Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1541

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-04-2014
Datum publicatie
20-05-2014
Zaaknummer
23-002578-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Openbaar Ministerie ontvankelijk in vervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-002578-10

datum uitspraak: 7 april 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 juni 2010 in de strafzaak onder parketnummer 13-997007-07 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 maart 2014, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat zij:

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 05 december 2003 tot en met 20 februari 2007, te Amsterdam, althans in Nederland en/of in Spanje, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben zij, verdachte en/of één van haar mededader(s), één of meer voorwerp(en), te weten (één of meer) van de navolgende geldbedragen

- 313.084,00 euro, althans enig geldbedrag (zijnde één of meer contante betalingen van [getuige] aan [medeverdachte 1] en/of [verdachte] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5]) en/of

- 25.491,00 euro, althans enig geldbedrag (zijnde één of meer bedragen dat/die [getuige] heeft overgemaakt naar de bankrekening van [verdachte]) en/of

- 34.000,00 euro, althans enig geldbedrag (zijnde één of meer contante betalingen die [getuige] in opdracht van [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 4] heeft doen toekomen voor de aanschaf van een auto) en/of

- 2.500,00 euro, althans enig geldbedrag (zijnde een bedrag dat [getuige] heeft overgemaakt naar de bankrekening van [vriendin medeverdachte 4] (vriendin van [medeverdachte 4]), verworven en/of voorhanden gehad, (telkens) zulks terwijl zij, verdachte en/of één van haar mededader(s) wist(en) dat/die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit overtreding van de Opiumwet en/of afpersing, in elk geval uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere bewijsbeslissing komt dan de rechtbank.

Bespreking verweer ontvankelijkheid openbaar ministerie

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman – kort samengevat – aangevoerd dat de omstandigheid dat de redelijke termijn is overschreden, het ter beschikking stellen van het strafdossier door de recherche aan het tijdschrift ‘[naam]’ – ten aanzien waarvan de raadsman spreekt van een mediaproces – en de schrijnende persoonlijke omstandigheden van de medeverdachte – voor wie de verdachte als mantelverzorgster optreedt –, elk afzonderlijk alsook in onderlinge samenhang bezien tot voornoemd gevolg moeten leiden.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan het overschrijden van de redelijke termijn van vervolging niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Voorts komt – eveneens volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad – de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking als een in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering voorzien en sanctionerend rechtsgevolg. Daarvoor is alleen plaats, indien de met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan dan wel een belangrijk rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden.

Het hof acht het door de recherche ter beschikking stellen van het strafdossier aan het tijdschrift ‘[naam]’ – zo dit al juist is – niet – hoewel merkwaardig – een handelen als hiervoor omschreven. Het hof heeft hierbij mede in aanmerking genomen dat het enkele verschijnen van dat artikel op zichzelf onvoldoende grond oplevert voor de conclusie dat sprake is geweest van een mediaproces. Daarvoor heeft de zaak te weinig media-aandacht gekregen. Ook waren er geen journalisten, dan wel andere personen werkzaam in de media, aanwezig in de zittingszaal. Daarbij komt dat het hof eerst op de hoogte van het artikel is gekomen door toezending daarvan door de verdediging. De raadsman heeft ten aanzien van dit punt voorts niet gesteld of onderbouwd hoe de verdachte hierdoor in zijn (verdedigings)belang is geschaad.

Ten slotte is het hof van oordeel dat de persoonlijke omstandigheden van de medeverdachte – hoe schrijnend ook voor hem en voor de verdachte – niet van dien aard zijn dat het ondanks die omstandigheden vervolgen van de verdachte en de medeverdachte moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Het vorenstaande geldt ook indien de drie door de verdediging aangevoerde gronden voor niet-ontvankelijkheid tezamen en in onderling verband – voor zover daarvan gesproken zou kunnen worden –worden bezien.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd voor de duur van twee jaren.

Vrijspraak

De door de advocaat-generaal en de verdediging geschetste scenario’s omtrent de herkomst van het geld dat de verdachte en haar medeverdachte hebben ontvangen zijn talrijk. Geen van deze scenario’s lijkt op voorhand volstrekt onaannemelijk en voor elk daarvan is in enigerlei mate onderbouwing in het dossier te vinden. Het hof constateert dat de verschillende scenario’s veelal tot een voor de verdachte en haar medeverdachte gunstige uitkomst leiden. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting kan het hof daartegenover onvoldoende harde feiten vaststellen op grond waarvan het tot een gemotiveerde en overtuigende keuze kan komen voor één van deze scenario’s, hetgeen betekent, bij deze stand van zaken, dat het hof geen wettig en overtuigend bewijs ziet voor het ten laste gelegde, meer in het bijzonder niet voor de beschuldiging dat het geld in kwestie van misdrijf afkomstig is. Met name staat hieraan in de weg dat de getuige [getuige] op 7 januari 2010 bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat de gelden die hij de verdachte en haar medeverdachte heeft doen toekomen geen criminele herkomst hebben, maar afkomstig zijn uit zijn “eigen broekzak”. Bij die stand van zaken dient de verdachte te worden vrijgesproken.

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.C.P. Haentjens, mr. J.L. Bruinsma en mr. P. Greve, in tegenwoordigheid van

mr. M. Helmers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

7 april 2014.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...]

[...][...][...]

[...]

[...][...]

[...][...][...][...]

[...]