Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1606

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
12/00622
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2012:2196, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:109
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende koopt een woning van de projectontwikkelaar voor de in de koopovereenkomst vastgelegde koopsom minus een voorwaardelijke korting van 15%. Hof oordeelt dat deze kortingsregeling onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van een samenstel van afspraken die betrekking hebben op de aankoop(prijs) van de woning.

Wetsverwijzingen
Wet waardering onroerende zaken 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2014/304 met annotatie van F.J.H.L. Makkinga
V-N Vandaag 2014/1041
FutD 2014-1270
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 12/00622

1 mei 2014

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z], belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 12/668 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Bloemendaal,

de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 29 september 2011 op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak bekend als [ADRES] te[woonplaats] (hierna: de woning) op de waardepeildatum 1 januari 2010 voor het jaar 2011 vastgesteld op € 1.232.000 (hierna: de WOZ-beschikking). In hetzelfde geschrift is ook de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het belastingjaar 2012 bekend gemaakt.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 28 december 2011, de bij beschikking vastgestelde waarde en de aanslag onroerendezaakbelastingen gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 18 juli 2012 heeft de rechtbank Haarlem het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de voor de woning vastgestelde waarde verminderd tot € 1.150.000 en de aanslag onroerendezaakbelastingen dienovereenkomstig verminderd.

1.4.

Het door belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 27 augustus 2012, aangevuld bij brief van 21 september 2012. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2014. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift met deze uitspraak is meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in de onderdelen 2, 3 en 5 van haar uitspraak (waarin belanghebbende is aangeduid als ‘eiser’, de heffingsambtenaar als ‘verweerder’) de navolgende feiten vastgesteld:

“2. Eiser is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woning.

3. De woning is een twee-onder-één-kapwoning uit bouwjaar 2010 met inpandige garage. De inhoud van de woning is door verweerder gesteld op ongeveer 893 m3 en de inhoud van de kelder op 52 m3. De oppervlakte van het perceel is 469 m2.

(…)

5. Uit de door eiser overgelegde uitspraak van de civiele kamer van deze rechtbank blijkt dat aan kopers van woningen in[plaats] in de loop van 2010 een korting van 10% op de v.o.n.-prijs is verleend vermeerderd met een nominale korting van 15%, welke nominale korting bij doorverkoop van de woning aan[plaats] moet worden terugbetaald. Als sprake is van een positieve waardeontwikkeling dient de nominale korting vermeerderd met 30% aan[plaats] te worden terugbetaald. Als sprake is van een negatieve waardeontwikkeling neemt[plaats] 50% daarvan voor haar rekening. Niet in geschil is dat eiser de woning in november 2010 heeft gekocht voor het in de koopovereenkomst genoemde bedrag van € 1.165.000 v.o.n. Dit bedrag is inclusief een onvoorwaardelijke korting van 10% en inclusief BTW. Eiser heeft uiteindelijk € 990.000 voor de woning betaald.”

2.2.

In hoger beroep zijn tegen deze feitenvaststelling geen bezwaren aangevoerd, behoudens dat de nominale (voorwaardelijke) korting van 15% een bedrag van € 174.750 beliep, zodat voor de woning niet € 990.000 maar € 990.250 is betaald. Met inachtneming van deze rechtzetting neemt het Hof de feitenvaststelling van de rechtbank over. Het Hof voegt hieraan op grond van het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank nog toe dat de koopovereenkomst is gesloten op 29 november 2010 en dat de voormelde kortingsregelingen van 10% onvoorwaardelijk en 15% voorwaardelijk onderdeel zijn van die koopovereenkomst. De korting van 15% vervalt bij een positieve waardeontwikkeling. Dit begrip ‘waardeontwikkeling’ (zoals ook door de rechtbank onder 5 van haar uitspraak gehanteerd) is te relateren aan de feitelijk door belanghebbende betaalde koopprijs.

2.3.

In zijn uitspraak van 5 september 2013, nr. 12/00546, heeft het Hof geoordeeld over de WOZ-waarde van een woning die tot hetzelfde nieuwbouwproject behoort. In die zaak zijn de volgende feiten vastgesteld.

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten onder de ‘Gronden’ opgenomen (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):

1. Verweerder heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet WOZ met dagtekening 30 juni 2011 de waarde van de woning voor het kalenderjaar 2011 vastgesteld op € 1.360.000. In hetzelfde geschrift is ook de aanslag onroerende-zaakbelastingen 2011 bekend gemaakt.

2. Eiser is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woning.

3. De woning is een twee-onder-één-kapwoning uit bouwjaar 2010 met inpandige garage en kelder. De inhoud van de woning is ongeveer 804 m³, de inhoud van de kelder is 52 m³ en de oppervlakte van het perceel is 720 m².

4. Eiser heeft in december 2008 een bedrag van € 1.375.000 v.o.n. voor de woning betaald.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan en voegt daaraan nog het volgende toe.

2.2.

De woning van belanghebbende is gelegen in[plaats] te[woonplaats]. [De locatie] kent meerdere woongebieden; belanghebbendes woning is gelegen in het gebied[A]. In[A] zijn circa 63 luxe eengezinswoningen (verschillende types waaronder - tenminste 8 - met belanghebbendes woning vergelijkbare woningen) gerealiseerd door projectontwikkelaar[plaats] CV. De (nog te bouwen) woning stond te koop voor € 1.375.000. In december 2008 sloot belanghebbende een koop-/aannemingsovereenkomst. In 2010 is de woning opgeleverd. Belanghebbende behoort tot een groep van zes personen die als eersten een woning hebben gekocht deel uitmakend van[A].

2.3.

In 2009 en 2010 zijn nog verschillende afgebouwde woningen (waaronder met belanghebbendes woning vergelijkbare woningen) gelegen in[A] niet verkocht.

2.4.

Tot de gedingstukken behoort een op 31 mei 2010 getekende vaststellingsovereenkomst waarin als partijen[plaats] Beheer BV (beherend vennoot van[plaats] CV) en (onder meer) belanghebbende (aangeduid als één van de Kopers) zijn opgenomen. In deze overeenkomst is, samengevat, opgenomen dat:

-[plaats] in december 2008 aan Kopers een brief heeft gezonden waarin wordt gesteld dat de V.O.N.-prijzen van woningen in[A] marktconform zijn en niet zullen worden verlaagd;

- Kopers stellen, dat in afwijking van hetgeen in voormelde brief was opgenomen, dat door latere kopers die eveneens een woning hebben gekocht in[A] kortingen zijn ontvangen bij of in verband met de aankoop;

- Kopers derhalve hierdoor zijn benadeeld en hiervoor compensatie willen;

-[plaats] het standpunt van Kopers weerspreekt daarbij stellende dat voor zover zij latere kopers al voordelen heeft gegund deze niet bestonden in verlaging van de V.O.N.-prijs en dat het verlenen van andersoortige kortingen aan latere kopers haar vrijstond;

- ter afdoening van het geschil[plaats] aan Kopers tot een bedrag van ten hoogste

€ 35.000 (incl. btw) de kosten verbonden aan de uitvoering van de (bouw)werkzaamheden in, aan of rondom de woning van Kopers vergoedt;

- Kopers ermee instemmen dat eventuele verplichtingen van[plaats] jegens Kopers om de V.O.N.-prijs niet te verlagen met terugwerkende kracht komen te vervallen. Kopers bevestigen dat[plaats] vrij is om (potentiële) nieuwe kopers van woningen in[A] op enige wijze kortingen of andere prijsvoordelen te gunnen bij of in verband met de aankoop van een woning.

In het kader van deze overeenkomst heeft belanghebbende op zijn aankoopprijs een korting van € 40.000 ontvangen. Inclusief een extra korting van € 35.000 die belanghebbende daarnaast heeft genoten, heeft hij uiteindelijk (€ 1.375000 -/- € 40.000 -/- € 35.000 =) € 1.300.000 voor de woning betaald.

2.5.

Tot de gedingstukken behoort een op 5 november 2010 gedateerd (ongericht) schrijven van[plaats] CV. Hierin is, voorzover van belang, opgenomen:

“NU TIJDELIJK 25% KORTING OP GESCHAKELDE VILLA’S IN WOONGEBIED[A] OP[plaats]!

Indien u vóór 31 december 2010 een koop-aanneemovereenkomst tekent voor een woning in[A], biedt[plaats] op een aantal woningen een eenmalige korting op de V.O.N.-prijs en daarnaast een aanvullende kortingsregeling. (…) De regeling wordt door[plaats] per direct geïntroduceerd om de gebouwde maar nog onverkochte woningen nog voor het einde van [2010] te verkopen. […]

Wat houdt de regeling in?

De prijzen van de gebouwde onverkochte woningen worden tijdelijk en onvoorwaardelijk met zo’n 10% verlaagd. Over het resterende bedrag ontvangt u nog eens een nominale korting van 15%. Deze korting van 25% hoeft u dus niet te financieren! Pas bij de doorverkoop van uw woning betaalt u de nominale korting aan[plaats] terug, vermeerderd met 30% aandeel voor[plaats] in de positieve waardeontwikkeling. Bij een negatieve waardeontwikkeling neemt[plaats] 50% daarvan voor haar rekening.”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In hoger beroep is uitsluitend nog in geschil het antwoord op de vraag of en zo ja, in hoeverre, de vastgestelde waarde (verder) dient te worden verminderd in verband met de nominale (voorwaardelijke) korting van 15%.

3.2.

Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend en concludeert tot een waarde van tussen € 990.000 en € 1.062.625.

3.3.

De heffingsambtenaar beantwoordt die vraag ontkennend en concludeert tot bevestiging van de door de rechtbank op € 1.150.000 vastgestelde waarde.

4 Beoordeling in hoger beroep

4.1.

De rechtbank heeft omtrent het geschil voor zover in hoger beroep nog van belang als volgt overwogen:

9. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de v.o.n.-prijs van € 1.165.000 inclusief 10% onvoorwaardelijke korting en inclusief BTW als uitgangspunt moet worden genomen bij de waardebepaling van de woning. De overige kortingen, die er kennelijk toe hebben geleid dat eiser een lager bedrag aan de projectontwikkelaar heeft betaald dan de in de koopovereenkomst vermelde koopsom, betreffen naar het oordeel van de rechtbank financieringskortingen waarvan de uiteindelijke hoogte afhankelijk is van de prijs die eiser bij doorverkoop van de woning realiseert. De hoogte van deze kortingen hangt dus af van een toekomstige, thans nog onzekere omstandigheid en de rechtbank acht het daarom niet aannemelijk dat dit van invloed is op de waarde in het economische verkeer op de waardepeildatum 1 januari 2010. Nu de prijs van € 1.165.000 in november 2010 is overeengekomen dient deze nog te worden gecorrigeerd naar de waardepeildatum 1 januari 2010. Uit de matrix zoals opgenomen in het door verweerder overgelegde taxatierapport blijkt een lichte waardestijging van de huizenprijzen in de loop van 2010, want de naar 1 januari 2010 geïndexeerde transactiesom van de onderbouwende verkopen is iets lager dan de in de loop van 2010 gerealiseerde verkoopprijs van die onderbouwingen. De rechtbank stelt de WOZ-waarde op 1 januari 2010 daarom in goede justitie vast op € 1.150.000.

4.2.

In zijn in 2.3 vermelde uitspraak heeft dit Hof als volgt overwogen:

5.1.

Ingevolge artikel 17, tweede lid, Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.

5.2.

De in de onder 5.1. vermelde wetsbepaling bedoelde waarde wordt ingevolge artikel 18, eerste en tweede lid, van de Wet WOZ – voor zover hier van belang – bepaald naar de waarde die de zaak op de waardepeildatum heeft waarbij de waardepeildatum één jaar voor het begin van het kalenderjaar ligt waarvoor de waarde wordt vastgesteld (verder de WOZ-waarde). In het onderhavige geval is de waardepeildatum 1 januari 2010.

5.3.

De WOZ-waarde is de prijs die - uitgaande van de ficties als bedoeld in artikel 17 Wet WOZ - bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.

5.4.

Beide partijen nemen als uitgangspunt voor de gezochte waarde de koopaanneemsom van €1.375.000. Hierop worden correcties toegepast in verband met waardeontwikkelingen in de periode tot aan de waardepeildatum. Eén van de factoren die beide partijen in aanmerking nemen is de 10%-regeling. Hof ziet geen aanleiding hieromtrent anders te oordelen.

5.5.

Partijen twisten wel over de vraag of de 15%-regeling van invloed is op de waarde.

De heffingsambtenaar stelt van niet. Ter onderbouwing hiervan voert hij aan:

“Het is bekend dat de projectontwikkelaar voor bepaalde woningen aan potentiële kopers die vóór 31 december 2010 een koop-aanneemovereenkomst tekenden, een eenmalige korting op de V.O.N. prijs en daarnaast een aanvullende kortingsregeling aanboden. Dit zijn echter persoonlijke verplichtingen die bij een WOZ waardering dienen te worden uitgeschakeld. Dergelijke verplichtingen hebben geen derden-werking. Met andere woorden, een opvolgende koper kan hieraan geen rechten ontlenen;” (uit het Taxatieadvies).

En

“Met de aanvullende kortingsregeling (Hof: bedoeld is de 15%-regeling) dient naar mijn mening geen rekening te worden gehouden omdat dit geen koopsomverlaging betreft, maar een financieringsregeling is (een uitgestelde betaling c.q. een lening van de ontwikkelaar aan de consument voor een gedeelte van de koopsom). Deze korting, die er kennelijk toe heeft geleid dat [belanghebbende] een lager bedrag aan de projectontwikkelaar heeft betaald dan de in de koopovereenkomst vermelde koopsom, betreft daarom een financieringskorting waarvan de uiteindelijke hoogte afhankelijk is van de prijs die eiser bij doorverkoop van de woning realiseert. De hoogte van deze korting hangt dus af van een toekomstige, thans nog onzekere omstandigheid en ik acht het daarom niet aannemelijk dat dit van invloed is op de waarde in het economische verkeer op de waardepeildatum.

[...] De maatstaf voor het al dan niet toekennen van waardedrukkende invloed aan een zakelijke dan wel daarmee gelijk te stellen verplichting, is of door die verplichting de omvang van het genot van de zaak en daardoor de waarde ervan, ongeacht de persoon van de zakelijk gerechtigde of gebruiker, worden beperkt (HR van 25 november 1989, nr. 33212, BNB 1999/18).

[…] De financieringsregeling beperkt niet het woongenot van belanghebbende. Bij de waardering moet daaraan derhalve worden voorbijgegaan.” (uit hoger beroepschrift onder 3.3 e.v.)

In zijn visie is voor een verdere verlaging, anders dan belanghebbende meent, geen ruimte.

5.6.

Wat er ook moge zijn van het betoog van de heffingsambtenaar dat het gaat om “persoonlijke verplichtingen”, voor de waardebepaling in deze is relevant dat de regeling onmiskenbaar aantoont dat de verkoper op de verkoopdatum met een lagere prijs dan de koopaanneemsom genoegen neemt: immers met de betaling van een deels onzeker bedrag, op een onzeker moment in de toekomst. De waarde op de peildatum van dit deels onzekere bedrag dient geschat te worden. Omdat het gaat om een betalingsverplichting voor de toekomst dient de 15%-regeling te worden gewaardeerd waarbij rekening wordt gehouden met verschillende factoren (onder meer de termijn tot aan een toekomstige/onzekere verkoop, te hanteren rente, kans op winst/verlies bij verkoop). Door uit te gaan van 50% (van 15%) heeft de rechtbank naar het oordeel van het Hof de invloed van de 15%-regeling op de WOZ-waarde op een correcte wijze in aanmerking genomen. Desgevraagd ter zitting kon de heffingsambtenaar overigens niet aangeven of en, zo ja, welk ander percentage (dan 50% van 15%) in zijn visie in aanmerking dient te worden genomen. Aldus kan de waarde van de woning worden vastgesteld op (afgerond) € 1.134.000 (€1.375.000 -/- € 240.625).

5.7.

Gelet op het voorgaande komt het Hof tot de conclusie dat een WOZ-waarde voor de woning per peildatum 1 januari 2010 van € 1.134.000 door de rechtbank niet te laag is vastgesteld. Hetgeen de heffingsambtenaar overigens nog heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

4.3.

Belanghebbende heeft zich op die uitspraak (en op de daaraan voorafgegane uitspraak van de rechtbank, die in dezelfde zin had beslist) beroepen ter ondersteuning van zijn stelling dat ook in zijn geval de voorwaardelijke kortingsregeling een (mede)bepalende factor is voor de waarde in het economische verkeer van de woning.

4.4.

De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat de voorwaardelijke kortingsregeling een financieringskorting is waarvan de uiteindelijke omvang afhangt van een toekomstige, onzekere omstandigheid, en dat deze regeling niet van invloed is op de waarde in het economische verkeer van de woning. Naar het oordeel van de heffingsambtenaar dient te worden uitgegaan van de in de koopovereenkomst vastgelegde koopsom van € 1.165.000, welke de bij de verkoopovereenkomst betrokken partijen zelf hebben aangeduid als ‘de waarde in het economische verkeer’ van de woning. De rechtbank heeft dit bedrag in verband met de prijsontwikkeling tussen 1 januari en 29 november 2010 terecht ‘teruggeïndexeerd’ tot een waarde van € 1.150.000 per de peildatum, aldus de heffingsambtenaar.

4.5.

Het Hof is van oordeel dat de in 4.2 vermelde overwegingen van overeenkomstige toepassing zijn op de onderhavige zaak. De heffingsambtenaar heeft naar ’s Hofs oordeel niets aangevoerd dat aanleiding kan geven tot een andere beslissing. Ook in het geval van belanghebbende acht het Hof aannemelijk dat de voorwaardelijke kortingsregeling onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van een samenstel van afspraken die betrekking hebben op de aankoop(prijs) van de woning. Uit de als bijlage bij het hogerberoepschrift overgelegde conceptkoopovereenkomst van 31 juli 2009 blijkt dat reeds toen de woning met de voorwaardelijke korting van 15% werd aangeboden; het Hof leidt hieruit af dat ook op de peildatum 1 januari 2010 zonder de voorwaardelijke kortingsregeling geen kopers voor de woning konden worden gevonden. Het Hof volgt dus belanghebbende in diens stelling dat de voorwaardelijke kortingsregeling medebepalend is voor de waarde in het economische verkeer van de woning. De enkele omstandigheid dat partijen bij de verkoopovereenkomst eensluidend spreken over een ‘waarde in het economische verkeer van de woning’ van € 1.165.000 brengt geen verandering in dit oordeel.

4.6.

Bij het kwantificeren van de invloed die de voorwaardelijke kortingsregeling heeft op de waarde in het economische verkeer van de woning moet rekening worden gehouden met diverse onzekere factoren, waarbij het met name gaat om de vragen of en, zo ja, op welke termijn en tegen welke prijs belanghebbende de woning zal (kunnen) verkopen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met een discontering tegen een onzekere rentevoet. Het Hof stelt de waarde van de voorwaardelijke kortingsregeling per de aankoopdatum 29 november 2010 in goede justitie op 7,5%, en de daaruit volgende waarde in het economische verkeer per die datum op 92,5% van € 1.165.000 ofwel € 1.077.625. Dit bedrag moet nog worden gecorrigeerd naar de waardepeildatum, waarbij niet in geschil is dat in de eerste 11 maanden van 2010 sprake was van een licht stijgende woningmarkt. Hiermee rekening houdend, stelt het Hof de waarde van de woning per de peildatum in goede justitie op € 1.070.000.

Slotsom

Uit al het voorgaande volgt dat het hoger beroep gegrond is, dat de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar vernietigd dienen te worden, en dat de waarde van de woning op de peildatum 1 januari 2010 dient te worden verminderd tot € 1.070.000. Het Hof zal zelf die waarde vaststellen.

Het systeem van de wet (en in het bijzonder artikel 30, tweede lid, Wet WOZ) brengt mee dat op de onderhavige waardebeschikking gebaseerde aanslagen, waaronder de in geschil zijnde aanslag onroerendezaakbelastingen, door de desbetreffende heffingsambtena(a)r(en) respectievelijk het Hof dienovereenkomstig worden verminderd.

5 Kosten

Het Hof acht termen aanwezig de heffingsambtenaar op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende in hoger beroep heeft gemaakt. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). In casu zijn dat

de in onderdeel c vermelde reiskosten voor het bijwonen van het onderzoek ter zitting. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het Besluit wordt het bedrag van deze kosten vastgesteld naar het tarief voor openbaar vervoer tweede klasse, zijnde € 10,88.

Het Hof laat de proceskostenveroordeling van de rechtbank in stand.

6 Beslissing

Het Hof:

-vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens de beslissingen inzake de proceskosten en het griffierecht;

-verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-stelt de waarde van de woning voor het jaar 2011 vast op € 1.070.000;

- vermindert de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2011 dienovereenkomstig;

-veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van belanghebbende in hoger beroep tot een bedrag van € 10,88; en

- gelast de heffingsambtenaar aan belanghebbende het voor het hoger beroep betaalde griffierecht ad € 115 te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. E.F. Faase, voorzitter, J. den Boer en H.E. Kostense, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.L. van der Laan als griffier. De beslissing is op 1 mei 2014 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.