Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1619

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-05-2014
Datum publicatie
07-05-2014
Zaaknummer
200.128.546-01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De notaris heeft niet klachtwaardig gehandeld ten aanzien van een executieveiling.

Wetsverwijzingen
Wet op het notarisambt
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.128.546/01 NOT

nummer eerste aanleg : 13-07

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 6 mei 2014

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Falaste B.V.,

gevestigd te[vestigingsplaats 1],

appellante,

gemachtigde: mr. A.P. van Knippenbergh, advocaat te Best,

tegen:

[notaris]

notaris te [vestigingsplaats 2],

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Van de zijde van appellante (hierna: klaagster) is bij een op 14 juni 2013 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift – met bijlagen – tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag (hierna: de kamer) van 15 mei 2013, waarbij de klacht van klaagster tegen de notaris ongegrond is verklaard. Op 14 juni 2013 is tevens een aanvullend beroepschrift ontvangen.

1.2.

Van de zijde van de notaris is op 4 juli 2013 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.3.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 20 februari 2014. Klaagster werd ter zitting vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger]en bijgestaan door haar gemachtigde. Ook de notaris is verschenen. De vertegenwoordiger van klaagster, klaagsters gemachtigde en de notaris hebben het woord gevoerd, de vertegenwoordiger van klaagster aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2 De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

3.1.

Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende.

3.1.1.

De notaris heeft in 2009 een overeenkomst opgesteld betreffende de verkoop van het woonhuis met bedrijfsruimten en verdere aanhorigheden gelegen aan [adres] (hierna: het woonhuis cs) door de heer [A] [A] (hierna: [A]) aan klaagster.

3.1.2.

Op 17 december 2010 is [A] overleden.

3.1.3.

Op 3 oktober 2012 heeft de notaris in opdracht van de voormalige echtgenote van [A] een executieveiling georganiseerd met betrekking tot het woonhuis cs.

4 Het standpunt van klaagster

4.1.

De klacht bestaat uit twee onderdelen.

4.1.1.

In de eerste plaats verwijt klaagster de notaris dat hij ten onrechte zijn medewerking heeft verleend aan de executieveiling. Volgens klaagster is de koopovereenkomst op 25 maart 2009 door partijen in het bijzijn van de notaris op diens kantoor ondertekend, zodat de notaris ervan op de hoogte was dat het woonhuis cs verkocht was aan klaagster. Voorts voert klaagster aan dat de voormalige echtgenote van [A] geen vordering meer had op [A] en dientengevolge geen recht van hypotheek kon doen gelden op het woonhuis cs. Klaagster stelt dat de notaris daarvan op de hoogte was dan wel had moeten zijn.

4.1.2.

Daarnaast verwijt klaagster de notaris dat deze ten onrechte heeft geweigerd mee te werken aan haar verzoek de getekende koopovereenkomst in de openbare registers in te schrijven.

5 Het standpunt van de notaris

De notaris heeft verweer gevoerd, waarop het hof in zijn beoordeling (voor zover van belang) nader zal ingaan.

6 De beoordeling

6.1.

Ter beoordeling ligt de vraag voor of de notaris heeft gehandeld in strijd met de tuchtnorm zoals geformuleerd in artikel 98 (oud) Wet op het notarisambt.

De executieveiling

6.2.

De notaris heeft uiteengezet dat de gang van zaken met betrekking tot de koopovereenkomst in zijn visie als volgt is geweest. De koopovereenkomst is in augustus 2009 door een medewerker van de notaris opgesteld in opdracht van de bij de verkoop van het woonhuis cs betrokken makelaar. De contacten tussen die medewerker en partijen bij de verkoop verliepen uitsluitend via de makelaar en niet direct tussen de medewerker en partijen. De koopovereenkomst is door de medewerker aan de makelaar toegezonden om te laten ondertekenen door partijen. Toen de medewerker, ook na navraag bij de makelaar, geen ondertekend exemplaar van de koopovereenkomst retour ontving, heeft deze het dossier gearchiveerd, aldus nog steeds de notaris. De betrokkenheid van de makelaar blijkt volgens de notaris uit de in de koopovereenkomst opgenomen courtageclausule en uit een door hem in het geding gebrachte brief van 28 augustus 2009 van zijn medewerker aan de makelaar met betrekking tot de koopovereenkomst. Daarnaast volgt volgens de notaris uit de datering van voornoemde brief, alsmede uit een door hem overgelegde uitdraai van de kantooragenda, dat - anders dan klaagster betoogt - de koopovereenkomst niet op 25 maart 2009 door partijen op zijn kantoor is ondertekend.

6.3.

Tegenover deze gemotiveerde uiteenzetting van de notaris heeft klaagster naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de notaris bij gelegenheid van het aanvaarden van de opdracht tot het organiseren van de executieveiling beschikte over een getekende koopovereenkomst, dan wel anderszins rekening moest houden met het bestaan van een rechtsgeldig tot stand gekomen koopovereenkomst met betrekking tot het woonhuis cs. Bij die stand van zaken bestond voor de notaris geen reden om zijn medewerking aan het organiseren van de executieveiling te weigeren, nu hij er gezien de gang van zaken vanuit mocht gaan dat de vooromschreven koopovereenkomst niet tot stand was gekomen.

6.4.

Daargelaten dat klaagster geen belang meer heeft bij haar tweede klachtonderdeel nu niet is gebleken dat zij enige rechtsvordering met betrekking tot het woonhuis cs heeft, heeft de notaris ten aanzien van het bestaan van het hypotheekrecht van de voormalige echtgenote aangevoerd dat daarvan blijkt uit de hypotheekakte van 9 augustus 2005, dat klaagster het hypotheekrecht uitdrukkelijk heeft erkend in haar brief van 5 juli 2012 en dat het bestaan van de vordering hem door twee advocaten is bevestigd. Klaagster heeft daar tegenover onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de voormalig echtgenote geen hypotheekrecht meer kon doen gelden op het woonhuis cs en dat de notaris daarvan op de hoogte was of moest zijn. Ook in dit opzicht bestond er voor de notaris geen aanleiding om niet mee te werken aan de executieveiling.

Uit het voorgaande vloeit voort dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de notaris ten aanzien van de executieveiling klachtwaardig heeft gehandeld.

De inschrijving van de koopovereenkomst

6.5.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient er vanuit te worden gegaan dat de notaris eerst na het aanvaarden van de opdracht tot het organiseren van de executieveiling geconfronteerd is met het bestaan van de getekende koopovereenkomst met betrekking tot het woonhuis cs. Aangezien de opdracht van klaagster tot inschrijving van de koopovereenkomst in de openbare registers niet verenigbaar was met de door de notaris aanvaarde opdracht tot organiseren van de executieveilingveiling, heeft de notaris op goede gronden de eerstgenoemde opdracht kunnen weigeren. De notaris heeft dan ook niet laakbaar gehandeld door klaagster voor de inschrijving te verwijzen naar een andere notaris.

Slotsom

6.6.

De klacht is ongegrond. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan onbesproken blijven omdat het niet kan leiden tot een andere beslissing.

7 De beslissing

Het hof:

- bevestigt de bestreden beslissing.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, A.H.N. Stollenwerck en G. Kleykamp-van der Ben en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 6 mei 2014 door de rolraadsheer.