Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1737

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-02-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
200.138.539-01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Faillissementswet (Fw), CJIB, gijzeling, artikel 288, derde lid, Fw, enkele omstandigheid dat appellant auto niet meer in het bezit heeft, is niet afdoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.138.539/01

rekestnummer rechtbank Amsterdam : C/13/551622 / FT RK 13/2316

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 11 februari 2014

in de zaak van:

[appellant],

wonende te[woonplaats],

advocaat: mr. S. Mahabier, te [vestigingsplaats].

1 Het geding in hoger beroep

Verzoeker wordt hierna [appellant] genoemd.

[appellant] is bij per fax op 10 december 2013 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 december 2013, waarbij het verzoek van [appellant] om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is afgewezen.

Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 4 februari 2014. Bij die behandeling is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Mahabier voornoemd, die het verzoekschrift mondeling heeft toegelicht.

Het hof heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg en de namens [appellant] op 31 december 2013, 20 januari 2014 en 3 en 7 februari 2014 nader overgelegde stukken. [appellant] heeft verklaard eveneens kennis te hebben genomen van de genoemde stukken.

2 Beoordeling

2.1.

De rechtbank heeft het verzoek van [appellant] om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen, omdat [appellant] niet te goeder trouw is geweest met betrekking tot de bij het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) openstaande boetes voor een totaalbedrag van € 3.249,--.

2.2.

[appellant] heeft verzocht om alsnog tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te worden toegelaten en daartoe – samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – het volgende aangevoerd. De schulden van [appellant] zijn ontstaan in 2006, toen hij werd ontslagen en daardoor zijn vaste lasten niet meer kon voldoen. [appellant] heeft zijn huis noodgedwongen met groot verlies moeten verkopen. Omdat [appellant] na verlies van zijn baan via uitzendbureaus werkte en het werk meestal buiten Amsterdam plaatsvond, had [appellant] een auto nodig om op zijn werk te komen. Doordat er loonbeslag was gelegd op zijn inkomen, kon [appellant] bepaalde kosten niet voldoen en ontstonden er schulden bij het CJIB met betrekking tot zijn auto. De auto is in 2012 in beslag genomen door de politie en vernietigd verklaard. Met betrekking tot de hoogte van de bij het CJIB openstaande boetes heeft [appellant] naar voren gebracht dat hij in de periode van […] tot en met […] vervangende detentie heeft ondergaan waardoor nog slechts een totale schuld aan het CJIB van € 431,-- resteert. Nu de schuld aan het CJIB minder dan € 500,-- bedraagt, kan deze niet meer aan zijn toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in de weg staan, aldus steeds [appellant].

2.3.

Voorts heeft [appellant] aangevoerd dat hij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen, nu hij de auto reeds geruime tijd niet meer in zijn bezit heeft en er derhalve met betrekking tot deze auto geen nieuwe schulden meer kunnen ontstaan.

2.4.

Uit artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Faillissementswet (Fw) vloeit voort dat een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts wordt toegewezen als de schuldenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. [appellant] heeft in de vijf jaar voorafgaande aan de dag van indiening van het inleidende verzoekschrift (onder meer) een schuld aan het CJIB laten ontstaan. Deze schuld bedroeg ten tijde van de zitting in eerste aanleg € 3.249,--. Blijkens het laatst door [appellant] overgelegd overzicht van het CJIB van 9 januari 2014 bedraagt deze schuld thans € 1.715,25. De CJIB-schuld betreft boetes in verband met het rijden met een onverzekerde auto, het rijden zonder geldig vervoersbewijs, het niet bezitten van het voor het voertuig vereiste keuringsbewijs en het overschrijden van de maximumsnelheid. Gelet op de aard en omschrijving van de diverse boetes is [appellant] niet te goeder trouw ten aanzien van het ontstaan van de CJIB-schuld, terwijl deze schuld gezien de hoogte - mede gelet op bijlage IV van het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken houdende landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling onder 5.4.4 - substantieel is.

2.5.

Ter zitting in hoger beroep heeft [appellant] aangevoerd dat hij met betrekking tot twee bij het CJIB openstaande boetes, ter hoogte van € 1.140,-- onderscheidenlijk

€ 144,--, in de periode van […] tot […] vervangende detentie heeft ondergaan, waardoor de betreffende boetes zijn voldaan en daarmee nog slechts een schuld van € 431,-- aan CJIB-schulden resteert. De stukken die [appellant] op 4 februari 2014 ter onderbouwing van zijn standpunt aan het hof heeft overgelegd, acht het hof evenwel niet afdoende, nu daaruit niet genoegzaam blijkt dat beide boetes zijn voldaan en de schuld aan het CJIB daardoor thans minder dan € 500,-- zou bedragen. Ter zitting in hoger beroep heeft het hof [appellant] daarom in de gelegenheid gesteld om uiterlijk vrijdag 7 februari 2014 bewijs te overleggen van zijn stelling dat de schuld aan het CJIB thans minder dan € 500,-- bedraagt.

2.6.

Bij per fax op 7 februari 2014 nader overgelegde stukken heeft [appellant] een drietal brieven van de politie Amsterdam overgelegd. Ook uit deze stukken blijkt niet dat de schuld aan het CJIB thans minder dan € 500,-- bedraagt, zoals door [appellant] ter zitting in hoger beroep is betoogd. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de door [appellant] op 7 februari 2014 overgelegde stukken geenszins dat in de periode van […] tot en met […] sprake is geweest van vervangende detentie. Op grond van de brieven van de politie Amsterdam acht het hof veeleer aannemelijk dat [appellant] in de periode van […] tot en met […] gegijzeld is geweest teneinde hem te bewegen tot betaling van de openstaande boetes. Dat sprake is geweest van gijzeling staat immers met zoveel woorden vermeld in voornoemde brieven van de politie. Daarbij komt dat de raadsvrouw van [appellant] - blijkens de door haar gegeven toelichting bij de stukken - bij het CJIB telefonisch heeft nagevraagd of de twee boetes zijn betaald/kwijtgescholden vanwege de door [appellant] ondergane detentie waarop de desbetreffende medewerker van het CJIB heeft aangegeven dat daarover niets in het systeem staat en dat een boete normaliter open blijft staan na detentie/gijzeling. Op grond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de schuld aan het CJIB thans minder bedraagt dan € 500,--. Uitgaande van de verklaring van [appellant] ter zitting van 4 februari 2014 dat hij na 9 januari 2014 niets heeft betaald op de onderhavige CJIB-boetes moet het ervoor worden gehouden dat de CJIB-schuld thans nog steeds

€ 1.715,25 bedraagt. Gelet op het onder 2.4 overwogene staat deze CJIB-schuld aan toelating van [appellant] tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in de weg.

2.7.

Dat [appellant] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen, als bedoeld in artikel 288, derde lid, Fw, heeft hij naar het oordeel van het hof evenmin voldoende aannemelijk gemaakt. [appellant] heeft zijn beroep op de in voornoemd artikel neergelegde hardheidsclausule onvoldoende onderbouwd. De enkele omstandigheid dat hij zijn auto niet langer in bezit heeft, is daarvoor niet afdoende. Niet is gebleken dat de situatie van [appellant] thans zodanig is gestabiliseerd dat op grond daarvan nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen gewaarborgd is. [appellant], die in de periode van […] tot en met […] (een dag voor de behandeling van het onderhavige beroep) gedetineerd heeft gezeten, heeft nog niet voldoende blijk gegeven van een zekere (persoonlijke) ontwikkeling die laat zien dat hij de situatie die hem in financiële problemen heeft gebracht thans onder controle heeft.

2.8.

Gelet op het voorgaande dient het vonnis waarvan beroep te worden bekrachtigd.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, D. Kingma, H.J.M. Boukema en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.