Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:171

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-01-2014
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
200.130.167-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Publicatie op Quotenet die appellant onrechtmatig acht. Schadevergoeding terecht afgewezen in eerste aanleg, reeds omdat niet annemelijk is dat schade is geleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.130.167/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : KK 13-645

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 januari 2014

inzake

[APPELLANT] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. J. Frissen te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HEARST MAGAZINES NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Hearst genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 5 juli 2013 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 10 juni 2013, in kort geding gewezen tussen [appellant] als eiser en Hearst als gedaagde. De dagvaarding bevat de gronden van het hoger beroep.

Op de dienende dag heeft [appellant] geconcludeerd overeenkomstig voormeld exploot.

Hearst heeft daarna een memorie van antwoord, met producties, ingediend.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de vorderingen van [appellant] alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Hearst in de proceskosten in beide instanties.

Hearst heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1. tot en met 1.6. de feiten opgesomd die hij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Zij komen neer op het volgende.

a. Hearst is eigenaresse van de domeinnaam Quotenet en exploiteert onder die naam een site, waarop zij door haar journalisten geschreven artikelen publiceert.

b. Op 3 april 2013 stond op deze site het navolgende artikel van de journalist

[X] van Hearst:

“[appellant] HOEFT NIET DE CEL IN VANWEGE TE HARD RIJDEN

Juridisch adviseur en snelheidsduivel [appellant], broer van [Y], hoeft niet de cel in wegens te hard rijden. Dat heeft het gerechtshof Den Haag besloten.

Op 31 augustus 2011 scheurde [appellant] door Den Haag. Daarbij overschreed hij ruim de maximumsnelheid. Toen het OM een boete van € 310,- wilde opleggen, zat [appellant] in de gevangenis in Zoetermeer. Op het moment dat de envelop met boete in Zoetermeer aankwam, was hij echter alweer vrijgelaten. In plaats van het op een ander adres te proberen, heeft de officier van justitie [appellant] daarop direct gedagvaard.

In eerste aanleg werd [appellant] door de kantonrechter ook vanwege zijn forse strafblad veroordeeld tot tien dagen cel en zes maanden rijontzegging. Maar in hoger beroep verklaarde het gerechtshof Den Haag het OM niet ontvankelijk. De officier had eerst moeten trachten [appellant] op een ander adres te bereiken in plaats van hem direct te dagvaarden, zo oordeelde het hof. Zo komt [appellant] er met een boete van € 310,- vanaf. Dat meldt de website Andereverhalenuitderechtbank.nl .

In een andere zaak over een andere snelheidsovertreding werd [appellant] veroordeeld tot tachtig uur werkstraf en acht maanden voorwaardelijke gevangenisstraf.

[appellant] wordt nog altijd beschuldigd van paulianeus handelen door de curator van zijn failliete [A]”

c. Bij e-mailbericht van 7 april 2013 heeft [appellant] [Z], als hoofdredactrice van Quote verbonden aan Hearst, verzocht en voor zoveel nodig gesommeerd om binnen drie dagen voormeld artikel te rectificeren en aan hem schadevergoeding te betalen.

d. Bij e-mailbericht van 9 april 2013 te 10.26 uur heeft [B], als adjunct-hoofdredacteur van Quote verbonden aan Hearst, aan [appellant] laten weten dat het bewuste artikel zou worden verwijderd, hetgeen diezelfde dag nog is geschied.

e. Op 10 april 2013 heeft Hearst op haar site Quotenet de volgende rectificatie geplaatst:

“RECTIFICATIE: [appellant] ZAT NIET VAST IN ZOETERMEER

Afgelopen week publiceerden we het bericht dat het gerechtshof in Den Haag het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk verklaarde in een zaak waarin jurist [appellant] wegens te hard rijden tien dagen cel en zes maanden rijontzegging opgelegd zou hebben gekregen. In dit artikel dat we baseerden op een stuk op de site andereverhalenuitderechtbank.nl, is onder andere abusievelijk gemeld dat de jurist enige tijd vast zat in de penitentiaire inrichting in Zoetermeer.

Op het moment dat er – onder andere na contact met [appellant] – twijfel over de juistheid van dit bericht ontstond, hebben we het direct van onze site verwijderd. Inmiddels blijkt er inderdaad sprake van een zeer vervelend misverstand. Het vonnis van het gerechtshof blijkt namelijk niet op [appellant] betrekking te hebben. We betreuren dit ten zeerste en bieden hem onze excuses aan.

De hoofdredactie

Door Redactie Quote”

f. [appellant] is werkzaam als algemeen jurist en belastingjurist en is in het verleden werkzaam geweest als advocaat.

3 Beoordeling

3.1

In eerste aanleg heeft [appellant] gevorderd dat de kantonrechter als onmid-dellijke voorziening bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Hearst zou veroordelen tot betaling binnen twee dagen na betekening van het vonnis, van een voorschot van

€ 9.200,= op de door hem te vorderen materiële schadevergoeding en een voorschot van € 10.000,= op de door hem te vorderen immateriële schadevergoeding, alles met veroordeling van Hearst in de proceskosten. Aan deze vordering legde [appellant], kort gezegd, ten grondslag dat Hearst door de publicatie van het onder 2 (b) geciteerde artikel onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en dat hij als gevolg daarvan schade tot (tenminste) de gevorderde bedragen heeft geleden. Hearst heeft tegen de vordering verweer gevoerd. De kantonrechter heeft bij het bestreden vonnis de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten onder uitvoerbaar bij voorraadverklaring van laatstgenoemde veroordeling.

3.2.

Met grief 1 bestrijdt [appellant] het oordeel van de kantonrechter dat in het midden kan blijven of relevant is dat Hearst via haar journalist [X] het artikel heeft ontleend aan een artikel van een gerenommeerd journalist en of dit haar ontsloeg van de verplichting zelf onderzoek te doen en hoor en wederhoor toe te passen. Volgens [appellant] had Hearst onderzoek moeten doen naar de juistheid van de inhoud van het artikel en daarbij hoor en wederhoor moeten toepassen alvorens dit op haar site te plaatsen. Door dit na te laten heeft Quotenet onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig gehandeld jegens [appellant]. Het naderhand rectificeren van het artikel moet worden beschouwd als een maatregel om de uit deze onrechtmatigheid voortvloeiende schade te beperken maar doet aan de onrechtmatigheid op zichzelf niet af, aldus [appellant].

3.3.

Grief 2 strekt ten betoge dat [appellant] door de publicatie van het artikel schade heeft geleden, zowel materieel als immaterieel, en dat deze schade voor vergoeding in aanmerking komt. [appellant] bestrijdt het oordeel van de kantonrechter dat met het verwijderen van het artikel en de rectificatie, Hearst eventuele door [appellant] geleden schade afdoende vergoed heeft. De materiële schade bestaat volgens hem hierin dat het aantal cliënten van zijn juristenpraktijk sedertdien drastisch is teruggelopen. Ook heeft hij tijd moeten besteden aan deze zaak welke tijd hij niet heeft kunnen besteden aan het maken van declarabele uren in zijn praktijk. Wat betreft de immateriële schade stelt [appellant] dat hij weliswaar niet van onbesproken gedrag is maar dat juist hij daarom er alle belang bij heeft dat zijn in de laatste jaren opgebouwde reputatie niet wordt aangetast. Door het publiceren van het artikel is dit wel geschied hetgeen een directe invloed heeft op zijn levenssfeer. Dit laatste uit zich bijvoorbeeld op de school van zijn kinderen waar hij naar aanleiding van de publicatie veel scheve gezichten heeft gezien en de kinderen voorwerp van hoon en spot zijn geweest met opmerkingen als “je vader is een bajesklant haha” hetgeen tot stress en geestelijke onrust heeft geleid. In verband met het voorgaande vordert [appellant] in dit geding een voorschot op schadevergoeding.

3.4.

Bij de beoordeling staat voorop dat aan de redactie van Quotenet in beginsel, binnen de wettelijke kaders, de vrijheid toekomt om artikelen te plaatsen en de inhoud daarvan te bepalen. Daartegenover staat het recht van [appellant] op bescherming van zijn eer en goede naam. In deze zaak gaat het erom of Quotenet onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld door plaatsing van het genoemde artikel op haar website en of [appellant] ten gevolge daarvan schade heeft geleden. Voor het toewijzen van een voorschot op schadevergoeding als gevorderd dient voorshands aannemelijk te zijn dat de publicatie heeft geleid tot schade.

3.5.

Tegenover de gemotiveerde betwisting door Hearst heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat hij ten gevolge van de publicatie schade heeft geleden als door hem gesteld. Wat betreft materiële schade heeft hij weliswaar gesteld dat cliënten van zijn praktijk zijn vertrokken of zijn weggebleven maar zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt niet zonder meer in te zien dat zulks is geschied doordat hij in het artikel een snelheidsduivel is genoemd en dat daarin staat dat hij een aantal dagen heeft vastgezeten. Ook met de overgelegde verklaring van de telefoniste van zijn juristenpraktijk, [C], wordt dit causale verband niet aannemelijk gemaakt. Zij verklaart weliswaar dat zij een aantal telefoontjes heeft gekregen van cliënten die de relatie met [appellant] wilden beëindigen, maar niet welke redengeving daaraan door hen ten grondslag is gelegd, in het bijzonder of deze reden iets met het gewraakte artikel van doen heeft. Aan de verklaring van de office manager [D] – die de levenspartner is van [appellant] – moet in dit verband onvoldoende gewicht worden toegekend nu enerzijds haar verklaring slechts berust op horen zeggen en anderzijds – zoals uit het voorgaande volgt – haar verklaring omtrent de redengeving die door de betreffende cliënten aan hun wens ten grondslag zou zijn gelegd, niet wordt bevestigd door de verklaring van Hatimi voornoemd. Met betrekking tot immateriële schade overweegt het hof dat [appellant] vaker negatief in het nieuws is verschenen en – zoals hij zelf ook erkent – niet van onbesproken gedrag is. Tegen die achtergrond heeft hij ook zijn stelling dat zijn reputatie door het artikel is aangetast en hij deswege immateriële schade heeft geleden onvoldoende onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

3.6.

Uit het voorgaande volgt dat grief 2 faalt en dat reeds hierom de vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt. Bij die stand van zaken behoeft grief 1 geen bespreking. Het bewijsaanbod van [appellant] wordt verworpen omdat voor bewijslevering in dit kort geding geen plaats is.

3.7.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Hearst begroot op € 1.862,= aan verschotten en € 894,= voor salaris van de advocaat;

verklaart bovenstaande kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, L.A.J. Dun en M.L.D. Akkaya, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2014.