financiële) situatie, waaronder zijn inkomen. Zo heeft hij pas na de zitting in eerste aanleg zijn inkomensspecificaties over de maanden juni 2013 tot en met augustus 2013 aan de bewindvoerder overgelegd. Voorts is voldoende komen vast te staan dat [appellant] de bewindvoerder niet uit eigener beweging heeft geïnformeerd over zijn inkomsten als afwasser bij restaurant [X.] te [plaats] De bewindvoerder heeft uit de beschikking van de rechtbank van [datum] inzake de alimentatieverplichting, welke zij pas in [datum] van [appellant] heeft ontvangen, moeten vernemen dat hij deze inkomsten genoot. Het niet opgeven van inkomsten aan de bewindvoerder acht het hof zeer laakbaar en indruisen tegen een elementaire regel van de schuldsanering, namelijk dat de saniet zijn inkomsten aan de bewindvoerder bekend maakt. Dat het gaat om – naar [appellant] heeft verklaard - geringe inkomsten doet aan het voorgaande niet af. Van [appellant] mocht in het kader van de schuldsaneringsregeling immers worden gevergd dat hij uit eigener beweging alle relevante informatie omtrent zijn situatie aan de bewindvoerder zou opgeven teneinde een effectieve uitvoering van deze regeling te bewerkstelligen.

2.5.

De omstandigheid dat [appellant] inmiddels wel informatie aan de bewindvoerder heeft verschaft, leidt niet tot een ander oordeel. [appellant] heeft immers veel te laat aan de informatieverplichting voldaan, zo heeft hij pas na te zijn opgeroepen voor de beëindigingszitting de door [X.] verstrekte loonstroken betreffende het jaar 2013 en de jaaropgave 2012 aan de bewindvoerder overgelegd. Niet is aannemelijk geworden dat [appellant] de bewindvoerder niet eerder van zijn werkzaamheden en de daaruit gegenereerde inkomsten op de hoogte had kunnen stellen. [appellant] had moeten begrijpen dat, doordat hij van de - gedurende een lange periode verrichte - werkzaamheden en van de daaruit verkregen inkomsten geen melding maakte aan de bewindvoerder, het voor de bewindvoerder ook niet mogelijk was omtrent die werkzaamheden met hem afspraken te maken en daarop controle uit te oefenen. Er bestaat daarom grote – aan de [appellant] toe te rekenen – onduidelijkheid omtrent de omvang van de verrichte werkzaamheden en van de door de [appellant] verkregen inkomsten. De (enkele) door [X.] verstrekte loonstroken betreffende het jaar 2013 en de jaaropgave 2012, kunnen daarin geen, althans onvoldoende, wijziging brengen. Niet alleen ontbreekt, nu uit de door [appellant] overgelegde loonstroken blijkt dat [appellant] reeds vanaf oktober 2009 werkzaamheden verricht in dienst van [X.], de informatie over de jaren 2010 en 2011, ook ontbreekt iedere specificatie van tijdstip en omvang van de werkzaamheden en daarmee het noodzakelijke houvast om tot een juiste en verantwoorde vaststelling van een en ander te komen.

2.6.

Het vorenstaande is door de rechtbank terecht als een zodanig ernstige tekortkoming aangemerkt dat de schuldsanering zonder het verstrekken van een zogenoemde “schone lei” dient te eindigen. Ook een verlenging acht het hof in de gegeven omstandigheden niet aangewezen. Gevolg hiervan is dat het verweer ten aanzien van de hoogte van de nieuwe schuld aan het LBIO geen behandeling meer behoeft en dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Visser, M.M.M. Tillema en H.J.M. Boukema en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.