Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1503

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
27-08-2014
Zaaknummer
200.122.707/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALK:2012:5096, Bekrachtiging/bevestiging
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALK:2012:5074, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van het gezag, schorsing in de uitoefening van het gezag.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 266, 268, 272, geldigheid: 2014-08-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civielrecht recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 25 februari 2014

Zaaknummer: 200.122.707/01

Zaaknummers eerste aanleg: 140823 / OT RK 12-1257 en 139949 / FA RK 12-657

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante,

advocaat: mr. C.M.C. Laumanns te Amsterdam,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Noord‑Holland, locatie Alkmaar,

gevestigd te Alkmaar,

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de moeder en de Raad genoemd.

1.2.

De moeder is op 28 februari 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van 28 november 2012 van de rechtbank Alkmaar, met kenmerken 140823 / OT RK 12-1257 en 139949 / FA RK 12-657.

1.3.

De Raad heeft op 23 april 2013 een verweerschrift ingediend.

1.4.

Op 22 april 2013 heeft het hof een stuk ontvangen van – naar het hof aanneemt – de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: WSJ).

1.5.

De moeder heeft op 8 mei 2013 en op 14 mei 2013 nadere stukken ingediend.

1.6.

De zaak is op 15 mei 2013 ter terechtzitting behandeld, alwaar de zaak pro forma is aangehouden in afwachting van de uitkomst van het onderzoek door Lucertis en het door het hof te ontvangen schriftelijk bericht van WSJ en de moeder over de uitkomst dan wel de voortgang van dat onderzoek. Voorts is bepaald dat tijdens de aanhouding van de zaak de uitoefening van het gezag niet reeds bij de moeder wordt teruggelegd.

1.7.

WSJ heeft het hof op 22 augustus 2013 schriftelijk bericht dat de onderzoeken door Lucertis zijn afgerond en dat de resultaten op 9 september 2013 met alle betrokkenen zullen worden besproken, en dat WSJ nog niet op de hoogte is van die resultaten en evenmin beschikt over de rapportages van Lucertis.

Deze rapportages zijn op 16 oktober 2013 ter griffie van het hof ingekomen.

1.8.

De moeder heeft op 8 januari 2014 en 14 januari 2014 nadere stukken ingediend.

1.9.

De mondelinge behandeling van de zaak is voortgezet op 15 januari 2014, alwaar zijn verschenen:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    mevrouw [a] namens de Raad;

  • -

    mevrouw […] ([s]) namens William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: WSJ);

  • -

    mevrouw [c], werkzaam bij Het Vlier Centrum.

1.10.

De heer [w], de vader van de hierna te noemen minderjarigen [x] en [y], is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet ter terechtzitting verschenen. Evenmin is, hoewel behoorlijk opgeroepen, een vertegenwoordiger van Lijn5 ter terechtzitting verschenen.

1.11.

[x] (hierna: [kind a]) en [y] (hierna: [kind b]) zijn voorafgaand aan de zitting door de voorzitter gehoord.

2 De feiten

2.1.

De moeder is gehuwd geweest met de vader. Zij zijn de ouders van [kind a], geboren [in] 2000, en [kind b], geboren [in] 2001 (hierna ook gezamenlijk: de kinderen). Uit andere relaties van de moeder zijn voorts drie meerderjarige kinderen en drie thans nog minderjarige kinderen geboren.

2.2.

Bij beschikking van 30 juni 2010 zijn de kinderen onder toezicht gesteld en is een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verleend. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn nadien telkens verlengd, laatstelijk tot 30 juni 2013. De kinderen zijn op 10 januari 2011 bij Reinaerde in Utrecht geplaatst. Vanuit Reinaerde zijn [kind b] en [kind a] op respectievelijk 21 december 2011 en 20 januari 2012 geplaatst in een intensieve besloten behandelgroep van Lijn 5 in Driehuis, waar [kind b] ook thans nog verblijft. [kind a] verblijft sinds medio december 2013 (tijdelijk) bij de Doggerij in Den Helder.

2.3.

De Raad heeft op verzoek van WSJ onderzoek verricht naar de noodzaak van een verderstrekkende maatregel met betrekking tot de kinderen. De Raad heeft hieromtrent op 23 augustus 2012 een rapport uitgebracht.

2.4.

Bij beschikking van 5 oktober 2012 zijn de ouders op het daartoe strekkende verzoek van de Raad met ingang van die datum geschorst in de uitoefening van het ouderlijk gezag over de kinderen en heeft de rechtbank de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord‑Holland (hierna: BJZNH) belast met de voorlopige voogdij, waarbij een persoon werkzaam bij WSJ feitelijk met de uitvoering zal zijn belast, totdat nader zal zijn beslist omtrent de uitoefening van het gezag over de kinderen. De vervaltermijn is bepaald op twaalf weken. Voorts is vastgesteld dat BJZNH wordt belast met het gehele gezag over de persoon en het vermogen van de kinderen.

2.5.

De Raad heeft op 16 oktober 2012 een rapport uitgebracht behorende bij het verzoek tot schorsing in de uitoefening van het ouderlijk gezag en tot vaststelling van de voorlopige voogdij inzake de kinderen.

2.6.

Lucertis heeft in juni 2013 psychologisch onderzoek verricht met betrekking tot de kinderen en hieromtrent op 10 oktober 2013 rapport uitgebracht.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking met kenmerk 140823 / OT RK 12-1257 is de beschikking van 5 oktober 2012 gehandhaafd.

Bij de bestreden beschikking met kenmerk 139949 / FA RK 12-657 zijn op het daartoe strekkende verzoek van de Raad de moeder en de vader ontheven van het gezag over de kinderen, met benoeming van BJZNH tot voogd over de kinderen, die de uitvoering hiervan zal opdragen aan WSJ.

3.2.

De moeder verzoekt, naar het hof begrijpt, met vernietiging van de bestreden beschikkingen:

- primair, de inleidende verzoeken van de Raad tot schorsing in de uitoefening van het gezag en tot gedwongen ontheffing van het gezag over de kinderen af te wijzen;

- subsidiair, het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (hierna: NIFP) te laten bemiddelen in de benoeming van een deskundige en het NIFP onderzoek te laten verrichten en in dat kader advies uit te brengen over de door de moeder in haar grief gespecificeerde vragen en te bepalen dat deze voor ’s Rijks kas zullen komen,

- met veroordeling van de Raad in de kosten van deze procedure.

3.3.

De Raad verzoekt het verzoek in hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikkingen te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

De moeder betoogt – samengevat – dat zij ten onrechte is geschorst in de uitoefening van het gezag over de kinderen, omdat voor een minder ingrijpende maatregel had moeten worden gekozen, te weten het indienen van een verzoek bij de kinderrechter tot vervangende toestemming voor een medische behandeling. Zij stelt voorts dat de Raad onvoldoende heeft onderzocht of haar twijfels over de behandeling en medicatie van de kinderen bij Lijn5 terecht waren en dat de zorgmeldingen van Lijn5 onvoldoende grond vormden voor deze verstrekkende maatregel.

Voorts betoogt de moeder – samengevat – dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor ontheffing van het gezag. Zij stelt dat zij zich terecht heeft verzet tegen de behandeling van de kinderen bij Lijn5, omdat hun veiligheid en belangen niet werden gewaarborgd. Volgens de moeder heeft de Raad onvoldoende deugdelijk onderzoek verricht en zijn de gronden voor ontheffing van het gezag niet deugdelijk gemotiveerd. Zij stelt verder dat zij sinds de uithuisplaatsing van de kinderen niet in de gelegenheid is gesteld om te laten zien dat zij in staat is de verzorging en opvoeding van de kinderen zelf ter hand te nemen en dat derhalve nimmer adequaat is onderzocht of thuisplaatsing een optie is. Bovendien zouden de wensen van de kinderen, die het liefst bij hun moeder willen opgroeien en van mening zijn dat hun moeder niet uit het gezag dient te worden ontheven, moeten meewegen in de beslissingen die over hen worden genomen, aldus de moeder.

4.2.

De Raad heeft verweer gevoerd en stelt – samengevat – dat de gronden voor schorsing en gedwongen ontheffing van het gezag aanwezig waren en zijn.

De Raad stelt dat de zorgen niet uitsluitend waren gelegen in het gegeven dat de moeder de medicatie van [kind b] zo snel mogelijk wilde afbouwen. Volgens de Raad was sprake van een ernstig verstoorde werkrelatie tussen de moeder en Lijn5, waarbij de continuïteit van de behandeling van de kinderen voortdurend in het geding was. Alleen het indienen van een verzoek om vervangende toestemming voor een medische behandeling zou onvoldoende de veilige ontwikkeling van de kinderen hebben veilig gesteld.

De moeder is volgens de Raad ongeschikt en/of onmachtig om de kinderen te verzorgen en op te voeden. De uitkomst van het door Lucertis verrichte onderzoek maakt dit niet anders. De kinderen hebben vanwege hun persoonlijke problematiek specifieke zorg nodig die de moeder hun niet kan bieden. De moeder heeft geen inzicht in de problematiek van de kinderen. Zij heeft zich steeds verzet tegen hulpverlening en de kinderen betrokken in haar strijd tegen die hulpverlening, hetgeen tot onduidelijkheid en onrust bij de kinderen heeft geleid. De kinderen moeten zich kunnen richten op hun verdere ontwikkeling. Het belang van de kinderen verzet zich niet tegen een ontheffing van het gezag, aldus de Raad.

4.3.

Het hof ziet aanleiding om in het navolgende eerst te beoordelen of de rechtbank de moeder terecht en op goede gronden van het gezag over de kinderen heeft ontheven.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:266 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet, een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen worden ontheven op de grond dat die ouder ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.

In het geval een ouder zich verzet tegen ontheffing van het gezag over een of meer van zijn kinderen, kan op grond van artikel 1:268 lid 2, aanhef en onder a BW ontheffing worden uitgesproken, indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel door de ongeschiktheid of de onmacht van de ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

4.4.

Vaststaat dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing inmiddels langer hebben geduurd dan de termijnen genoemd in artikel 1:268 BW, nu de kinderen thans ruim drie-en-een-half jaar uit huis zijn geplaatst.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de kinderen een belaste voorgeschiedenis hebben. Blijkens het raadsrapport van 23 augustus 2012 bestonden reeds in 2005 zorgen over de kinderen, hetgeen ertoe heeft geleid dat de kinderen eind 2005 voor de duur van een jaar onder toezicht zijn gesteld. In 2008 heeft de Raad naar aanleiding van een zorgmelding van het Advies Meldpunt Kindermishandeling wederom een beschermingsonderzoek verricht waaruit naar voren kwam dat de kinderen in hun ontwikkeling werden bedreigd. [kind a] vertoonde een achterstand op cognitief gebied, had geen hecht contact met andere kinderen en liet in ongestructureerde situaties externaliserend gedrag zien. De ontwikkeling van [kind b] op sociaal gebied was zeer zorgelijk, hij veroorzaakte vaak ruzies en vertoonde negatief gedrag zoals slaan, schoppen en schelden. Destijds zag de Raad echter mogelijkheden voor hulpverlening in een vrijwillig kader

Ten tijde van hun uithuisplaatsing vertoonden de kinderen ernstige gedragsproblemen, waaronder agressief gedrag en wegloopgedrag, en bestonden grote zorgen over hun ontwikkeling. Blijkens de adviesbrieven van Stichting De Praktijk (hierna: De Praktijk) van 16 juli 2009 is geconstateerd dat de kinderen in een onveilige pedagogische omgeving zijn opgegroeid en dat sprake is van (pedagogische) verwaarlozing. Volgens De Praktijk verliep de persoonlijkheidsontwikkeling van de kinderen op dat moment zeer risicovol en was het van essentieel belang dat hun een pedagogisch en affectief veilig opvoedingsklimaat zou worden geboden. Ten aanzien van [kind a] heeft De Praktijk geconstateerd dat hij impulsief en egocentrisch is in zijn handelen, dat hij een gebrekkige zelfcontrole heeft, waardoor hij sterk afhankelijk is van extern geboden structuur, dat hij moeilijk frustratie kan verdragen en dat zijn sociaal‑emotionele ontwikkeling jonger is dan op grond van zijn leeftijd verwacht zou kunnen worden. Ook [kind b] vertoonde volgens De Praktijk een achterstand in zijn sociaal‑emotionele ontwikkeling. Voorts is geconstateerd dat [kind b] voortdurend de grenzen opzoekt, dat hij erg veel moeite heeft om zijn eigen gedrag bij te sturen en graag zijn eigen gang gaat, dat hij zich niet aan de regels van de groep houdt en snel de gang van zaken verstoort. Blijkens het verslag van Stichting Parlan Jeugd & Opvoedhulp (hierna: Parlan) van 29 oktober 2009 zijn ten aanzien van [kind a] ouder/kind-relatieproblemen en gedragsstoornissen geconstateerd. [kind a] vertoonde onder meer problemen met fantasie en werkelijkheid alsmede emotioneel jong gedrag en hij voelde zich bedreigd door andere kinderen, waarbij hij reageerde met weglopen of slaan.

Gebleken is dat intensief hulpverlening is ingezet in de thuissituatie, onder meer vanuit De Praktijk, het Boddaertcentrum en De Omring. Deze hulpverlening heeft echter onvoldoende resultaat gehad. Door verschillende hulpverleners zijn grote zorgen geuit over de thuissituatie en over de opvoedingsvaardigheden van de moeder. Geconstateerd is dat de moeder adviezen niet opvolgt of dat deze niet beklijven, dat zij – mogelijk door haar eigen persoonlijke problematiek – onvoldoende inzicht heeft in de pedagogische behoeften van de kinderen en dat zij problemen bagatelliseert of ontkent en de schuld buiten zichzelf legt.

Het hof acht voldoende aannemelijk dat de moeder in de thuissituatie onvoldoende in staat is gebleken de kinderen voldoende basisveiligheid, duidelijkheid, structuur en voorspelbaarheid te bieden. Uit de rapporten van Lucertis blijkt onder meer dat beide kinderen nog steeds achterlopen in hun sociaal‑emotionele ontwikkeling en dat bij beiden sprake is van ouder/kind-relatieproblemen. Daarnaast heeft Lucertis bij [kind a] gedragsproblemen alsmede problemen gebonden aan de sociale omgang geconstateerd, hetgeen zich onder meer uit in woedeaanvallen, lastig en opstandig gedrag, wegloopgedrag, provocerend gedrag naar groepsgenoten en het zich laten provoceren. Volgens Lucertis is bij [kind b] sprake van problemen gebonden aan de sociale omgeving. Hij heeft snel last van prikkels in zijn omgeving en vindt het lastig als anderen zich met hem bemoeien. Hij is voorts erg sturend en wil dat alles op zijn manier gaat. De stelling van de moeder dat het door Lucertis verrichte onderzoek te beperkt en niet onafhankelijk zou zijn, acht het hof onvoldoende onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbij zal gaan. Evenmin heeft de moeder aannemelijk gemaakt dat de kinderen voormelde problematiek vertonen, omdat zij opgroeien tussen kinderen met een licht verstandelijke beperking en gedrag overnemen van de overige kinderen in de groep. Uit het voorgaande volgt immers dat deze problematiek van de kinderen reeds vóór hun uithuisplaatsing door verscheidene deskundigen is geconstateerd.

Uit de stukken in het dossier, waaronder voormelde adviesbrieven van De Praktijk, blijkt dat de kinderen gebaat zijn bij een structurerend opvoedingsklimaat waarin duidelijke regels en grenzen worden geboden en waarin positief gedrag consequent bekrachtigd wordt. De moeder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij thans wel in staat is aan te sluiten op de specifieke opvoedingsbehoefte van de kinderen. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de moeder nog steeds onrust teweegbrengt bij de kinderen doordat zij de kinderen belast met volwassenenproblematiek en hen betrekt bij, althans onvoldoende weghoudt van haar strijd tegen WSJ en Lijn5. Ter zitting in hoger beroep heeft [s] verklaard dat de moeder gedurende een half jaar niet wilde meewerken aan een begeleide bezoekregeling met de kinderen, hetgeen door de moeder niet is betwist. Het hof is van oordeel dat de moeder aldus onvoldoende de belangen van de kinderen voor ogen houdt.

Gelet op het vorenstaande acht het hof voldoende aannemelijk geworden dat de moeder niet over die pedagogische vaardigheden beschikt die de kinderen, mede gezien hun specifieke problematiek, nodig hebben om hun veilige ontwikkeling te kunnen waarborgen. De moeder is daarin onvoldoende leerbaar gebleken. Het hof is derhalve met de Raad van oordeel dat de moeder onmachtig dan wel ongeschikt is om als ouder haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.

4.5.

In aanmerking genomen hetgeen hiervoor is overwogen, volgt het hof de Raad in zijn stelling dat er geen perspectief bestaat op thuisplaatsing van de kinderen bij de moeder. Het door de moeder in het geding gebrachte verslag van het Vlier Centrum doet aan het voorgaande niet af. Bovendien blijkt uit de rapporten van Lucertis dat de kinderen hebben geprofiteerd van de structuur en duidelijkheid van de groep. Voor zover de uitvoering van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen niet op de juiste wijze zou zijn verlopen, overweegt het hof dat ter zitting in hoger beroep is gebleken dat thans wordt gezocht naar een Gezinshuis voor [kind a]. Ter zitting in hoger beroep heeft [s] verklaard dat [kind b], indien hij niet terug naar huis kan, graag naar een open groep wil doorstromen, doch dat hij eerst nog aan een aantal voorwaarden moet voldoen, waaronder het onder controle krijgen van zijn boosheid. Voorts heeft [s] verklaard dat een Gezinshuis ook voor [kind b] goed zou zijn, omdat sprake is van vaste opvoeders in een gezinssituatie.

Het hof is van oordeel dat in het belang van de kinderen een voorziening voor de langere termijn dient te worden getroffen, teneinde de kinderen duidelijkheid over hun opvoedings- en ontwikkelingsperspectief te bieden. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de moeder zich blijft verzetten tegen een definitieve uithuisplaatsing van de kinderen, hetgeen aan de verdere ontwikkeling van de kinderen in de weg staat. Bij een jaarlijkse verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zal de onzekerheid over het opvoedingsperspectief voortduren, hetgeen niet in het belang van de kinderen is. Aan het belang van de kinderen bij stabiliteit en continuïteit in hun opvoedingssituatie dient naar het oordeel van het hof zwaarwegende betekenis te worden toegekend.

Het hof acht de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing derhalve onvoldoende om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden. Voor zover de moeder betoogt dat de ontheffing van het gezag een ongerechtvaardigde inbreuk vormt op het recht op gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), treft dit betoog, gelet op het vorenstaande, geen doel. Het hof acht die inperking gerechtvaardigd teneinde een verdere bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen af te wenden. Het vorenstaande brengt mee dat het belang van de kinderen zich niet tegen ontheffing van het gezag verzet.

Het hof overweegt ten overvloede dat een ontheffing van het gezag niet betekent dat de moeder geen ouder meer zal zijn. De band tussen haar en de kinderen zal door een ontheffing van het gezag niet worden aangetast.

4.6.

Uit al hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat is voldaan aan de vereisten voor een ontheffing van het gezag als bedoeld in artikel 1:268 lid 2, aanhef en onder a BW, gelezen in samenhang met artikel 1:266 BW.

4.7.

Het hof acht zich gelet op de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep voldoende voorgelicht en ziet geen aanleiding een onderzoek door het NIFP te gelasten, zoals door de moeder subsidiair is verzocht. Dit verzoek zal derhalve worden afgewezen.

4.8.

Met betrekking tot het hoger beroep van de moeder tegen de handhaving van de hiervoor vermelde beschikking van 5 oktober 2012, overweegt het hof als volgt.

Ter beoordeling ligt voor of is voldaan aan de vereisten voor schorsing van de moeder in de uitoefening van het gezag over de kinderen en voor het belasten van BJZNH met de voorlopige voogdij over de kinderen, zoals bedoeld in artikel 1:272 lid 1 BW.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:272 lid 1 BW, voor zover thans van belang, kan de kinderrechter op grond van feiten die tot de in het tweede lid van artikel 1:268 BW bedoelde ontheffing van een ouder kunnen leiden, en indien dit dringend en onverwijld noodzakelijk is, de ouders geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag over een kind schorsen en een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg belasten met de voorlopige voogdij over een kind.

4.9.

Het hof volgt de moeder niet in haar stelling dat de maatregel van schorsing in de uitoefening van het gezag disproportioneel is en een verzoek tot vervangende toestemming voor een medische behandeling als bedoeld in artikel 1:264 BW had moeten worden ingediend. Anders dan de moeder stelt, hadden de zorgmeldingen van Lijn5 en WSJ niet uitsluitend betrekking op [kind b] en diens medische behandeling, doch op de continuïteit van de behandeling van beide kinderen bij Lijn5. De moeder erkent bovendien dat zij niet instemt met de behandeling van de kinderen bij Lijn5. Naar het oordeel van het hof omvat de behandeling bij Lijn5 meer dan een medische behandeling in de vorenbedoelde zin.

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep acht het hof voldoende aannemelijk geworden dat door de opstelling van de moeder de hulpverlening en de opvoeding van de kinderen bij Lijn5 stagneerde en daardoor hun veilige ontwikkeling in gevaar kwam. Van de zijde van de moeder werden voortdurend nieuwe eisen gesteld en gemaakte afspraken in twijfel getrokken, waardoor de continuïteit van de behandeling van de kinderen bij Lijn5 voortdurend in het geding was. In dit verband acht het hof van belang dat de moeder zelf afspraken had gemaakt voor het laten plaatsvinden van een volledig onderzoek door een kinder- en jeugdpsychiater, terwijl van de zijde van Lijn5 nadrukkelijk aan de moeder te kennen was gegeven dat een dergelijk onderzoek op dat moment nadelig en belastend voor de kinderen zou zijn en niet tot betrouwbare resultaten zou leiden.

De door de moeder in het geding gebrachte uitspraken van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam laten het voorgaande onverlet, nu de gegrondverklaringen van de door de moeder ingediende klachten – kort gezegd – uitsluitend betrekking hebben op het zonder toestemming van de moeder verstrekken van medicatie (Risperidon) aan [kind b] alsmede op de ten aanzien van die medicatie verstrekte second opinion. Het hof overweegt ten overvloede dat ter zitting in hoger beroep is gebleken dat [kind b] thans geen medicatie meer krijgt toegediend.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat sprake was van feiten die tot de in het tweede lid van artikel 1:268 BW bedoelde ontheffing van een ouder kunnen leiden en dat de maatregel van schorsing in de uitoefening van het gezag over de kinderen, onder belasting van BJZNH met de voorlopige voogdij, in dit geval dringend en onverwijld noodzakelijk was, zodat is voldaan aan de vereisten van artikel 1:272 lid 1 BW.

Voor zover de moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat een persoon werkzaam bij WSJ feitelijk zal zijn belast met de uitvoering van de voorlopige voogdij, omdat uitsluitend BJZNH bevoegd is tot mandaatverlening en de mandaatverlening van BJZNH aan WSJ is verouderd, overweegt het hof dat de moeder onvoldoende heeft onderbouwd dat het door de Raad in het geding gebrachte mandaatbesluit ten tijde van de uitvoering van de voorlopige voogdij niet rechtsgeldig was. Voor zover de moeder stelt dat WSJ ook thans niet bevoegd is om krachtens mandaat de voogdij uit te oefenen, acht het hof die stelling in het licht van het Mandaatbesluit Bureaus jeugdzorg en de landelijk werkende instellingen van 20 september 2013 (Stcrt. 2013, nr. 26479) evenmin aannemelijk. In dat besluit is geregeld dat het bestuur van de stichting, die een Bureau jeugdzorg in stand houdt aan het bestuur van de instelling met een landelijk bereik, waaronder WSJ, mandaat, volmacht en machtiging verleent tot het nemen van besluiten en het verrichten van (rechts)handelingen die betrekking hebben op de uitvoering van een (voorlopige) ondertoezichtstelling, (voorlopige) voogdij en de jeugdreclassering.

4.10.

Gelet op de aard en de uitkomst van de procedure, is er geen aanleiding om de Raad te veroordelen in de proceskosten, zoals door de moeder is verzocht. Deze kosten dienen op de gebruikelijke wijze te worden gecompenseerd.

4.11.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikkingen waarvan beroep;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Wigleven, A.N. van de Beek en A.R. van Wieren in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2014.